27 - 10 - 2021
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag25
GisterenGisteren129
Deze weekDeze week247
Deze maandDeze maand2502
Alle dagenAlle dagen76516
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index



VELUWSCHE BEKEN EN DALING VAN
HET GRONDWATERPEIL
II
DOOR
]. D. MOERMAN
(Met 2 kaarten)



De Hierdense Beek.

Deze beek wijkt in karakter sterk af van de besproken molenbeken, die het water uitsluitend uit gegraven sprengen krijgen en daardoor een vrij constanten toevoer uit het grondwater hebben. De Hierdensche beek wordt daarentegen nagenoeg geheel gevoed uit talrijke kleine weteringetjes en vormt zoodoende de natuurlijke loozing van een vrij groot gebied.
Vooral in de laatste tijden is van de afwatering der aangrenzende terreinen zeer veel werk gemaakt, waardoor de beek in neerslag-rijke tijden zooveel water krijgt te verwerken, dat het in den benedenloop zoo'n beetje begint te bandjiren. Daar gaat natuurlijk mede samen, dat in droge perioden de greppels en afvoerleidingen bijna geen water aanvoeren en de beek slechts
heel weinig water heeft.
Hoe de grondwaterspiegel der Veluwe naar dezen kant verloopt, is ons niet bekend. Het is mogelijk, dat het onzichtbaar afvloeiende grondwater van de hoogere gronden daar aan den dag treedt, maar we gelooven niet dat dit op de capaciteit der Hierdensche beek een grooten invloed heeft: de beek reageert snel en sterk op den direkten neerslag in zijn stroomgebied, evenals de weteringen aan de 0. en W.-zijde der Veluwe.
Zulk een waterloop is geen eerste klas molenbeek. Toch wordt reeds in 1307 van een watermolen 1) in de “stad”Staveren (vóór 1290 gesticht) melding gemaakt. Maar tevens blijkt, dat in 1524 den nieuwen eigenaar van Staveren, die dit goed in ruil kreeg voor de hierboven genoemde bezittingen bij Arnhem, tevens vergund werd om “water uut Udelre meer te leyden ende tot heure meule te Staveren te gebruycken, so mennichmael sulx nodig sal syn". Bovendien is de beek door het graven van sprengen verbeterd.

1) Gedenkw. I, N°. 89.

Was deze afleiding uit het meer een kunstmatige of een uitgediepte natuurlijke afvoer? Dat is thans niet meer na te gaan, doch stellig is de tegenwoordige, tot 2 in diepe sloot, in het laagste deel van de afsluitende hoogten om het meer gegraven, het werk van menschen. Het kan niet anders of de waterstand moet daardoor al eenige eeuwen geleden aanzienlijk zijn gedaald. Wanneer het meer ooit over dezen rug op natuurlijke wijze is afgevloeid, dan moet het minstens 2 m hooger hebben gestaan.
Ook later is aan die afleiding gewerkt, want Hartman 1) vermeldt, zonder evenwel zijn bron op te geven, dat Stadhouder Willem III beneden de brug een sloot liet graven van 5 rijnlandsche voeten diep, met 2 voeten water, boven breed 15, op den bodem in voeten. Het dal beneden den door-gegraven rug draagt eveneens de sporen, dat daar graafwerken zijn geschied.
Met deze opzettelijke aftapping is bij het onderstellen van een daling van den grondwaterstand, zich afspiegelend in het kleiner worden van het meer, geen rekening gehouden. Daarbij moet niet vergeten worden, dat het Uddeler meer vroeger, wat de bovenste waterlaag betreft, een regenwaterplas was, die zijn toevoer kreeg niet alleen van den daarop
vallenden neerslag, maar ook van het langs de heidevelden daaromheen afkomende regen- en smeltwater. Een verandering van die omgeving, door het omzetten van de harde heikorst in hakhout, weide of bouwland, beteekent een verkleining van het water-opvangend oppervlak.
Het tegenwoordige niveau van het meer zal niet veel boven den grond-waterspiegel liggen. Bij een handboring in de nabijheid van den ouden oeverrand, op een afstand van +/- 25 m van het meer troffen we op 1.30 m diepte water aan, d.i. ongeveer op gelijke hoogte met het meer-oppervlak. Om uit te maken of dit grondwater is, zou men een reeks boringen moeten doen naar de richting van Uddel, waar het water dan steeds hooger moet liggen.
In de noordelijke helft van het meer werden door Lorié 2) diepten van 4.5 en zelfs van 7 m gepeild. Ook de oever helt daar steil af ; daar is dus een vreemde en plotselinge inzinking in den bodem.
Volgens Van Baren 3) is het meer belangrijk ingekrompen, wat uit kaarten van 1847 en 1885 zou blijken. Ook Pleyte 4) en zijn medewerkers beweren, dat de oudste kadastrale kaart het water teekent tot in de Huneschans.
Maar reeds op een kaart van 1677 (kaart 9 c.) zien we, dat de oeverlíjn van het meer doorloopt en dat dit al niet meer met het water van de gracht, die als een smal blauw lijntje is ingeteekend, in verbinding staat.

1) H. G. Hartman Jz., Van de Veluwe en uit den Achterhoek, Arnhem 1889.
2) Dr. J. Lorié, Het Uddelermeer en de Veluwe, Verh. Kon. Ak. van Wet. Te Amsterdam, Tweede sectie, dl. XVI, N°. 2, Amsterdam 1910.
3) Dit Tijdschrift, 1906, bl. 563.
4) Dr. W. Pleyte, A. van den Bogert en H. Bouwheer, Uddel en Uddeler Heegde, Barneveld 1889.

Tevens zien we daar, dat in het zuidelijk deel van het meer een eiland ligt. Deze zuidpunt, in 1679 omschreven als “het vluys off vluysen", was een moerassige voortzetting, die op de overzichtskaart bij Pleyte (voorin) als weide is geteekend, maar op de kaart van het meer (bl. 12), aan Janssen ontleend (van 1843), als open water. Vergelijken wij niet de lengte, maar de grootste breedte van het meer op de oude kaart met de lengte van de nog aanwezige omwalde zuidelijkste enk (kaart 9 a.), ten W. van den grintweg, welke afstanden ongeveer gelijk zijn, dan is een inkrimping nauwelijks te constateeren ; die zal reeds eerder, door het graven
der afvoersleul, zijn veroorzaakt.
De afvoersloot door dit thans geheel droge deel staat niet in open verbinding met het meer, welks water bij hoogen stand door een breede maar lage afsluiting heensijpelt en zoo in de Hierdensche beek terecht komt. Volgens Lorié is de ondiepe helft van het meer onder Koning Willem III afgedamd. Een groot gedeelte van het jaar ligt de leiding naar beneden geheel droog; de Hierdensche beek “ontsprìngt”eigenlijkniet in het Uddeler meer en het is hoogst twijfelachtig of dit in vroeger tijden ooit het geval is geweest.
Lorié roert in het genoemde artikel (bl. 12) nog even de overlevering aan, dat het meer door een veenbrand zou zijn ontstaan. “H. G. Hartman (Het Utteler Meer, De Tijdstroom, 1863) deelt mede, dat “in 1222 een bosch met daaronder gelegen veen is uitgebrand". Ik heb geen aanleiding deze eenvoudige mededeeling te betwijfelen, maar laat natuurlijk de bewering, dat daardoor het Uddeler Meer ontslaan zoude zijn, geheel voor rekening van den schrijver.
Bij Pleyte (bl. 5) lezen we daarover het volgende: “Dit wordt opgemaakt uit een bericht bij … Guicciardini. Deze zegt, dat in ouden tijd, in het begin der 4° eeuw, Friezen de Veluwe bewoonden, en een hunner vorsten in 323 een lusthof bouwde aan een klein meer met frisch water. In 1222 brandde het bosch, dat daarbij gelegen was en Vunnilo geheeten, met den daaronder gelegen grond geheel en al uit, zoodat er een waterplas ontstond Het terrein werd in een groot meer herschapen, waarbij in 1654 nog de ruïnen en fondamenten van een kasteel, volgens Slichtenhorst 2), te zien waren. Het meer zou het groote- of “zwarte meer"zijn geheeten". Volgens een noot is dit ontleend aan H. van de Veluwe. Geldersche Volksalmanak 1868, bl. 166 en een artikel van denzelfden schrijver (H.G. Hartman) van 1863 in de Tijdstroom, bl. 162.
Pleyte heeft deze plaats bij Guicciardini niet kunnen vinden. Het verhaal van Rickholt en het meer zou op het Uddeler meer betrekking hebben.
De bewuste passage komt wel degelijk bij dezen italiaanschen schrijver 3) over ons land voor, nl. waar gehandeld wordt over de voornaamste bosschen en wouden.

1) Pleyte, enz. bl. 57.
2) Met deze “fundamenten”bedoelt Sl. de ‚Huyne-Schants".
3) L. Guicciardini, Beschryvinghe van alle de Neder-Landen, enz., Amsterdam 1612, bl. 23. Het boek is voltooid in 1562 (bl. 243). De 1e druk is van 1567; de addities in.de uitgave van 1612 zijn van Petrus Monanus.

Tijdschrift Kon. Ned. Aardr. Gen. 1934. - Kaart N°. X. J.D. Moerman

v2 1
Maar deze tekst is niet van G. zelf, doch een “byvoeghsel”van Montanus, aldus luidende: “Oock mede een mijlken van Staveren Noordoostwaerts was het vermaerde bosch ghenaemt Fluso, alweer in ’t jaer 335 Koninck Richold eenen schoenen lusthof dede maken, daer in ’t jaer 517 veel boomen door den storm omwaeyden. Dit bosch in 't jaer 1222 in brant gheraeckt zijnde, de boomen verbranden, ende de grondt veenachtigh wesende oock voorts smoorende inbranden, waer door gekomen tot een diepe dal een kleyn Meyrken geworden is, genoemt Flusomeyr, ende metter tijdt grooter wordende Flusen ghenaemt werdt".
Hieruit blijkt duidelijk, dat de geschiedenis van dezen veenbrand mitsgaders koning Richold en zijn lustslot (vermoedelijk echter een “villa", in een oude oorkonde genoemd) niets te maken heeft met het Uddelermeer. Hartman is trouwens niet de eenige en de laatste, die op de willekenrigste wijze allerlei meer of minder betrouwbare berichten door elkander haspelt! .
Staveren is Stavoren in Friesland en niet Staveren op de Veluwe; de naam Vunnilo wordt in het bericht niet genoemd.
Op veenbranden komt Guicciardìni zelf later (bl. 162) terug. Tusschen Amersfoort en Rhenen ontstond door een herder brand, waardoor “seer vreemdelijck de aerde en het water 't samen branden". Een nog grooter ongeluk “welck is geschiedt over langhe tyden in Vrieslandt niet verre van de Zuyderzee”, werd veroorzaakt ‚,by faute van een schaephersse ]oncker", waardoor zich een zeer groot en vischrijk meer heeft gevormd, het ‚‚Jonckermeer”geheeten. Vermoedelijk slaat dit eveneens op het ontstaan van het Flusenmeer.
De naam Vunnilo komt voor in een oorkonde van 855 (Sloet N°. 45) onder een lijst van goederen onder Putten, aan het klooster te Werden geschonken. Daarin worden in de omgeving van Putten de volgende plaatsen genoemd: Puthem (Putten), Hotseri (Husseren ), Rentilo, Vunnìlo 1), Niutlo (Nulde), Urthunsula 2), Thri (Drie), Puthem, Irminlo (Ermelo),
Thri, Vunnilo 3). Daarop volgen eenige “sìlvae”in een ander gedeelte der Veluwe.
Er is geen enkele aanwijzing om in dit Vunnilo een bosch bij Uddel te zien, dat reeds in 794 (Sloet N°. 13) als “villa vel marka Uttiloch”wordt vermeld; het zal eerder in de omgeving van Putten zijn te zoeken.

1) Het betreft comprehensiones (landerijen, ontginningen) van drie personen “in saltu (bosch) qui dicitur Vunnilo".
2) In een oorkonde van de 12e en 13° eeuw (Sloet N°. 393) komt in een dergelijke lijst Orthunsula niet voor, wel Orthen, dat zeker niet Orden bij Apeldoorn is. Is deze naam door verkeerde schrijfwijze uit Orthen en Thunsula ontstaan? In Thunsula meenen we Tonselen te herkennen.
3) Comprehensiones van twee andere personen ‚,in saltu .. Vunnilo”.
K. N. A. G., LI.

Ook bij het Bleeke Meer zouden oeverterrassen wijzen op een vroegeren hoogeren stand en dus op een daling van het grondwater. Dit meer heeft een voor de Veluwe ongewone geschiedenis. In de markeboeken vann Uddel en Uddeler Heegde, loopende van 1606 tot 1757 komt de naam Bleeke Meer niet voor! Wel wordt in 1641 (bl. 32) gesproken van een bosch “staende voer den vosmer". In 1661 is een der deelingen een perceel, het Vosmeer geheeten; in 1674 komt de “hoeck van 't vosmeer", in 1675 een ‚,hegge aent Vosmeer” voor. Later (1701) is 't Vosmeer een perceel hout en in 1758 wordt aangeteekend ‚,het Vosmeer synde suyver akkermaalshout".
Bij de overdracht van het goed te Uddel aan Lucas Willem van Essen van den Schaffelaar behoorden (1679) daarbij “beide die Uddelermeeren, groot ende kleyn", die op deze wijze ook worden omschreven in 1736, 1748 en 1750, wanneer ze tot de domeingoederen behooren.
Behalve het groote meer is op de kaart van 1677 nog een kleiner geteekend, dat verder naar het NO. ligt dan de plek waar zich thans het Bleeke meer bevindt. Waarschijnlijk is deze plas het kleine meer en misschien tevens het Vosmeer. Een kaart van de gemeente Apeldoorn van 1827 (9 e.) geeft twee kleine meertjes aan, die ook voorkomen op de topografische kaart van 1843 (9 d.). In de noordelijkste van deze plassen (2) herkennen we de NO-punt van het Bleeke meer, die op de tegenwoordige kaarten een meer afgeronden vorm heeft, maar op iets oudere kaarten den overeenkomstigen hoekigen vorm heeft, die we op de kaart 9 a. tevens hebben aangegeven.

Een derde plasje staat op de topografische kaart van 1851, dat thans verdwenen is en buiten het tegenwoordige Bleeke meer valt. Ook op de kadastrale kaart van 1879 (9 f.) zijn slechts twee plassen ingeteekend.
Toch moet daar toen meer water zijn geweest, want op de uitvoerige gekleurde kaart bij Pleyte, die nauwkeuriger is dan de officieele, staan (9 g.) twee groepen van ieder ongeveer een dozijn veenplassen geteekend. Daarentegen blijkt weer uit den tekst (bl. 5) dat in 1887 het Bleeke meer als veenplas bestond, zoodat de bewuste kaart vermoedelijk een vroegeren. toestand weergeeft. De noordelijkste groep is geheel verdwenen en tot grasland gemaakt en uit de andere moet het Bleeke meer zijn ontstaan.
Eén van deze plassen kan het “naamlooze meertje”(bl. 30) zijn. Waar in 1862 een muntenvondst werd gedaan en zeker zullen daar toen al verscheidene veenputten zijn geweest.
In 1842 (bl. 92) werd door de boertjes in Uddel veel turf gemaakt en verhandeld en ook Staring 1) vermeldt in 1860, dat het veen bij Uddel “de turf levert ten dienste van de steenbakkerijen, waartoe de grondstof gevonden wordt in het diluvinal leem, die zich daar ter plaatse bevindt”.
Het Bleeke meer is zeker ontstaan uit aaneensluitende veenpntten; daarop wijzen nog de begroeide strooken, die boven het water uitsteken.

1) De Bodem van Nederland, bl. 98.

Bovendien leeft er nog de herinnering, dat daar ook door werkvolk uit Giethoorn is gebaggerd.
Vermoedelijk zal op de plaats, waar dit veen zich in een kom heeft gevormd, eens open water zijn geweest. Afgaande op de kaart zou dit reeds vóór 1677 geheel zijn dicht gegroeid, waarna eerst vooral in de 19° eeuw de uitgraving op grooter schaal werd ter hand genomen.
Evenals het Uddelermeer ligt het Bleeke meer in een laagte, die door hoogere welvingen is omringd en het kon eveneens door een afvoersloot worden ontwaterd. De duidelijk zichtbare hoogere oeverrand rondom het meer, het genoemde terras, vindt zijn wel zeer eenvoudige verklaring in het volgende bericht (bl. 5) bij Pleyte, door Van Baren en Loriè niet vermeld: “Het bewijs dat dit (nl. de afvoer van het Uddelermeer) en nog een ander kanaal voor dezen watermolen (op Staveren) bestond, zagen wij in 1878, toen wij onder leiding van Burgemeester Nairac een wetenschappelijk onderzoek op 's Rijks kosten instelden. Het voornemen was, den spiegel van den veenplas van het Bleeke meer te doen dalen. Daartoe werd een oude waterloozing aan de noordkant door ons geopend, en deze, de Gruppe genoemd, uitgediept, waardoor de waterspiegel een meter ongeveer zakte".
Door het uitdiepen van die Gruppe, welke naam al wijst op een oude gegraven afleiding, is het meer dus zeer snel aanmerkelijk ingekrompen.
De vraag, of deze sleuf intertijd is gemaakt, om het water naar de Hierdensche beek en op den molen te brengen. of dat dit is geschied om water kwijt te raken en zoodoende gemakkelijker turf te kunnen steken, is zonder historische gegevens niet op te lossen.
De sloot is ruim 2 m diep door een rug gegraven en moet daar dus vroeger ongeveer 1 m diep zijn geweest. Als het open water, in nog vroeger tijden, een natuurlijke afvloeiing naar de beek heeft gevonden, moet het minstens 1 m hooger hebben gestaan dan in 1887.
Thans loopt door de sloot soms een beetje overtollig water. doch vaak ligt deze geheel droog. Men kan dan ook het Bleeke meer niet een “bron”noemen van de Hierdensche beek.
Dat de gebruikers van den ouden korenmolen op Staverden en van de later gestichte papiermolens daar beneden, de gebreken van dezen waterloop als molenbeek hebben ondervonden en die op de beproefde wijze trachtten te verbeteren, blijkt uit de aanwezigheid van twee duidelijk gegraven oude sprengen, die we nog konden opsporen. Het is mogelijk, dat er nog meer zijn geweest, in het stuifzandgebied 1) ondergegaan.
De eerste (I, kaart 9 a. en 9 b.) was een flinke spreng, diep gegraven in de hoogere gronden naar den kant van Houtdorp. De buitengewoon weelderige vegetatie van haarmos zou niet doen vermoeden, dat onder de verraderlijk dikke moskussens nog water staat.

1) In het stuiftzand bij het station Hulshorst ligt een klein sprengetje, dat over Hulshorst naar de beek gaat.

De tweede (II), een roode spreng, is veel minder gedegenereerd en levert nog steeds water.
Dit komt even beneden de splitsing van de Hierdensche beek, boven den Zandmolen, in den oostelijken tak uit. Eigenlijk is deze rechtertak geen natuurlijke splitsing van de beek, maar een duidelijk gegraven opzettelijke omlegging, die hooger omloopt dan de beek zelf. Alles wijst erop, dat dit voor den aanleg van een molen is geschied. Er is een bijbehoorende spreng, een verlaatsloot loopt naar de lagere beekbedding en ook het verval is ruimschoots aanwezig. Het is niet waarschijnlijk, dat deze afleiding is gemaakt, om de Zandmolenbeek bij te overvloedigen watertoevoer te ontlasten, want daarvoor behoefde het water niet zoo ver omgeleid te worden; het kon reeds veel eerder in de onderbeek van den molen stroomen.
We zouden de plaats van dien molen in de buurt van Het Groote Water willen zoeken. Daar lag nog voor veertig jaren een waterplas, die vemoedelijk door een beteren, meer rechtlijnigen aanleg is droog geraakt.
Er is in die laagte nog een oudere loop te zien, waar de verwaarloosde beek mogelijk een waterplas heeft gevormd. Een oude wel daar wijst op een vroegere ontginning.
Boven het Groote Water stroomt de beek bij hoogen stand over zijn boorden en vormt in het bosch dan tijdelijke waterplassen. Dat geschiedt ook in het hooge deel van de Hierdensche beek, tusschen Meerhoeve en de spreng (I), waar langs de beek prachtige moerasjes liggen begroeid met veenmos, gagel, berken en half afgestorven werf hout.
Wanneer de langs de Hierdensche beek voorkomende verleggingen en afleidingen zijn gemaakt en weer tot verval geraakt, is historisch alleen vast te stellen uit gegevens over de stichting en den ondergang der watermolens. Aangezien deze ons ontbreken 1), kunnen we slechts enkele opmerkingen over deze beekloopen maken, die hun verklaring vinden in hetgeen over andere molenbeken is medegedeeld.
Sloet noemt in zijn memorie van 1850 slechts 3 molens op de Leuvenumsche beek, nl. een papiermolen in Leuvenum (de Waschmolen ?), een papiermolen op Hulshorst (de Hessenmolen ?) en den korenmolen op Staverden, waarvan eigenaars zijn J. R. Kemper en S. J. Sandberg 2).
Zeker zijn daar vroeger meer molens geweest: de zandmolen; daar beneden een dubbele molen, Heiligenhuis geheeten; een molen bij ’t Gellegat, waar de Poolsche weg de beek kruist; wat lager de Hessenmolen en dan twee papiermolens bij ’t kasteel Essenburg. Al deze molens zijn afgebroken en niet, zooals elders, in andere bedrijven met waterkracht omgezet.

1) Eenige bijzonderheden geeft H. W. Heuvel, Langs de Hierderbeek en het strand der Zuiderzee, Vragen van den Dag 1918, bl. 504. Het archief vnn Harderwijk zou moeten geraadpleegd worden. In de Kroniek van Harderwijk(1231-1931) wordt vermeld (bl. 147), dat Burgemeester Antonie van Westervelt in 1730 vergunning verkreeg een papiermolen te zetten aan de Hierderbeek.
2) Kemper was (sinds 1835) eigenaar van het huis Staverden ; Sandberg van Hulshorst.

Westwaarts van Brug en Bosch zien we drie beekloopen naast elkaar.
De middelste (A), de laagste, is waarschijnlijk een fragment van de oude beek, die oostwaarts langs den hoogen kant is geleid om het verval te krijgen voor den korenmolen en tevens om de slotgrachten van het kasteel Staverden te voeden. Deze afleiding loopt over de laagste beek (thans een afzonderlijke afwatering) met dijkwerken heen. De westelijke beek vormt even beneden de splitsing een waterval. Heeft daar een molen gestaan?
Deze beek keert in de oude bedding terug, maar naar beneden is deze weer vergraven, want daar ligt in de laagte een nauwelijks zichtbare oudere loop.
Onder Leuvenum heeft de Waschmolen gelegen, niet op de Hierdensche beek, maar op een afzonderlijk zijbeekje, dat uit afwatering-slooten in de omgeving van den Schaterkamp ontstaat. Een zijtakje daarvan (III) ziet er eenigszins sprengenachtig uit.
De slotgrachten van het verdwenen huis Leuvenum worden gevoed door een beekje, dat eveneens gevormd wordt door de waterloozing der landerijen en in de groote beek uitstroomt. Ten O. van de “Zwarte Boer”vertoont de afvoer een breeden, doodloopenden zijtak, waarvan de beteekenis niet duidelijk is.
De beek loopt beneden Leuvenum door een dal, dat vroeger, vóór de weiden daar zoo zorgvuldig waren ontwaterd als thans, zeker een moerassig terrein moet zijn geweest. De vijvers en veenachtige stukken langs de beek wijzen op waterplassen en poelen. Daar beneden komen we, bij de splitsing van de beek, in het stuifzandgebied, dat het verder volgen van een oorspronkelijken loop der beek onmogelijk maakt.
Dit stuifzandterrein van Beekhuizen werd door Van Baren 1) beschouwd als het voorbeeld van een streek, die nog voor honderd jaren een boschrijk en aanlokkelijk landschap was met meertjes, plassen en moerassen, dat sindsdien verkeerd moet zijn in de wilde zandstuivingen, die, niettegenstaande de bebossching, hun vroegere dorheid nog verraden. Het bewijs voor dezen geweldigen omkeer, binnen het tijdsverloop van een halve eeuw, zou historisch vaststaan door de beschrijving, die van deze streek in 1835 door ]unghuhn is gegeven.
Het.is ons een raadsel, hoe deze schildering van het landschap bij Harderwijk op zoodanige wijze kon uitgelegd worden. Vreemd is het ook, dat die conclusie blijkbaar enkel op gezag wordt aangenomen, terwijl uit den tekst, die in het artikel geheel is afgedrukt, voor ieder duidelijk te lezen staat, dat Junghuhn een tocht beschrijft dwars door het Beekhuizer zand.
Volgens deze beschrijving liggen langs de Zuiderzee zandheuveltjes, overgaande in weiden en in een vlakke, onvruchtbare streek met talrijke slooten (Graben).

1) Gedenkboek Franz ]unghuhn, 's-Gravenhage 1910. J. van Buren, Junghuhn en het Veluwelandschap bij Harderwijk, bl. 45-57.

Op 1 1/2‚ uur afstand van Harderwijk strekken zich, in de richting van NO. naar ZW., eenige samenhangende loof- en dennebosschen uit. Om daar te komen, moet men “Sandhûgel (duinen)”doortrekken. een woestenij, die met enkele trekken duidelijk wordt geteekend. Merkwaardig is de opmerking van den schrijver, dat deze duinen “vom Strande mehr als 1/4 Meile”zijn verwijderd. Hij schijnt dus eenigszins vreemd te staan tegenover deze duinenvorming, die zoo ver van de zee eerst begint.
Hieruit zal de verwarring in bovengenoemden uitleg zijn te verklaren, want de beschrijving van de ‚,Sandwüste”slaat niet op een zandstuiving, die zich van de kuststrook tot op 1/4 Meile van de zee uitstrekte, waarna de “Oase”werd bereikt, maar op de woestijn, die op dien afstand van de zee begon en dan nog ruim 1 uur gaans moest doorgetrokken worden,
voor het ‚,Wald”werd bereikt. Na een zwaren tocht van 1 1/2, uur op 1/4 Meile na, door een in volle kracht werkend stuifzand, wordt Junghuhn dan ‚,endlich”verrast door de groene oase, welke “die Sandwüste begrenzt".
Dit loof- en naaldhout, aan de grens van het zand, op +/- 8 km afstand van Harderwijk, kan niets anders zijn dan het begroeide dal van de Hierdensche beek. Er komen in de beschrijving dezer oase passages voor, die ook thans nog van toepassing zijn op het landschap langs de beekloopen.
“Das ausgetretene Wasser der Grâben bildet hin und wieder kleine Seen, in denen sich die dunklen Pyramiden der Fichten spiegeln . . . Diese Seen spiegelklar wechseln mit grünen Grasebenen, welche mitunter zwischen den Baumen übrig bleiben...”Het eerste kan nog steeds, al is het mogelijk in mindere mate dan vroeger, gezegd worden van de overstroomings-plassen langs de beek en herinnert aan het Groote Water en het Gellegat. De “Grasebenen”zijn de weiden in het beekdal en ook van de ‚,Sümpfe”zijn nog sporen aanwezig, waarin men zich gemakkelijk de “Schaaren von wilden Enten”kan denken.
Maar de treffende beschrijving is topografisch zoo vaag en beknopt, dat niet uit te maken is, welk deel van het dal in 1835 (van Januari tot 3 Juni) is bezocht.
Eigenlijk was deze nadere beschouwing van den tekst niet noodig om te bewijzen, dat het stuifzand van Beekhuizen toen al aanwezig was, daar dit zoo overtuigend mogelijk blijkt uit de topografische kaart (foto 2, blz. 498) van 1826. Op deze kaart, die den toestand ongeveer ten tijde van ]unghuhn’s verblijf weergeeft, zien we de stuifzand-bergjes op andere wijze geteekend dan de gewone heuvels. Het eenige samenhangende bosch aan den rand der onbegroeide stuifzanden is het hout langs de beek. De opgegeven strekking van NO. naar ZW. moet wel een onnauwkeurigheid zijn. Vreemd is ook de vermelding, dat daar Taxus baccata “angepflanzt”voorkwam.
Wel moeten op dit terrein zeer oude jeneverbessen aanwezig zijn.
In het genoemde artikel wordt nog ondersteld, dat het Beekhuizerzand door de uitbreiding van afzonderlijke kleine zanden is ontstaan. Zeker is het, dat het in 1829 één geheel uitmaakte, maar op welke wijze dit is gevormd, is zonder stellige historische gegevens niet uit te maken. Ook staat het vast, dat daar reeds drie eeuwen vroeger 1) stuifzand lag, want in 1501 gaf Karel van Gelder zijn zand en goed, geheeten Beekhuizen, gelegen tusschen de Heerlijkheid van Harderwijk en het ambt van Ermelo aan het Fraterhuis te Harderwijk in erfpacht.
Het vermoeden. dat de beek door het stuifzand in zijn loop is belemmerd en dat daardoor later de moerassen erlangs zijn ontstaan, berust niet op historische gegevens. Wel is het duidelijk te zien, dat de laagte aan weerskanten der beek met een dikke laag stuifzand is bedekt en slechts hier en daar is in de steile oevers het vroegere maaiveld nog op te sporen.
Op sommige plaatsen ligt het zand aan den oostkant veel hooger dan aan de overzijde; het is daar over de beek heen tegen den oever neergeslagen en moet ook in de beek zijn terecht gekomen. Zeker zullen de molenaars heel wat werk hebben gehad met het opruimen der zandbanken, maar het werkvolk van minstens een vijftal molens, die bij een geregelden watertoevoer belang hadden, was zeker wel in staat de beek te onderhouden. De breede strook eikenhakhout, tusschen den Poolschen weg en de beek, zal wel gepoot zijn om het stuifzand te keeren.
Beneden het Heiligenhuis zien we twee afgesneden bochten van de beek. Volgens Heuvel is dit een looze bovenbeek om tijdelijk het water te bergen als er veel aandrang van boven was. De westelijke tak maakt den indruk een gegraven leiding te zijn; aan de westzijde is de slootwal door stuifzand aanmerkelijk hooger geworden. De oostelijke bocht zou een gedeelte van den oorspronkelijken loop kunnen zijn, die voor den aanleg van den molen bij het Gellegat is afgesneden. Deze bocht komt weer in de beek uit, maar heeft ook nog een onduidelijker voortzetting, die allengs doodloopt in het stuifzand.
De vroegere bovenbeek van den molen is nog vaag te zien ; de tegenwoordige beek volgt daar weer zijn oude bedding. Het Gellegat is waarschijnlijk de bodem van den molenwijer, die door een afwateringsslootje is droog gemaakt.
Uit het bovenstaande blijkt o. i., dat de tegenwoordige stand van het water in de omgeving van Uddel geen zekere aanwijzingen geeft voor een daling van het grondwaterpeil.
Nog willen we in dit verband even wijzen op de verdroogde(?) sprengen bij Hoekelom onder Bennekom. Staring vermeldt (bl. 69) in 1860 het volgende: “Ook achter het huis te Hoekelom bevindt zich in de westelijke helling van den heuvel eene bron”. Daaruit zou opgemaakt kunnen worden, dat deze bronnen, d.w.z. de sprengen, vermoedelijk aangelegd voor de voeding van de slotgracht, toen nog levend waren. Voor een nader onderzoek is het thans te laat: de sterke wateronttrekking ten behoeve van de kunstzijde-fabriek daar dicht bij heeft het grondwater in de omgeving aanmerkelijk doen dalen.

1) Gedenkw. VI, 1e Stuk, N°. 355.

Het verdere verloop van deze, thans geheel droge, Hoekelomsche beek is ons niet bekend en ook hebben we geen oude kaarten kunnen vinden, waarop deze beek staat aangeteekend. Wel trof ons in de Leenaktenboeken ( 19a en 19a §2) de naam Santschulpsteege bij de omschrijving (1628) van een huis en hof in Maanderbroek; westwaarts daarvan was “de weteringe”gelegen. Zuidwaarts de “Maenderdick”en noordwaarts de genoemde “steeg“. Het zou nog onderzocht kunnen worden, of deze naam in verband staat met schelpen van moeraskalk; elders onder Bennekom, bij de boerderij Schoonhoven, moet deze grondsoort voorkomen. Is de sprengenbeek van Hoekelom naar deze wetering geleid?

Heideplassen.

In het algemeen hebben, zooals we reeds opmerkten, de heideplassen niets te maken met den stand van het grondwater en hun kleiner worden of verdwijnen is het gevolg van andere oorzaken dan grondwaterdaling.
Eenige voorbeelden kunnen dit toelichten. Volgens Lorié (bl. 8), was in 1908 het Groote Zeilmeer bij Uddel (2 m diep), geheel droog “tengevolge der verbeterde (beter versterkte) afwatering". Het plasje aan den voet van den Bakenberg bij Uchelen (kaart I,blz. 171) was nog in 1900 veel grooter; na dien tijd is er een leemgat in gegraven, waardoor de bodem lek geworden zal zijn. In de Koeflesch stond vóór den bouw van het Radio-Station meer water dan thans; men heeft aan den rand een kuil gegraven voor het fundament van een hoogspanningsmast. Op dit terrein is het ]anna's (of Jannes-) Laar verdwenen en in de laagte boven de Gerritsflesch met enkele kleine plasjes is het Kortegolf-Station gezet, waardoor dit mooie terrein deerlijk is bedorven.
Het Meeuwenveen met het praehistorische grafveld van de Zeven Bergjes ten W. van Boeschoten is door de ontginning in 1914 onherkenbaar veranderd.
Wordt de harde heidekorst in de omgeving van zulke plassen omgeploegd, dan wordt het wateropvangend oppervlak veel kleiner en ten slotte drogen ze uit. Ook onkunde van ontginners aangaande het karakter dezer plassen, die men door uitdiepen en het veranderen der omgeving meent te verbeteren, veroorzaakt juist het tegenovergestelde effect. Op het landgoed “De Hooge Veluwe”bij de Pampelt heeft men een plasje in een dennenbosch meenen te verfraaien, door er rhododendrons te poten en bloemperken aan te leggen, waardoor er thans minder water staat dan vóór 20 jaren. Tallooze plassen zijn door invloed van den mensch te gronde gegaan en hun aantal wordt nog steeds geringer.
Op het Kroondomein ligt nog een zeer fraai plassengebied tusschen Hoog-Soeren en Halte Assel, waar goed te zien is, hoe het water op verschillende hoogten is gelegen. Het is de vraag, of die terreinen wel veilig zijn ; het prachtige heideveld met de ijzerkuilen 1), oude Hessenwegen en vochtige troggen is thans omgeploegd en ook het overblijvende deel is reeds afgebrand.

1) Zie dit Tijdschrift, 1928 afl. 4.

Ook al blijven in ontginningen enkele plasjes zoogenaamd gespaard, dan is het eind toch, dat ze langzamerhand inkrimpen en verdwijnen.
Wil men zulke terreinen als geologisch merkwaardige monumenten handhaven, dan dient ook een groot gaaf heidegebied daaromheen intact gelaten te worden.
Een zeer mooi heideplassen-terrein op “De Hooge Veluwe”is een oogenblik plotseling in het middelpunt der belangstelling komen te staan naar aanleiding van de plannen tot het stichten van een Arboretum aldaar.
De reeds genoemde kaart van Geelkerken van 1629 (Kaart 10 a.) geeft daarover zeer interessante bijzonderheden, die op de tegenwoordige topografische kaart ontbreken.
In de twee noordelijkste plassen herkennen we het Deelensche Wasch (I) en het plasje ten Z. daarvan (II), dat te veel naar het W. is geteekend.
Het water ligt hooger dan de droge bodem van een grillig gevormde uitgestoven laagte (III) daar in de nabijheid. De “uytgewaeyde hollicheyt”is vermoedelijk de andere uitgestoven plek (IV) aan den harden weg naar Hoenderlo. Ook de zuidelijkste (V) der Gietensche Flesschen, aan den rand van het stuifzand in een nog gaaf heiveld gelegen, ligt duidelijk hooger dan het uitgewaaide terrein daar onmiddellijk naast. Het graven van een afvoersloot naar deze laagte zou de plas onherroepelijk doen droogloopen!
Daar in de buurt moeten we de drie eigenaardige beekjes zoeken, die op de oude kaart een zestal plassen in verbinding brengen met de Breevles. De wegen, op de topografische kaart (Otterlo, N°. 140, 1920) nog aangegeven, zijn thans niet of nauwelijks meer terug te vinden en de nog bestaande plassen en waterige plekken zijn daar onnauwkeurig en onvoldoende ingeteekend 1). De oude beekbedding ontbreekt, maar staat wel op iets oudere stafkaarten.
Een gedeelte van dit stelsel van waterleidingen is inderdaad nog op te sporen en wanneer de oude kaart geheel te vertrouwen is - wat wij echter betwijfelen - moet de rest in het stuifzand verscholen liggen. De nog aanwezige loop heeft een reeks van grootendeels verdwenen plassen verbonden, maar in de laatste jaren schijnt de dicht gegroeide bedding te zijn schoongemaakt. Daarin zien we het water uit de zijkanten sijpelen en in ZW-richting afvloeien. Bij de hoogst gelegen plas en een verdroogde daarnaast is een terrein tot weide gemaakt en nog verder oostelijk ligt een afzonderlijke plas, die weer lager ligt dan deze twee. De wijze, waarop het water uit de kanten van de sloot vloeit, door die moerassige bekkens gegraven, maakt duidelijk, dat we daar te doen hebben met regenwater, dat over en in de heidekorst boven vrij waterdichte banken nog lang blijft nasijpelen.

1) Op de kaart (9 b.) is getracht het ontbrekende, al is het niet nauwkeurig, zoo goed mogelijk aan te geven.

v2 2

Vermoedelijk heeft men, reeds vóór 1629‚ een rij van gunstig gelegen heideplassen met elkaar verbonden, naar een centrale plas gevoerd en zoodoende een zeer groot neerslag-opvangend gebied verkregen, dat den waterstand moet verhoogd hebben. De bedoeling kan geweest zijn, de heìplas tot een schapenwasch te maken of deze te gebruiken voor het “reuten”van vlas en hennep 1).
In welke der verdwenen of nog aanwezige plassen we de Breevles hebben te zien, en wat het Burgendal is, valt lastig te zeggen ; daarvoor zou de loop der oude wegen weer opgespoord moeten worden.
Men heeft bij de besprekingen over het stichten van een Arboretum gewezen op den gunstigen grondwaterstand van dit gebied. Is de ligging daarvan bekend? De plassen geven dit niveau zeker niet aan. Het zou doodjammer zijn, wanneer dit uiterst belangwekkende terrein nog verder aan ontginning werd opgeofferd, te meer omdat het reeds gedeeltelijk in cultuur is gebracht en gescheurd.
De kaart van Geelkerken geeft nog enkele merkwaardige bijzonderheden.
Op den Noordberg komen roode lijnen uit. die klaarblijkelijk limietscheidingen van oude marken (Deelen, Otterlo) zijn. De Deelensche Start heette toen “Deelen Steert”en is dus geen “start"-plaats voor de vossejachten, die daar toevalligerwijze wel werden gehouden. Van Terlet langs den zuidelijken enkwal over de Deelensche Steert in de richting van Mossel is een breede heerbaan “Den Kroaten Pas”geteekend, welke herinnert aan de “beestelìcke Kroaten”(Slichtenhorst). die in dat jaar de Veluwe onveilig maakten. Tusschen den enkwal en de Steert zien we “waeterloose putten der Kroaten”aangegeven. Waren die kuilen tot in het grondwater gegraven, of waren het alleen kampeerkuilen? In hetzelfde jaar zijn ze droog of dichtgeworpen.
We zien hieruit weer, hoe belangrijk oude kaarten voor het kennen van den vroegeren watertoestand kunnen zijn.

Zandstuivingen en grondwaterdaling.

Ook het ontstaan van zandstuivingen meende Van Baren uit het lager worden van den grondwaterspiegel te moeten verklaren. Nog daargelaten, dat geen enkel der aangehaalde bewijzen voor deze daling o. i. bij nader onderzoek steekhoudend blijkt, mag het betwijfeld worden of het uitdragen van de bovenste lagen de oorzaak is van stuifzandvorming.
De natuurlijke vegetatie der hoogere gronden, in het bijzonder de heidegroei, is zeker volkomen onafhankelijk van den grondwaterstand. Op ‘t terrein, gelegen boven 60m-+-AP wast de prachtigste bezemheide en het is in ’t algemeen aan de weelderigheid der heide niet te zien of deze 2 m of meer dan 30 m boven het grondwater groeit.

1) Daarvoor werden de “Kolken”bij Harskamp gebruikt (1760); Sloet, Geld. Markerechten bl. 303.

Boven de meer of minder harde laag, die zich aan de ondergrens der op gelijkmatige diepte doordringende heidewortels vaak vormt, schijnt deze plant een van het grondwater volmaakt onafhankelijk bestaan te kunnen leiden. Welke de oorzaken van de vernieling van die vegetatie-laag kunnen zijn, waardoor zandstuivingen ontstaan, kan hier niet verder besproken worden.
Hesselink 1) heeft juist het begin der zandverstuivingen in het lagere deel der Veluwe, waar dus het grondwater minder diep ligt, meenen te kunnen aantoonen. Ze zouden gevormd zijn in “winterwater”afvoerende geulen. Tegen deze theorie zijn o. i. ernstige bezwaren aan te voeren, o. a. dat stuifzandvormìng in dergelijke laagten geen duidelijk en algemeen voorkomend verschijnsel is en dat de aanwezigheid van geulen in tegenwoordige zanden niet bewijst, dat juist daar het uitstuiven moet zijn begonnen. Er bestaan ook uitgebreide zanden (’t Groote Zand in het Spelderholt, het Rhederzand, Wiesselsche Zand) op de hoogere Veluwe, waar deze voorwaarden niet aanwezig zijn en die afzonderlijk zijn ontstaan en niet als secundaire vormingen kunnen worden verklaard.
Reeds in de “Tegenwoordige Staat” van Gelderland (1741) wordt het ontstaan van zandstuivingen (bl. 429) en het kwijnen der bosschen toegeschreven aan een daling van het grondwater, maar dan tengevolge van het “wijder maken van de oorsprongen der beekjes” door de papiermakers.
In deze bewering zit zeker een kern van waarheid. Het kan moeilijk anders, of de intensieve aftapping door het graven van tallooze goed onderhouden sprengen moet den onderaardschcn afvoer van het grondwater sterk bevorderd hebben en daardoor is waarschijnlijk net grondwateroppervlak in de hoogere terreinen iets gedaald.
Deze invloed van den afvoer der sprengen op den stand van het grondwater in het gebied daarboven, wordt bevestigd door de volgende waarneming, die we echter onder voorbehoud mededeelen. Men beweert nl., dat de waterstand in de put te Woeste Hoeve tot een halven meter rijst en daalt tengevolge van het leggen of het wegnemen der stuwbalken in de Vrijenberger Spreng bij Loenen. Dit zou nog nader gecontroleerd moeten worden, ook omtrent den tijd, die er verloopt, voor een grooter of kleiner wateronttrekking zich over een afstand van ruim 2 km openbaart.
De belemmerende invloed van zandstuivingen op den oorsprong en den afvoer van beken is in het voorgaande reeds ter sprake gekomen. Dat ze ook het verdwijnen van heideplassen hebben veroorzaakt is gemakkelijker door voorbeelden op het terrein aan te toonen, dan het bewijs te leveren van de eveneens aangenomen stelling, dat door stuifzand plassen zijn ontstaan. Bij het Kootwijkerveen is deze kwestie reeds even aangeroerd; naar aanleiding van de thans algemeen als “stuwmeer” bekende Gerritsflesch willen we deze wijze van ontstaan wat nader beschouwen.

1) De Zandstuivingen bij Kootwijk, bl. 10.

De Gerritsflesch

Deze plas, ook Kootwijksche Wasch 1) genoemd, zou ontstaan zijn tengevolge van afdamming door stuifzand van een laagte, waardoor vroeger “winterwater” afstroomde, dat zijn weg vond naar beneden in zuidwestelijke richting.
Wie de eigenlijke geestelijke vader van deze theorie geweest is, hebben wij niet kunnen ontdekken. Genoeg is het, dat deze verklaring door geologen van gezag wordt onderschreven en algemeen als geldig is aangenomen.
Het bewijs van deze opstuwing moet dan geleverd worden door het feit, dat op de oudste kadastrale kaarten (van 1826) de Gerritsflesch nog niet voorkomt, wel echter de Koeflesch (bij het Radio-Station) en de twee kleine plasjes ten 0. van de huidige Gerritsflesch (nl. één in den Sprenghoek en een tweede, de Werfflesch), die alle als water zijn ingekleurd, terwijl de nog niet ingeteekende flesch op de registers als “moeras“ wordt vermeld. Een steun vindt de theorie bovendien in het verhaal, dat nog op ’t eind der vorige eeuw de boertjes uit de omgeving kans hebben gezien den stuifzandwal door te graven en de plas te laten leegloopen om de daarin aanwezige visch te vangen.
Wie het stuifzand-terrein ten Z. van de Gerritsflesch niet kent, moet uit deze historie van een wonderbare vischvangst wel den indruk krijgen, dat de plas daar van de voortzetting der eertijds waterafvoerende laagte slechts door een smullen zandwal is gescheiden, die men maar heeft door te steken om het water weer als van ouds te laten wegvloeien.
Hoe lichtvaardig men zulke verhalen als bewijzen gebruikt, zonder het terrein vanuit dit oogpunt eens nader te bekijken, kan ieder daar gemakkelijk constateeren. Onmiddellijk achter de flesch begint een aaneengesloten gebied van hooge stuifzand-heuvels, waarin geen spoor van een laagte te zien is en dat over het geheele volkomen afsluitende front nauwelijks eenige aanwijzing geeft, hoe daar vroeger het maaiveld heeft gelegen. Het is o. í. een volslagen onmogelijkheid de plas door het graven eener sloot, naar een lagere plek te laten leegloopen en van de aanwezigheid van visch, vóór de Heidemaatschappij die daar heeft uitgezet, hebben we nooit gehoord.
Vermoedelijk berust het verhaal op een misverstand. De bij uitstek met deze streek bekende boschwachter 9) Van Hoog-Buurlo, wien dit bericht zeer ongeloofwaardig voorkwam, wist naar aanleiding daarvan nog te vertellen, dat men in vroeger tijd aan den rand van het zand een kolkje heeft gegraven en door een sloot met water uit de flesch gevuld, om in het zuivere zand een minder modderige gelegenheid te krijgen voor het wasschen van schapen.

1) Tevens als Gardersche flesch vermeld. De plas ligt ver van Garderen en behoorde tot de malenvelden van Kootwijk. Zelfs de schapen uit Uchelen werden er gewasschen.
2) Wijlen Gorsseling, geboren 1858 en sinds 1868 aldaar woonachtig.

Die oude gravingen zijn inderdaad aan de ZW-zíjde nog te zien, al zijn ze thans grootendeels met zand volgestoven.
Ook beweerde deze alleszins betrouwbare getuige, dat in 1868 de plas dezelfde grootte en gedaante had als tegenwoordig; omstreeks dat jaar zou het zoo droog geweest zijn, dat er toen tijdelijk nagenoeg geen water meer in was; van overleveringen, dat daar vroeger geen plas zou geweest zijn, had hij nooit vernomen.
Ook de bewijskracht van oude kaarten lijkt ons uiterst zwak. De gegevens van het kadaster zijn voornamelijk in de z.g. “woeste gronden" te allen tijde zeer onbetrouwbaar geweest. Tal van plassen staan ook heden ten dage nog aangegeven òf in verkeerden vorm òf in het geheel niet, terwijl ze er wel zijn, en omgekeerd. Dat hangt vermoedelijk samen met het feit. dat het kadaster belasting-objecten aangeeft, terwijl de woeste gronden dit niet zijn. Steeds werden (en worden ten deele nog) voor de bewerking van topografische kaarten de kadastrale gegevens geraadpleegd en daarna worden deze op het terrein aan de werkelijkheid getoetst 1).
Maar ook de topografische kaarten zijn, wat het aangeven van plassen betreft, zelfs thans nog verre van volledig. De Kempestlesch in het Harskamper Zand ontbreekt op de top. kaart, hoewel op de kadastrale kaart wel de naam, maar niet de plas zelf is aangeteekend. De waterdichte bodem van dit aardige regenwater-plasje ligt hooger, dan de uitgewaaide laagte aan de ZW-zijde, waar in de helling een ongewoon bronnetje ontspringt. Het water komt te voorschijn uit een konijnenhol, dat onder de harde bank in de richting van de plas is gegraven, die zich feitelijk nog een eind onder het stuifzand voortzet. Op deze eigenaardige wijze zou een heiplas dus kunnen leegloopen.
Ook kan zoo'n plas geheel met zandheuvels overdekt worden, waaronder het regenwater toch nog blijft staan, zoodat men daar een “bron“ kan graven. Zulke schijnbare brongebieden 2) komen in stuifzanden voor.
Wat het voorkomen of ontbreken der plas op topografische kaarten betreft, blijkt 3), dat op de eerste minuutstukken in de schaal 1 : 25.000‚ waarvan de datum van opneming onvermeld is, doch die in ieder geval uit 1840 tot vóór 1850 dateert (de aanteekening achterop luidt: erkend 184..), de Gerritsflesch voorkomt als drasse plek, de Koeflesch als plas.
Op dezelfde wijze zijn de twee plassen aangegeven op de minuutstukken in de schaal 1: 50.000, eveneens vemoedelijk stammend uit ongeveer 1840.

1) Een en ander is ontleend aan mededeelingen van den Topografischen Dienst.
2) Iets dergelijks zou kunnen geschieden bij een kunstmatige heuvel met een waterdichte (klei-)laag in de zool. Misschien is op deze wijze het wonderdadig ontstaan van de Bonifaciusbron te verklaren. Tusschen 754 en 768 ontstaat aan den voet van een, in een ziltig terrein pas opgeworpen zeer grooten heuvel (terp), door het trappen van een paard een bron van zoet water. (Dr. E. van Giffen, Derde en vierde jaarverslag v/d. Vereen. voor terpenonderzoek, 1918-1910, bl. 93).
3) Volgens mededeelingen van den Topografischen Dienst.

Als plassen komen beide flesschen voor op de vervallen minute van 1870-1871.
Hieraan kan nog toegevoegd worden, dat op het 8e blad van de kaart van Gelderland (1843, door J. Kuyk) de Gerritsflesch ontbreekt; eveneens op de top. kaart (schaal 1 : 50.000) van 1851 en op de Gemeente-Atlas van Gelderland (+/- 1865, door J. Kuyper). Neemt men het ontbreken der plas op al deze kaarten als positief bewijs aan, dat deze nog niet was gevormd, dan moet het ontstaan geschied zijn tusschen 1851 en 1870.
Tevens wordt gezegd 1), dat in 1826 de zandstuivingen reeds de tegenwoordige grens van Gerritsflesch tot Stevenpol bereikt hadden. Het is mogelijk, maar of dit met behulp van kadastrale kaarten kan geconstateerd worden, lijkt toch twijfelachtig. Zeker is het, dat het “Vreesche Zand" (of “Vreesche Veltjen") in 18oo 2) al bestond.
Uit het overzicht der kaartgegevens is o. i. alleen op te maken, dat de plas eerst in 1870 is ingetekend. Als zeker mag aangenomen worden, dat die in 1868 bestond, maar of daarvóór de flesch nog niet aanwezig was of door nalatigheid voorbij is gezien, kan niet met stelligheid worden gezegd.
Het is jammer, dat de aanhangers van de stuw-theorie blijkbaar niet de groote gekleurde kaart van de Gemeente Barneveld (1868, schaal 1 : 20.000) hebben gezien, aanwezig op het gemeentehuis te Barneveld. Immers ook op de kaarten zou de plas langzamerhand moeten ontstaan en niet plotseling kant en klaar verschijnen. Ze zouden in deze kaart vermoedelijk
een onweerlegbaar bewijs hebben gevonden voor het geleidelijk ontstaan van het meer.
We vinden daarop nl. onder den naam “Gardersche Flesch”aan den rand van het stuifzand een plas geteekend, die veel kleiner is dan de tegenwoordige, en niet de eigenaardige gelobde gedaante van deze, maar een langwerpig ronden vorm vertoont. De moerassige laagte is dan dus al een kleine plas geworden, die later door verdere opstuwing in tongen uitloopt! .
Het merkwaardige is evenwel, dat deze Gardersche Flesch niet blijkt te liggen op de plaats van de Gerritsflesch, maar meer naar het ZO., in den Sprenghoek, waar dus juist het omgekeerde heeft plaats gehad, nl. dat daar een plas door stuifzand is verdwenen. Opmerkelijk is het vooral, dat de naam Gardersche Flesch dan wel bekend is, maar ten onrechte is geschreven bij een verkeerde plas, die thans een moerassige plek is, met een laag stuifzand bedekt, terwijl de Gerritsflesch zelf niet is ingeteekend.

1) De Zandstuivingen bij Kootwijk, bl. 13 en 30.
2) Archief der maalschap, Oudheidskamer, Barneveld. Dit met plaggen belegd zand heet op de top. kaart ten onrechte “Friesche”veld. De naam staat zeker in verband met de term “in vrede leggen”(gebruik en toegang, vooral van vee, verbieden) van terreinen der mark; evenals de naam “Vreebosch”(het woud van Freya !) voor meer dan één Veluwsch markebosch.

Dit zou hieruit te verklaren zijn, dat op de gedrukte kaarten, die in 1868 voor het teekenen der kaart zijn gebruikt, de Gardersche- of Gerritsflesch nog niet was aangegeven, terwijl men in Barneveld toch wist, dat ergens in dien afgelegen hoek 1) der gemeente een schapenwasch van dien naam lag.
Verder bevinden zich te Barneveld (in de Oudheidskamer), tusschen de papieren der Maalschap van Kootwijk, twee lijsten (zonder jaar) met namen van heuvels, plassen, bosschen enz., ook uit de omgeving van het wasch. Op de eene lijst komen o. a. de volgende namen voor: Sprenghoek, Gardersflesch, Schelmeer, Koeflesch en Werfflesch; op de andere: De Flesch plas tusschen Brummelkamer en Bezenstruiken, Koeflesch water kort bij Burelbos, Gardersfles water iets verder, Werffles plas iets verder. De Gardersflesch 2) komt dus op beide stukken voor, waarvan het oudste (met een ganzepen geschreven) vermoedelijk niet later is dan de eerste helft der 19e eeuw. Door deskundig onderzoek zou nog nader bepaald kunnen worden, uit welken tijd dit schrift dateert en ook verdere na.sporingen in het archief 3) der maalschap zijn zeer gewenscht.
In den Sprenghoek komt een droge, kronkelende sloot uit, die in de Polsdel begint, waar het drietal reeds vermelde sprengenachtige takken is gegraven. Het grondwater ligt daar vermoedelijk echter te diep, dan dat we aan echte sprengen kunnen denken. Zijn het misschien dergelijke slooten als die bij de Breevles onder Deelen? Het doel dezer gravingen is ons nog niet recht duidelijk, evenmin als van de soortgelijke doode spreng ten O. van de Werffles 4), welke onder het stuifzand niet verder is te volgen. Ook deze “sprengen” liggen nog binnen de grenzen der maalschap, zoodat archiefonderzoek 5) ook hieromtrent mogelijk iets naders kan leeren.
Door de beschouwingen over het ontstaan van de Gerritsflesch moet tevens wel de voorstelling gewekt worden, alsof het water der plas afkomstig is uit de lengte in noordoostelijke richting daarboven en daaruit nog steeds wordt gevuld. Zelfs lezen we in een geologie-boekje 6), dat we hier een voorbeeld hebben van het ontstaan van een meer door opstuwing van een beek! .

1) De grens van de maalschap (thans gemeentegrens) drong met een scherpe punt door tusschen de markegronden van Uchelen en Harskamp.
2) Dus niet Gardersche; volgens den boschwachter is de oude uitspraak Garrits- en niet Gerrits-flesch. Welke dezer namen de oudste is, kan zonder nadere gegevens niet bepaald worden.
3) Zie Sloet, Geld. Markerechten, bl. 216. De stukken waren in 1911 in het gemeentearchief te Barneveld en bij den houtvester van het Staatsboschbeheer.
4) Werf is de geoorde wilg (Salix aurita I..).
5) Ook van de maalschap van Harskamp; die sprengen kunnen immers een voortzetting gehad hebben over de grens.
6) lr. F. J. Faber, Geologie van Nederland, Wereldbl. 1926.

In werkelijkheid wordt het niveau op peil gehouden door den neerslag in een vrij beperkt regen-opvangend gebied, niet veel grooter dan de plas zelf en er komt sinds 1900 zeker geen druppel water uit het hei- en buntgrasveld ten N. van het fietspad langs de flesch naar den Stevenpol.
En dit terrein is geen regelmatig gebouwde vallei, waardoor geregeld winterwater ‚‚stroomt”, maar de laagte valt uiteen in verschillende bekkens, in ieder waarvan vroeger drasse plekken of plasjes waren gelegen. Er moet al een ontzaggelijke hoeveelheid water vallen of door dooi ontstaan, vóór dit uit het hoogere deel over de drempels naar de plas zal stroomen; alleen in zeer abnormale omstandigheden, zooals die misschien een paar malen in een eeuw voorkomen, kan in zulke dalen van waterafvoer sprake zijn.
In hooge mate moet het bevreemden, dat bij het opstellen dezer stuwtheorìe een geologisch onderzoek van den bodem van het overstoven gedeelte der “afvoerende laagte” is achterwege gebleven en dat dit verzuim voor geologen geen bezwaar schijnt te zijn, er hun zegel aan te hechten. Maar in deze tekortkoming kan nog voorzien worden; de terreinen der Natuurmonumenten dienen toch goed gekend te zijn en ook van hun geschiedenis moeten we zooveel mogelijk weten.
Door peilen of boren zou de korst van het vroegere maaiveld onder het zand moeten opgespoord worden en door hoogtemeting worden bepaald òf dat zich daar een afsluitende welving bevindt, ook op het laagste punt hooger dan de laagte, waarin de flesch ligt (die in dit geval in een bekken gelegen is en dus reeds altijd bestaan kan hebben), òf dat werkelijk een doorloopende laagte aanwezig is, die gevolgd kan worden tot deze lager ligt dan de bodem der plas.
Zoolang een dergelijk onderzoek niet heeft plaats gehad en er geen meer afdoende historische en (positieve) cartografische gegevens zijn, lijkt het ons voorzichtiger nog niet met te veel stelligheid van een “stuwmeer“ te spreken.
Het is duidelijk te zien, dat de flesch door zand-overstuiving in de laatste dertig jaren ondieper en kleiner is geworden. Verontrustend is dit voorloopig nog niet; wanneer daartegen maatregelen zouden genomen moeten worden, dan is het te wenschen, dat dit niet geschiedt door middel van de in rechtlijnige strooken of vakken op rijen geplante vervelende dennetjes, die daartoe in de naaste omgeving worden aangewend,

Wateronttrekking aan de Veluwe.

In het voorgaande kon nog geen gebruik gemaakt worden van het hoogst belangrijke Rapport 1) over een voorgenomen wateronttrekking aan de Veluwe ten behoeve van Amsterdam, dat juist verscheen bij het beëindigen van dit artikel. Een paar gegevens, die op het bovenstaande betrekking hebben, mogen hier nog even genoemd worden.

1) Wateronttrekking aan de Veluwe, ’s-Gravenhage 1933.

K. N. A. C., LI.

De plekken, waar de neerslag zich boven waterafsluitende lagen verzamelt, worden (bl. 29, 41) schijngrondwaterspiegels genoemd. Zoo blijkt het niveau van de Koeflesch en de Gerritsflesch resp. 17 en 15m hooger te liggen dan het grondwater-oppervlak.
Zeer duidelijk blijkt uit de kaart (Pl. I) en het overzicht der putten en boringen (bl. 120) de welving van het grondwater-niveau (phreatisch oppervlak) der Veluwe. Bij Hoenderlo ligt dit op de aanzienlijke hoogte van 40 m + A. P.; voor andere punten in het centrale deel zijn die cijfers: Radio-Kootwijk 25-27, Assel 25, Nieuw-Millingen 22, Uddel 28, Garderen 20, Kootwijk 23, Harskamp 21, Otterlo 25, Schaarsbergen 22. Langs het randgebied geven de volgende cijfers de afhelling aan: Nunspeet 5 à 6, Harderwijk 4, Ermelo 10, Putten 8-13, Voorthuizen 12, Barneveld 10, Lunteren 13. Voor de oost- en zuidzijde vinden we minder gegevens: Eerbeek 13, Brummen 7, Twello 4.
Uit het cijfer voor Kootwijk, 23 m, is al op te maken, wat ons door proefgravingen reeds was gebleken, nl. dat het grondwater in het terrein van de Konijnenkolken bij Stroe, waar het maaiveld +/-25 m hoog is, op voor sprengenaanleg bereikbare diepte ligt. Het grondwater in 3 putten onder Garderen staat op +/- 20m +A. P.; de genoemde oude erven in Boeschoten liggen tusschen de hoogtelijnen van 22 1/2 en 25 m, terwijl de lijn van 30 m naar de richting van Garderen op slechts 1/2 km afstand daarvan ligt. De bewuste “beek”kan, als die door grondwater (een spreng) werd gevoed, slechts zeer kort zijn geweest en moeilijk ‚,van Garderen" zijn gekomen. Wanneer we hier niet aan een schrijffout hebben te denken, zou het water ook nog afkomstig kunnen zijn van een schijngrondwaterspiegel boven een leembank, als bij de boerderij van Assel.
Een uitvoerige behandeling van het Rapport kan hier geen plaats vinden; daarop hopen we elders te kunnen terugkomen. We moeten dus volstaan met de opmerking dat deze studie in het gedeelte, dat de Veluwsche beken en de gevolgen der wateronttrekking behandelt, blijk geeft van de heerschende onjuiste opvattingen over het karakter dezer beken, grootendeels voortkomende uit onbekendheid met hun geschiedenis en het verwaarloozen van nauwkeurig terreinonderzoek. De gevolgen van de voorgenomen aftapping op de capaciteit der beken zouden o. i. op grond van bovenstaande beschouwingen veel ernstiger zijn dan de Commissie aanneemt. Naar aanleiding van o. i. onjuiste theoretische beschouwingen en berekeningen komt deze nl. tot de conclusie, dat de capaciteit der beken met 10 à 20% zou verminderen, waartegenover wij staande houden, dat de sprengen langs den rand der hooge Veluwe geheel zouden uitdrogen
We hebben in deze reeks van artikelen, die den vroegeren en tegenwoordigen watertoestand van een groot deel der Veluwe behandelen en de wijze waarop daarin ook door den mensch op belangrijke wijze is ingegrepen (kortheidshalve samengevat onder een titel, die den inhoud slechts gedeeltelijk weergeeft) en waarbij wij herhaaldelijk stuitten op misvattingen, ondoordachte beweringen, onbewezen theorieën en oppervlakkig onderzoek, getracht aan te toonen, dat vooral terreinonderzoek en het raadplegen van historische gegevens nader inzicht kunnen geven in deze nog tamelijk verwaarloosde materie. Wie voor dit onderwerp belangstelling heeft, kan het boven geschrevene nog altijd controleeren en aanvullen en - wat ons zeer gewenscht lijkt - toetsen aan wat elders in ons land of daarbuiten is op te merken. Men zal zich daarbij dan dienen te haasten. Door het voortdurend in cultuur brengen van gronden wordt het bv. steeds moeilijker na te gaan of een beekje in een ongerept terrein op natuurlijke wijze ontspringt; vervallen beekloopen worden gedempt, molens afgebroken, plassen ontwaterd. Toch zijn er nog allerlei ontdekkingen te doen en leemten in onze kennis aan te vullen bij het verder bewerken van deze, juist door zijn onvolledige bekendheid zoo aantrekkelijke stof.


« Prev Next

Don't have an account yet?Register Now!

Sign in to your account