02 - 03 - 2021
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag75
GisterenGisteren74
Deze weekDeze week149
Deze maandDeze maand149
Alle dagenAlle dagen51090
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index

84 Een fabriek van strijkzwavelstokken op het terrein van de Rotterdamse kopermolen

Geschiedenis van de molen

In de artikelen 36 “Pannekoekspapiermolens” en 81 “De Rotterdame kopermolen” hebben we de voorgeschiedenis van deze molen al uitgebreid besproken.

De laatste industriële fase van deze molenlocatie gaat in op 1865 en dat is ingezet door het overlijden van de eigenaren.

Johannes de Jongh stierf in 1857 op 78 jarige leeftijd en zijn weduwe Elisabeth Maria van Hoytema overleed in 1865. Het huwelijk bleef kinderloos en dus volgt in 1865 volgt de inzet en toeslag van de buitenplaats de Rotterdamse Kopermolen met bos-, bouw-, wei- en heidegronden.

Het gehele complex werd in dat jaar door ene M.C. de Waal gekocht die er een houtzagerij oprichtte.

Er was blijkbaar nogal wat woonruimte bij de houtzagerij want er was sprake van een eigenares die de belendende percelen bezat. Wie deze vrouw was is niet bekend. Misschien was het ene Aletta Bonhof die er ook weleens rogge verkocht.

Een andere medebewoner van het landgoed, de fabrikant A.C. Hoogendijk heeft er acht jaar later in 1873 een luciferfabriek gesticht. Er was al een houtzagerij en er werd volop hout ingekocht dus dat kwam goed uit.

kopermolen lucifers hoog

De lucifers werden goed verkocht en zelfs geexporteerd.

In de notulen van burgemeester en wethouders van Apeldoorn komt daarover op 9 juni 1873 het volgende voor: "Een verzoek van H. C. Hoogendijk, fabrikant wonende op het landgoed de Rotterdamsche Kopermolen, buurtschap Weenum, Gem. Apeldoorn ad. 12 mei 1873, om vergunning tot de oprichting eener fabriek van strijkzwavelstokken in het molengebouw en aangrenzende loods van gezegd landgoed.

1873 05 21 aanvraag

In de krant staat de aanvraag ook vermeldt. Voor het geval er iemand misschien bezwaar wilde indienen.

"Gelet op de te voren gedane afkondiging in de Apeldoornsche Courant aan de ingezetenen die daartegen geen bezwaren hebben aangebracht. In aanmerking genomen, dat er geen belendende gebouwen in de nabuurschap zijn dan die, welke behoren aan de eigenaresse, die hare toestemming geeft tot de oprichting der fabriek. Overwegende dat er dus geen termen aanwezig zijn om het verzoek te weigeren.
Gelet op het Koninklijk Besluit van 18 Februari 1846 (St. bl. no. 9 en op art. 3 van ’s Konings Besluit van 31 Jan. 1821 St. bl. no. 19).
Hebben Burgemeester en Wethouders besloten tot de uitoefening eener strijkzwavelfabriek in het perceel kadastraal bekend gem. Apeldoorn Sectie D. 269 en 270 aan de heer H. C. Hoogendijk vergunning te verlenen onder voorwaarden van zich te zullen onderwerpen aan al de zoodanige bepalingen als later blijken mochten in het belang eener goede politie noodig te zijn.”

Er wordt begonnen begonnen met de fabrikage van "strijklucifers”, waarbij vermoedelijk het waterrad een apparaat in beweging bracht, dat blokken hout versplinterde tot lucifershoutjes, die daarna van een "zwavelkopje” voorzien werden.

1873 07 26 peppels gevraagd

Peppels (populieren) gevraagd in deze advertentie uit 1873

Het bedrijf groeide snel en voorzag veel mensen uit de omgeving van Wapenveld en Wenum van werk. Van 28 arbeiders in 1873 tot het dubbele in 1874. In 1876 zijn er 155 werknemers en wel 52 mannen, 3 vrouwen, 69 jongens en 31 meisjes. De lucifersdoosjes werden op de fabriek zelf gevuld maar in Vaassen gemaakt. Voor 100 gevulde doosjes kreeg men 3 cent. Sommige arbeiders konden tot 2500 a 2800 doosjes per dag vullen en zo een dagloon van f 0,75 a f 0,84 verdienen.

In 1875 werd door deze Hoogendijk vergunning aangevraagd voor een “stoomwerktuig”.

Lang heeft het hierna niet meer geduurd want ze waren blijkbaar niet de enige luciferfabriek in deze omgeving. Er werd teveel geproduceerd en daarom werd onder de fabrikanten geloot. De Rotterdamse Kopermolen verloor en moest in 1876 verdwijnen. Het bedrijf fuseerde met dat van Fromberg en werd in de voormalige wolfabriek bij Sluis 1 aan het Apeldoorns Kanaal gevestigd. Dit was aan de westzijde van het kanaal Apeldoorn - Dieren, niet ver van de spoorbrug. De ligging vlakbij het station was uiteraard ook wel wat gunstiger dan het ver weg gelegen Wenum. Het nieuwe bedrijf heette "Lucifersfabriek Hoogendijk, Fromberg en Cie”.

In de Apeldoornse Courant van 20 april 1878 lezen we over de aanbesteding van het "bouwen der vier Hoofdgebouwen hunner fabriek te Apeldoorn, met de levering der materialen” ten behoeve van de lucifersfabriek Hoogendijk, Fromberg en Cie.

Ene Dominee Craandijk rept bij zijn bezoek in 1879 al niet meer van een lucifersbedrijf maar wel van een fabriek van houtbereiding.

Het gaat goed met het nieuwe bedrijf. In 1881 zijn er circa 300 mensen in dienst en wel 30 mannen, 145 jongens en 115 meisjes.

Het houtbedrijf in Wenum is dan nog steeds van de partij. Het hout moet lange tijd in het water liggen voordat het bewerkt kan worden. Op 14 januari 1882 het volgende lezen we in de Apeldoornse Courant: De Heeren Hoogendijk, Fromberg en Co zullen woensdag 18 jan. e.k. te elf uur ter plaatse aanbesteden "Het vergrooten van hun Houtvijver”.

Het gaat blijkbaar steeds beter met het bedrijf want op 15 september 1883 krijgen de werknemers een uitje en wel een mooie dagtocht naar Amsterdam. De werknemers bedankten hun bazen als volgt :

"Wij ondergeteekenden gevoelen ons ten zeerste verpligt onzen opregten en welgemeenden dank te betuigen aan onze Hooggeachte Patroons de Heeren Hoogendijk en Fromberg, voor de genoeglijke en pleizierige dag geheel en al ten hunnen kosten ons j.l. zaterdag 15 september te Amsterdam verschaft.
Niet alleen dat wij in de gelegenheid gesteld werden de Tentoonstelling te bezigtigen, ook Artis werd bezocht, terwijl voor een heerlijk Diner in het Hotel Krasnapolsky tevens gezorgd was. Een havenstoombootje dat den geheelen dag voor ons disponibel was, bewees ons uitstekende diensten en verhoogde de vreugde van dien voor ons zoo aangenamen dag.
Het Personeel der Apeldoornsche Lucifersfabriek”.

Vanaf 1890 gaat het helaas slecht met de zaken en komt er een einde aan het lucifersbedrijf te Apeldoorn.

Op 1 april 1896 staat dat de "voormalige lucifersfabriek werd gemijnd op f 11550., doch niet gegund”. Op 31 oktober van hetzelfde jaar wordt gesproken over de "Apeldoornsche Lucifersfabriek” onlangs aangekocht door de Hollandsche lJzeren Spoorweg Maatschappij. Wat die met het bedrijf van plan waren is niet helemaal duidelijk.

1898 05 26

Gedeeltelijke verkoop aan van der Veen en Verkley in 1898.

In 1937 is het complex „Eykenhorst", zoals het toen genoemd werd, in het bezit van den heer J. W. van der Ven. Deze benoemde toen een aantal merkwaardige op zijn gebied liggende heuvels. Misschien waren dit grafheuvels? Ergens tussen 1865 en 1957 is de naam van het landgoed gewijzigd in Landgoed Eikenhorst of zelfs Eyckenhorst wat nog te zien is op een aantal oude ansichten van de toegangspoort.

1939 01 07 schaatsen

De heer van der Ven was blijkbaar een gastvrij persoon want op 7 januari 1939 mag er bij hem geschaatst worden.

Daarna is de oude naam van Rotterdamse Kopermolen circa 1957 weer in ere hersteld door een op het landgoed wonende eigenaresse.

De reizende schrijver-predikant J. Craandijk vond in 1879 alleen een houtzaagmolen. In 1881 werd J. Pannekoek eigenaar, na hem  J. W. van der Ven. De molen, in 1933 bouwvallig genoemd en nog slechts af en toe in gebruik voor het zagen van geriefhout, is in 1934 onttakeld en afgebroken. De Apeldoornse historicus R. Hardonk vond in 1936 nog slechts resten van twee waterassen en een turbine - die één van de drie waterraderen had vervangen - als laatste herinneringen aan diverse takken van nijverheid.

Geografische positie en bereikbaarheid

Zie artikel 81 voor aanvullende informatie.

1879 Gemeente Apeldoorn

Kaart van het lucifer / kopermolen complex uit 1879 door de Gemeente Apeldoorn vervaardigd.

Huidige situatie

Zie artikel 81.

Bouwgeschiedenis (evt. tijd en reden voor afbraak)

1857 Johannes de Jongh overlijdt.
1865 Zijn weduwe Elisabeth Maria van Hoytema overlijdt eveneens.
1865 Verkoop van de buitenplaats de Rotterdamse Kopermolen met bos-, bouw-, wei- en heidegronden.
1865 M.C. de Waal eigenaar en richt houtzagerij op
1873 A.C. Hoogendijk heeft er een een luciferfabriek bij gesticht.
1873 28 arbeiders
1875 Hoogendijk vraagt vergunning voor een “stoomwerktuig”.
1876 155 arbeiders
1876 Einde luciferactiviteiten in Wenum. Fusie Het naar "Lucifersfabriek Hoogendijk, Fromberg en Cie”. Het houtbedrijf blijft in Wenum.
1879 Dominee Craandonk ziet slechts houtzaagmolen
1881 300 mensen in dienst nieuwe luciferfabriek.
1881 J. Pannekoek wordt eigenaar complex oude kopermolen.
1882 Hoogendijk, Fromberg en Co besteden "Het vergrooten van hun Houtvijver” aan.
1890 Er komt een einde aan het lucifersbedrijf te Apeldoorn.
1898 Gedeeltelijke verkoop aand van der Veen en Verkley.
1933 Molen wordt bouwvallig genoemd.
1934 Molen wordt afgebroken. De wijers en de grote cascade zijn bewaard gebleven.
1936 Hardonk ziet 1936 nog slechts resten van twee waterassen en een turbine
1937 Het complex wordt „Eykenhorst" of Eikenhorst genoemd. Wanneer dir is ingegaan is niet duidelijk.
1937 Op het terrein worden heuvels aangewezen met onduidelijk doel.
1939 Er mag geschaatst worden op Eyckenhorst
1957 Rustplaats van waarschijnlijk de heer van de Ven in heuvel op terrein.
1957 Oude naam “De Rotterdamse Kopermolen” weer hersteld op de poort.
1963 Op in het terrein aanwezige heuvel zal vroeger een tuinkoepel gestaan hebben.
2000 Toegangspoort wordt gemeentelijk monument.
Heden Het terrein is nog steeds in particulier bezit en kan slechts met toestemming van de eigenaar betreden worden.

Erfgoed ontwikkelings potentie

Zie artikel 81

Erfgoedstatus

1870 10 15 koetsierswoning

Te huur. De koetsierswoning uit een advertentie van 15 november 1870

De boerderij uit 1728 met het koetshuis van het oude landhuis staat op de Rijksmonumentenlijst.

20181119 152744

De oude toegangspoort op het andere deel is in 2000 op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatst.

64 hek Rotterdamse Kopermolen

Detail van het toegangshek.

De molen is in 1934 afgebroken. De wijers en de grote cascade zijn bewaard gebleven.

In 1937 benoemde de toenmalige eigenaar van het complex, de heer J. W. v. d. Ven, een aantal merkwaardige op zijn gebied liggende heuvels. Wat deze heuvels waren is niet duidelijk maar mogelijkerwijs waren of zijn het grafheuvels.

Op een in 1963 nog in het terrein aanwezige heuvel zal vroeger een tuinkoepel gestaan hebben. In deze heuvel heeft sinds 1957 een latere eigenaar een rustplaats gevonden. Dit is misschien de laatste rustplaats van de heer van de Ven geworden.

Foto’s van oude en huidige situatie

1879 Litho Schipperus

De Rotterdamsche Kopermolen te Wenum was toen een bedrijf voor machinale houtbewerking.
Het bruggetje op de afbeelding was tijdens een bezoek van Hardonk in 1936 nog in vervallen staat aanwezig. Reproduktie van een litho door P.A. Schipperus uit 1879.

Houtzaagmolen 1890 tekening naar foto Hagens

De houtzaagmolen. Tekening naar een foto Hagens 1890

1936 restant rad houtmolen

De molen is tijdens het bezoek van Hardonk bijna geheel verdwenen. Boven de zo goed als droog staande vroegere onderbeek zien we de assen van twee waterraden. Vlak beneden de stuw de restanten van een turbine. De molenmaker Post (geb. 1874) meldde dat de molen eerst een turbine had en later 3 waterraden voor het zagen van hout. Foto Hardonk najaar 1936.


Don't have an account yet? Register Now!

Sign in to your account