30 - 11 - 2021
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag28
GisterenGisteren167
Deze weekDeze week195
Deze maandDeze maand3163
Alle dagenAlle dagen80392
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index

Het papier doet zijn intrede in de wereld

De opkomst en ongehoorde bloei der Apeldoornse papiermolens, benevens die der overige papierbedrijven in ons land, is niet alleen belangwekkend uit economisch oogpunt, maar staat tevens in nauw verband met de ontwikkeling der mensheid. De uiterst belangrijke rol, die de boekdrukkunst hierbij heeft gespeeld, werkte de geweldig snelle groei van de papierindustrie in de hand. Door de uiterst gunstige ligging van Apeldoorn werd onze woonplaats in de 17e eeuw het centrum der Veluwse papiernijverheid - een tijdlang zelfs van die in Nederland. Als paddestoelen verrezen hier de papiermolens uit de grond en de te Apeldoorn vervaardigde wit- en andere papieren stonden al spoedig bekend om de goede kwaliteiten.
Voordat we ons echter verdiepen in de geschiedenis der Apeldoornse papiermolens, willen we ons eerst bezighouden met de uitvinding van het papier en zijn reis door de wereld.
Een der allerbelangrijkste uitvindingen is de kunst van het papiermaken geweest. Tot nu toe blijkt het niet mogelijk te zijn een volkomen afdoend antwoord te geven op de vraag door wie en op welke manier het papier werd uitgevonden. De weinige gegevens, die hierover te vinden zijn in de historie-boeken der Chinese heersers, berusten voor het grootste deel op overlevering en traditie. Waarmede we niet willen zeggen, dat deze onbetrouwbaar behoeven te zijn. Het oudste boek, dat ons vertelt over de papiermakerij in China, stamt niet van een ooggetuige, maar dateert uit 1634, ruim vijftienhonderd jaar na de ontdekking. Wel staat onomstotelijk vast, dat omstreeks 105 n. Chr. in China de papiermakerij is geboren.
Toch kenden reeds duizenden jaren eerder tal van volken de schrijf- en tekenkunst.
Als materiaal om op te schrijven gebruikte men steen, kleitabletten, wastafeltjes, hout en huiden, terwijl in China zelfs zijde en bamboe benut werden bij het voeren van correspondentie en voor administratieve doeleinden. Vooral papyrus en perkament hebben een grote rol vervuld in de beschavingsgeschiedenis der mensheid.
Papyrus maakte men door dun gesneden repen van het merg van de stengels der papyrusplanten naast elkaar te leggen en daarover met behulp van een plakmiddel in dwarsrichting een tweede laag te bevestigen. Het geheel werd vervolgens sterk geplet en tenslotte gedroogd. Men gebruikte papyrus al omstreeks 2000 v. Chr. en ons papier heeft hieraan zijn naam te danken.
Een ander belangrijk schrijfmateriaal vormde het perkament, dat men uit geprepareerde dierehuiden vervaardigde. De stad Pergamum in Klein-Azié was in de 2e eeuw van onze jaartelling beroemd om dit produkt, dat geleidelijk de papyrus geheel verdrong.
Al deze voorwerpen en stoffen om op te schrijven moesten op de duur wijken voor het papier. De uitvinding hiervan wordt toegeschreven aan Ts’ai Lun en zal ca 105 n. Chr. hebben plaatsgevonden. Ts’ai Lun, die een hooggeplaatst Chinees ambtenaar was, maakte voor de vervaardiging van papier gebruik van hennep, moerbeischors en bamboe. In later eeuwen werden in Europa uitsluitend linnen lompen voor dit doel benut.

De wereldreis van het papier

Vanuit China is het papier zijn veroveringstocht over de aarde begonnen. Dit gebeurde echter pas na verloop van eeuwen en misschien zou de papiermakerij nog veel langer


Slatskorenmolen aan de Molenallée te Loenen in 1936.
Het was toen nog de enige molen in Apeldoorn, die uitsluitend door waterkracht werd gedreven.
Enige jaren later zijn molenhoofd en rad weggebroken en is de korenmolen buiten werking gekomen.




Ruitersmolen Beekbergen naar olieverfschilderijtje omstreeks 1900.



een Chinees geheim zijn gebleven, indien niet een bepaalde gebeurtenis hieraan een einde had gemaakt. In 751 raakten aan de oevers van de rivier de Thalas in Turkestan Chinese troepen slaags met Arabieren. Bij dit treffen viel een aantal Chinezen in handen van de vijand. Onder de krijgsgevangenen moeten papiermakers zijn geweest, die op deze wijze de kunst van de papierbereiding naar de Arabische landen hebben overgebracht (Bagdad, Damascus, Tripolis). Wanneer vervolgens het rijk der Arabieren zich uitbreidt langs de oevers der Middellandse Zee, verschijnen in de veroverde gebieden ook de papiermakers, de vervaardigers van het toen reeds onmisbaar geworden produkt. Omstreeks 1100 worden papiermolens genoemd te Fez (Marokko). De Straat van Gibraltar vormt geen beletsel voor de triomftocht van het papier, want weldra ontwikkelt zich in Spanje een bloeiende industrie (Jativa bij Valencia ca 1150).
Met een zijsprong gaat de reis naar ltalié, waar in 1276 twee papiermolens liggen bij Fabriano. Dan komen in de 14e eeuw Frankrijk en Duitsland aan de beurt, o.a. Troyes en Neurenberg.

Hans van Aelst sticht de eerste papiermolen in de Noordelijke Nederlanden (1586)

Het zou echter nog bijna twee honderd jaar duren voordat de papiermakerij tot de Noordelijke Nederlanden doordrong. De man, die hiervoor de eer toekomt, is Hans van Aelst geweest. In sommige stukken staat hij vermeld als Jan van Aelst. De roepnamen Hans en Jan zijn beiden afkomstig van de naam Johannes. Hans van Aelst werd omstreeks 1551 te Antwerpen geboren als zoon van de Antwerpense goudsmid en juwelier Franchois van Aelst en Katerijne de Colosy (Lyncken de Colegiero). Hij huwde 49) op 13 mei 1576 in de O.L. Vrouwekerk te Antwerpen met Godelieve lngenraem, later meestal Godelieve (Godeline) de la Rame genoemd.
Evenals haar familie behoorden de Van Aelsten reeds vroeg tot de protestanten.
Tussen 1582 en 1586 - in eerstgenoemd jaar komt hij nog voor in het Antwerpense schepenregister - gaat het echtpaar Van Aelst naar Dordrecht. Vermoedelijk hebben ze met talloze andere protestantse vluchtelingen in 1585 bij de verovering van Antwerpen door de Spanjaarden de wijk genomen naar de Noordelijke Nederlanden. Door de val van deze rijke koopstad, die een der voornaamste marktplaatsen was voor de papierhandel op ons land, dreigde de toevoer naar Noord-Nederland van dit onontbeerlijk geworden produkt voor een groot deel te worden afgesneden, vooral toen de graaf van Leicester alle handel met het Zuiden ging verbieden. Vandaar de welwillende houding der Noordelijke overheid tegenover het oprichten van papiermolens op haar gebied, de bereidheid tot het verlenen van octrooien en het toestaan van verschillende voorrechten. Ook de stadsbesturen - steeds begerig om nieuwe industrieén aan te trekken - bleven niet achter. Ze verleenden eveneens octrooien; schonken dikwijls gratis het burgerrecht, gaven vrijstelling van wachtdiensten en stelden in sommige gevallen zelfs grond beschikbaar voor de vestiging der papierbedrijven.
Straks zullen we zien, dat ook de magistraat van Arnhem voorrechten verleent bij de stichting van de eerste papiermolen daar ter plaatse.
Het is echter tijd ons thans weer bezig te houden met de lotgevallen van Hans van Aelst. In Dordrecht vat hij het plan op tot het leggen van een papiermolen; misschien heeft hij in Antwerpen reeds met de papierhandel te maken gehad. Uit eigen middelen is Hans van Aelst niet in staat de hoge kosten van de bouw en inrichting van een molen te betalen. Hij gaat op zoek naar een geldschieter en vindt deze in Jan Lupaert, een ingezetene van zijn nieuwe woonplaats.
Op 25 april 1586 verleent de graaf van Leicester aan Hans van Aelst en Jan Lupaert, kooplieden te Dordrecht, octrooi 50) voor de tijd van 5 jaar voor het maken van alle soorten grijs papier. Nu kon met het stichten van één of meer molens worden begonnen. De eerste molen, die op grond van bovengenoemde vergunning gebouwd werd, kwam niet in Dordrecht, maar bij Zwijndrecht te liggen. In het begin van 1587 was de papiermolen, gelegen te Schobbelandsambacht - zo heette de Ambachtsheerlijkheid, waartoe het dorp Zwijndrecht behoorde - reeds gereed. Deze eerste papiermolen van ons land is vermoedelijk een getijmolen geweest. Dit type watermolen, dat vroeger aan . de benedenloop der grote rivieren en langs de zeegaten nog al eens voorkwam, werkte door het verschil in waterstand, veroorzaakt tengevolge van eb en vloed. Boven de molen bevond zich een "spuibassin” met inlaatsluis, dat in verbinding stond met het rivierof zeewater en vaak bij de haven lag. Bij vloed liet men dit reservoir vollopen;  het bij eb terugvloeiende water leverde de kracht voor het doen draaien van een onderslagsrad.
Door de telkens wisselende tijden van eb en vloed werkten deze molens zeer onregelmatig. In ons land zijn ongeveer 21 getijmolens in bedrijf geweest.
Hans van Aelst heeft van Jan Lupaert niet die medewerking gekregen, waarop hij zeer zeker gehoopt zal hebben. Lupaert hield zich bij de stichting van de Zwijndrechtse molen geheel afzijdig en evenmin verleende hij steun voor het tot stand komen van de korte tijd later gebouwde papiermolen te Dordrecht. Alleen in de derde molen, die op grond van het octrooi van 1586 te Hendrik Ido Ambacht werd getimmerd, was hij financieel ge‘interesseerd. Aan de totstandkoming van de beide laatste molens is Hans ,‘ van Aelst blijkbaar niet te pas gekomen. Teneinde zich het geld voor de molen te E Zwijndrecht (molen I) te verschaffen, heeft Van Aalst naar een andere compagnon moeten uitzien. Het gelukte hem Cornelis Adriaansz. - eveneens een Dordtenaar - voor zijn plan te winnen en met diens bijstand was tenslotte de bouw van de papier molen mogelijk.
Hans van Aelst bleef echter onder grote financiéle zorgen gebukt gaan en reeds tegen het eind van 1588 of aan ’t begin van 1589 zag hij zich genoodzaakt zijn helft in de molen te verkopen aan Franck van Muylwijck Willemsz. Van Aelst verliet Dordrecht en vestigde zich in Tiel.

Hans van Aelst de eerste Gelderse papiermaker

Reeds spoedig na zijn komst in Tiel krijgt Hans van Aelst van de stedelijke overheid ; vergunning 51) om een molen te leggen op de "stroem” (stroom) voor de stad (31 januari 1590). Van Aelst moet zelf voor een woning en het benodigde gereedschap , zorgen en de overeengekomen pachtgelden op tijd voldoen. Uit verdere gegevens blijkt, dat het hier om een papiermolen ging, die op een tweetal schepen in de Waal verankerd lag en waarvan het zeer brede onderslagsrad door de stroom werd gedreven.
Op het ene schip zal de papiermolen gestaan hebben, terwijl de as van het rad vermoedelijk gerust heeft op het andere vaartuig, dat door balken stevig met het molenschip was verbonden. Dit soort watermolens duidt men aan met de naam "scheepsof schipmolens”. 52) Ze zijn waarschijnlijk het eerst gebruikt bij het beleg van Rome door de Oostgoten in 536. Behalve van Tiel vinden we in ons land ook schipmolens vermeld bij Deventer (1438), Zutphen (1486), Nijmegen (1547) en Maastricht. Er hebben verschillende typen van deze molens bestaan, waarop hier niet verder ingegaan kan worden. Hans L van Aelst werd op 13 september 1590 toegelaten als poorter van de stad Tiel. Hij werkte er samen met Gerrit Verstap, die in een stuk van 9 februari 1591 als papier maker te boek staat. In Tiel ging het Van Aelst al evenmin voor de wind, want op 24 november 1591 53) lezen wij van "die pappiren molen scheepen alhier nu inden gront gesenckt Iiggende”.
Hieruit blijkt dus, dat de schepen, waarop de papiermolen had gestaan door een niet nader genoemd ongeval waren gezonken. Hiermede was aan het kortstondig bestaan van de eerste Gelderse papiermolen een einde gekomen. De onfortuinlijke Hans van Aelst verhuisde toen opnieuw, ditmaal naar Arnhem.

Hans van Aelst de stichter van de eerste papiermolen op de Veluwe (1591)

Van Aelst heeft zich door de in Tiel geleden tegenslag niet laten ontmoedigen. Hij begint in zijn nieuwe woonplaats met frisse moed en treedt in onderhandeling met de magistraat, die hem op 16 november 1591 54) octrooi verleent voor de tijd van 10 jaar om een papiermolen te stellen in het schependom van Arnhem. Bovendien vraagt Van Aelst inwilliging van de volgende voorwaarden: vrijstelling van wachtdienst en verlening van het burgerschap der stad. Ook hieraan zal worden voldaan, doch pas wanneer de molen daadwerkelijk in bedrijf zal zijn. Arnhem was wel erg gebrand op de vestiging van de papierindustrie binnen zijn grenzen, doch wenste tevens - misschien in verband met de gebeurtenissen te Dordrecht en Tiel - na niet al te lange tijd verzekerd te zijn van een volledig werkend papierbedrijf.
Hans van Aelst is met zijn octrooi-aanvrage juist op tijd, want reeds in het volgend jaar verschijnt een tweede gegadigde. Dit vertelt ons een resolutie van het stadsbestuur van 20 juni 1592, waarbij aan Hans Alleman, die we later ook in Apeldoorn zullen ontmoeten op een boete van 50 goudgulden verboden wordt een papiermolen op het grondgebied van Arnhem te leggen. Zulks op grond van het aan Hans van Aelst verleende octrooi voor het stellen van een molen. De bouw van de eerst Veluwse papiermolen - vermoedelijk een normale boven- of onderslagsmolen duurde tamelijk lang en Hans van Aelst overleed reeds voor het gereedkomen van het bedrijf. Dit moet voor 7 september 1593 zijn gebeurd, want op die datum schenkt de Arnhemse magistraat toestemming aan de weduwe van Hans van Aelst de "aengefangenen nijhen pampiermoelen” te voltooien. Zij mag echter geen andere molens leggen en is verplicht op haar molen allerhande soorten papier te "slaen”: wit, wit-grauw, blauw en bordpapler.
Evenals in Dordrecht en Tiel is het Hans van Aelst ook in Arnhem niet vergund geweest een bloeiend papierbedrijf te stichten. Toch staat zijn naam niet alleen met gulden letters geschreven in de geschiedenis der Nederlandse papierindustrie, doch in niet mindere mate in de historie van de Veluwse papiermakerij. Zijn werkzaamheden te Dordrecht maken hem tot de stichter van de papierfabrikage in ons land; zijn arbeid in Tiel stempelt hem tot de eerste papiermaker van Gelderland, terwijl de stichting van de Arnhemse papiermolen hem verheft tot de grondlegger van het papierbedrijf op de Veluwe. Het met zoveel tegenslag begonnen werk van Hans van Aelst is door zijn weduwe Godeline de la Rame met meer succes voortgezet. Ze hertrouwde enige jaren later met de papiermaker Pieter Jacobsz. van de Poel. Samen met haar man en kinderen, benevens enige Amsterdamse kooplieden, bouwde ze een bloeiende buitenlandse papiergroothandel op, die in hoofdzaak papier exporteerde. Dit bedrijf groeide uit tot een grote "compagnie van handel”, voornamelijk in "bruin” papier op Engeland, welke onderneming tot ver in de 17e eeuw bijna de gehele Engelse markt van dit produkt voorzag. Omstreeks 1630 waren nog alle kinderen uit haar beide huwelijken deelgenoten in de compagnie, welke papiermolens bezat in Apeldoorn, Arnhem, Hulsbergen en Rozendaal. Uit de echtverbintenis van Hans van Aelst met Godeline de la Rame werden de volgende kinderen geboren:

1. Andries Jansz. van Aelst, boekdrukker en boekverkoper te Zutphen, vanaf 1623 medeéigenaar van een koren- en papiermolen te Apeldoorn. In verband met deze molen (kaart nr. 12) wordt zijn naam hier echter al in 1618 genoemd. Zijn kinderen zijn betrokken geweest bij het koren- en papierbedrijf in Apeldoorn. Hij was op 17 november 1606 burger van Zutphen geworden en vestigde er een papierhandel, uitgeverij en boekwinkel, die de naam droeg "In den beslagen Bijbel”. Na de verkoop van zijn bedrijf aan Christoffer Lomeijer vertrok Van Aelst in 1630 naar Apeldoorn. De uitgaven van Lomeijer stonden 0p veel minder hoog peil dan de buitengewoon fraaie drukken van zijn voorganger Van Aelst.

2. Lodewijk jansz. van Aelst, was - samen met zijn broer Andries - deelgenoot in de Apeldoornse koren- en papiermolen. Hij had in 1623 ook twee papiermolens bij Rozendaal en wordt later genoemd in verband met een molen te Hulsbergen.
Lodewijk verbleef meestal in Apeldoorn; ca 1624 komt hij voor te Amsterdam. Hij was gehuwd met: a. Geertrui Elbers; b. Catharina Bisschop.

3. Frans van Aelst, geb. ca 1581, koperslager en papiermaker. Hij pacht in 1614 de Hulsberger oliemolen en verandert deze in een volmolen. In 1616 krijgt hij met Peter Jacobssen vergunning voor een koperoven aan de Ketelstraat te Arnhem. Na de dood van zijn stiefvader Pieter Jacobsz. van de Poel neemt hij diens papiermolen in Arnhem over (1625). Was dit de molen, die Hans van Aelst in 1591 had gesticht? Frans van Aelst was gehuwd met Judith Mom.

4. Truitgen van Aelst.

5. Lijntje van Aelst, gehuwd met Willem Jaspersz. van Meurs van Arnhem. Zij werden de ouders van de bekende Amsterdamse plaatsnijder en boekverkoper Jacob van Meurs.

6. Lieffken van Aelst.
Uit het huwelijk van Hans van Aelst’s weduwe Godeline (Godelieve) de la Rame met Pieter Jacobsz. van de Poel stammen Pieter, Abraham en Geertrui.
Pieter en Abraham dreven te Amsterdam een papier- en tabakshandel. Abraham vestigde zich later in Londen als vertegenwoordiger van de bovenvermelde papiergroothandel. Geertrui van de Poel huwde met de vervaardiger van kantoorboeken Abraham Willemsz. van Beijerland, die tevens als houder van "civetkatten” een der voornaamste parfumhandelaren was van ons land. Verder verwierf hij bekendheid als mysticus en als uitgever der werken van Jacob Bohme. De geslachten Van Aelst en Van de Poel hebben een belangrijke r01 gespeeld in het economischeen culturele leven der Noordelijke Nederlanden.

Johan Steenbergen sticht de eerste Apeldoornse papiermolen (1593)

Nog geen twee jaar na het eerste bericht over de Arnhemse molen van Hans van Aelst wordt ook al melding gemaakt van een waterpapiermolen op de Grift te Apeldoorn.
Het is eigenlijk een totaal onverwachte archiefvondst geweest, die mij op het spoor heeft gebracht van het stichten van een dergelijke molen te Apeldoorn in 1593. Voor 1957 werd als vaststaand aangenomen, dat in 1601 Marten Orges de eerste papiermolen in onze gemeente stichtte op de Beekbergense beek.
Nu kwam mij op 13 mei 1957 op het rijksarchief te Arnhem een minuut 55) in handen van een schrijven, gedateerd 4 mei 1603, dat door het Arnhemse Hof gezonden was aan Georgien Pannekoeck, scholtis van het ambt Apeldoorn. Op het eerste gezicht leek de inhoud niet erg belangrijk, maar toch zouden enige regels in dit stuk oorzaak zijn, dat een totaal andere kijk werd verkregen op het ontstaan der Apeldoornse papierindustrie.
Het bewuste schrijven bevatte een antwoord van het Hof op klachten van ingezetenen van het dorp Apeldoorn - speciaal die der Ordermark - over het ongeoorloofd weiden van schapen op hun markegronden. Het Hof gelastte de personen, die zich hieraan hadden schuldig gemaakt, zich in het vervolg daarvan te onthouden en met hun schapen niet verder te gaan dan "aen het Kerschoten aen die pampiermoelen und volgens aen den koirnmoelen.” In dit schrijven werd dus terloops de voor ons uiterst belangrijke mededeling gedaan, dat er in mei 1603 bij Kerschoten al een papiermolen lag en deze datum kwam wel heel dicht bij het jaar 1601 van Marten Orges. De vraag rees, zou het inderdaad Orges zijn geweest, die de eerste molen in het ambt Apeldoorn stichtte? Geen wonder, dat ik direct pogingen deed om meer over de molen bij Kerschoten te ontdekken. Maar waar moest gezocht werden? Een eerstvolgend archiefonderzoek leverde geen enkel resultaat op; een tweede keer gelukte het beter, er kwamen tal van verrassende gegevens voor de dag eveneens bij latere nasporingen. De voornaamste resultaten van dit speurwerk laat ik hieronder volgen.
Bij het doorzien van een staat 56) van ontvangsten en uitgaven van de voormalige geestelijke instellingen op de Veluwe stond daar onder het hoofd "Apeldoorn” de volgende post: "Die plaetz daer die Olie en Volmolen placht te staen op die grift heeft gepacht Johan Steenbergen die Jonge de tyt van XVI jaeren, ingegaen op Johannis, a 93 jaerlix voer 40 gl.” Hieruit bleek, dat gedeputeerden van Veluwen - als beheerders der bezittingen van het voormalig Convent van Monnikhuizen - de plaats, waar vroeger de olie- en volmolen stond op de Grift te Apeldoorn, met ingang van 24 juni 1593 voor 16 jaar verpacht hadden aan Johan Steenbergen de Jonge! Het betrof hier dus de plek, waar in 1434 door Johan Doys een oliemolen was gesticht en later (voor 1521) ook een volmolen kwam te liggen en zich nu de koperpletterij "De Vlijt” bevindt.
Van niet minder groot belang is een ander gegeven, dat voorkomt, in een specificatie 57) van de geestelijke goederen op de Veluwe, gedateerd 11 juni 1604. Hierin lezen we o.a. het volgende: "Jan Steenbergen heeft gepacht dat water totte pampiermeulen tot Apeldoorn voer XL gulden”. Deze pachtuitgifte blijkt te gelden voor een termijn van 16 jaar, waarvan in 1604 het 11e jaar is verstreken. Trekken we van 1604 de elf verstreken jaren af, dan zien we, dat de verlening der waterpacht eveneens plaats vond in 1593.Dat de eerste Apeldoornse papiermolen in opdracht van Steenbergen is gebouwd, vernemen we uit een verklaring (1643) van diens zoon Jan Steenbergen, waarin deze zegt, dat zijn overleden vader de papiermolen op de Grift heeft laten timmeren. Terloops maakt hij de opmerking, dat het een onderslagsmolen was met schoepenraden.
Verder vertelt hij dat het opstuwen van ’t water hoger "als het te vooren was”, aan leiding gaf tot een minder prettige verstandhouding met de omwonende landbouwers.
Deze mensen raakten steeds meer verbitterd op hem. Tenslotte kon Jan Steenbergen niet veilig een herberg in het dorp Apeldoorn bezoeken. Want het gebeurde wel, dat de boeren "bij hem quamen in die herbergen” met de bedoeling hem eens flink af te ranselen. Hij moest dan ijlings de gelagkamer verlaten en de benen nemen! Uit bovengenoemde gegevens blijkt zonneklaar, dat de eerste papiermolen te Apeldoorn in 1593 door Johan Steenbergen is gesticht.
Johan Steenbergen de Jonge (Jonge Jan Steenberch, jonge Mr. Jan Steenberg, Jan " Stiberch enz.) werd omstreeks 1550 geboren als zoon van Johan Steenbergen de Oude en diens echtgenote Elizabeth. Het geslacht Steenbergen ontleent zijn naam aan de boerderij Steenbergen in Zuidwolde (provincie Drenthe). Dit valt op te maken uit een boedelscheiding van 14 oktober 1626, waarbij de zeven zoons van Herman van Steenbergen - een broer van Johan Steenbergen de Jonge - de bezittingen van hun vader verdelen. Ongedeeld blijft 1/ 10 part in het huis van Steenbergen, Iiggende "tot Zuidwolden in ’t land van Drenten”. Nu nog komen in Zuidwolde Steenbergens voor.
Jonge Johan Steenbergen was - evenals zijn vader - koperslager in Vaassen en bezat daar een kopermolen, die op het terrein lag van de huidige N.V. Industrie v/ h Van Lohuizen en Co. Hij was gehuwd met Swaene van Hierden. Uit deze echtverbintenis is de zoon Jan geboren, die op 28 december 1643 getuigt, dat zijn vader destijds de papiermolen op de Grift te Apeldoorn had getimmerd. Over Johan Steenbergen (de Jonge) vernemen we nog op 12 september 1620; als zeventig-jarige legt hij dan een verklaring af in een proces over het vissen in de Grift tussen Wenum en de Griftse kopermolen te Vaassen. In een schattinglijst van 1600 komt de molen ook voor, dan wordt gesproken van "die Pantholders van de pampieren Meulen”. Op de volgende lijst (1601) zijn deze woorden doorgestreept.
Johan Steenbergen heeft omstreeks 1600 - misschien al eerder - zijn papiermolen te Apeldoorn verpacht aan Hans Alleman, die tegen 1602 deze pacht zonder voorkennis van Johan Steenbergen overdoet aan Peter van Bossenhoven te Dordrecht, waarover dan een kwestie ontstaat. Op 18 juli 1602 58) verklaart namelijk Van Bossenhoven, dat hij van Hans Alleman in pacht overgenomen heeft "sekeren Moelen, gelegen tot Apeldoorn, thobehorende den Convente van Munnickhuysen”, en waarvan Johan van Steenbergen de "neeste und principael pechter” is. Deze laatste had als daartoe gerechtigde later de molen "aen den gedachten Alleman in pacht overgelaten”.
De hiergenoemde Hans Alleman is dezelfde, die in 1592 een papiermolen wil stichten te Arnhem, hetgeen hem door de magistraat - vanwege het octrooi aan Hans van Aelst verboden wordt.
Hoe lang Hans Alleman hier in Apeldoorn papier heeft gemaakt, valt niet na te gaan.
Waarschijnlijk tussen 1596 en 1602. Alleman is een merkwaardig persoon geweest, die voortdurend met z’n medemensen overhoop lag. Zo verschijnt hij op 26 juni 1600 voor de Bank van Apeldoorn wegens een geschil met Jan Evertz. (Cloppenburch?) Op 6 december 1602 verlenen de Staten van Holland en West friesland hem octrooi voor het zetten van een papiermolen te Overveen bij Haarlem, die zonder water of wind zou werken. In de octrooi-aanvrage zegt Alleman, dat hij "die scientie ende wetenschap hadde om te maecken witte ende blauw pampieren midtgaders oyck die molens ende Instrumenten daertoe dienende”. Hoe het met de molen te Overveen gegaan is, vernemen we niet.
Het geschil tussen Johan Steenbergen en Peter van Bossenhoven wegens de eigenmachtige verpachting van de Apeldoornse molen door Hans Alleman wordt tenslotte in der minne geschikt, want op 15 september 1602 59) doet Steenbergen ter vermijding van "vordere twist und costen und moeyten van Rechtsvorderungen” de pacht van de papiermolen op de Grift te Apeldoorn "daer Hans Alleman Pampier op pleech tho slaen” over aan Peter van Bossenhoven en Johan Evertsz. Cloppenburch.
Met Johan Evertsz. Cloppenburch komt een nieuwe figuur naar voren. Cloppenburch, gehuwd met Floerken Wyllems, was in 1593 burger van Deventer geworden en daar werkzaam als boekdrukker, boekverkoper en papierhandelaar. Gedurende de eerstvolgende jaren is hij de voornaamste persoon op de Apeldoornse molen; Peter van Bossenhoven wordt zelfs niet meer met name genoemd. In 1604 60) vraagt Cloppenburch vergunning aan de magistraat van Deventer om in de omgeving der stad een lijmkokerij of lijmziederij te mogen oprichten. Hij motiveert zijn verzoek met o.a. te vermelden, dat hij jaarlijks grote hoeveelheden lijm nodig heeft voor het lijmen van papier, dat vervaardigd wordt op zijn papiermolen "over (= voor) een jaar offte twee te Apeldoorn in de Veluwe toegeset”. De vellen papier moesten vooraf gelijmd worden eer ze voor schrijfpapier geschikt waren. Uit Cloppenburchs schrijven valt op te maken, dat de Apeldoornse molen heel wat produceerde. Aan het slot van zijn verzoek maakt hij een merkwaardige opmerking over de Hollanders (hiermede bedoelt hij de bewoners van het westen des lands): "een volck, dat alle neringe soeckt tot sich te trecken, van daerment naemaels ten duursten wederom copen moet”. Cloppenburch overleed reeds in 1605, waarna we pas op 23 juni 1608 weer iets over de molen horen. Dan krijgt Matys van Sirck (Serrik, Sirich, Syrick, Sierick), waard in de Zwaan, twaalf jaar verlenging van pacht voor de ons zo bekende "plaetse mit dat kampken, gelegen ’t Apeldoorn op die Grifte, daer die Munnickhuyser Olymoelen ind Volmoelen plach te staen, und daer naderhant enen pampiermoelen gemaeckt is”. Van Sierick was voor 1608 dus al pachter van de grond, waarop de molen stond. Bij de pachtverlening in 1608 moet Mathijs als eenmalig "opgelt” van iedere gulden een halve stuiver geven voor de armen.
Gedeputeerden verwijzen bij de verlening in 1608 naar de oude voorwaarden van de rekenkamer, gedateerd 29 januari 1593. We konden het desbetreffende stuk helaas niet vinden. Uit het bovenstaande zou men de conclusie kunnen trekken, dat de vergunning aan Johan Steenbergen voor het leggen van de eerste papiermolen te Apeldoorn reeds op 29 januari 1593 moet zijn verleend. Uit verdere gegevens valt op te maken, dat Mathijs van Sierick niet alleen, doch samen met een andere herbergier, eigenaar was van de molen. De beide waards hebben natuurlijk niet zelf papier gemaakt, maar de molen als beleggingsobject benut en het eigenlijke werk door een ervaren papiermaker laten verrichten. Misschien was deze persoon "bedrijfsleider”, mogelijk alleen pachter. Naar aanleiding van een geschil, dat in 1616 behandeld wordt voor de Bank van Apeldoorn, kunnen we met het nodige voorbehoud zeggen, dat dit misschien Jan Thonis is geweest. Uit de gerichtssignaten van de Veluwe over 1616 blijkt namelijk, dat er in die tijd een hooglopende ruzie is ontstaan tussen Jan Thonis "pampiermaecker” en zijn huisvrouw Maeyken, beiden woonachtig in het dorp Apeldoorn, met Jan Kuyper en diens echtgenote Gerritken. Volgens Jan en Maeijken zouden de twee laatstgenoemden nogal hardhandig zijn opgetreden tegen Maeyken en haar moeder Jenneken van Baden, weduwe van Giliam. Na een woordenwisseling komt het tot handtastelijkheden. Gerritken opent het gevecht, slaat beide andere vrouwen "dapperlijok” met vuisten en trekt hen de mutsen van ’t hoofd. Midden in het strijdgewoel verschijnt Jan Kuyper en gaat onmiddellijk tot actie over. Hij geeft Maeyken een flinke opstopper, neemt een steen of ander "instrument” en brengt haar daarmee een bloedende wonde toe in "haer aengesicht boven haer ooge”. Aldus het verhaal van Jan, Maeyken en Jenneken voor de scholt van Apeldoorn bij bet indienen van een klacht tegen Jan Kuyper en zijn vrouw Gerritken. De aanklagers stellen als borgen Bernt Spickerhuis "weert in den moriaan” en Mathijs van Sirck, herbergier "int roode hert alhyer”. (Mathijs is in 1623 ook nog waard in de Swaan; het Roode Hert lag aan de tegenwoordige Hoofdstraat op de plek waar zich nu het Beekpark bevindt). Wanneer men nu straks zal zien, dat de papiermolen in 1623 verkocht wordt door Mathijs van Sierick en een waard in de Moriaan, lijkt de veronderstelling, dat Jan Thonis op hun molen papier maakte, toch niet helemaal verwerpelijk. De beide bij de strijd betrokken partijen zullen alle twee wel schuldig zijn geweest, want in de uitspraak van 22 juni 1616 wordt de aanklacht van Jan Thonis ongegrond verklaard en de betrokken personen bevolen elkaar voortaan niet meer met woord of daad te "molesteren” op boete van 25 goudgulden. Jan Kuyper of Cuper komt in een belastinglijst van 1618 voor in de omgeving van de papiermolen. Omstreeks 1618 ligt er bij de papiermolen ook een kopermolen, die eveneens toebehoort aan de herbergiers in de Moriaan en het Rode Hert, en dan verpacht is aan Andries en Lodewijk van Aelst, zoons van de bekende Hans van Aelst. We hebben al eerder gezien, dat beide Van Aelsten nogal eens overhoop lagen met de eigenaars van de beneden gelegen zeemmolen.
De aanwezigheid van een kopermolen daar ter plaatse op de Grift maakt het voor ons niet gemakkelijker om de historie van de papiermolen steeds te scheiden van die der kopermolen. In 1623 gaat de koren- en papiermolen over aan Andries en Lodewijk van Aelst, want op 11 februari van dat jaar verkopen de herbergier Mathijs van Serrik en de waard Jan Gerritsen in de (Oude) Moriaan aan Andries Jansen van Aelst en diens broer Lodewijk van Aelst een papier- en kopermolen op de Grift, gelegen naast de molen van Claes Pannekoek, gehuwd met Cornelia Jansen. Vermoedelijk moet dit "gelegen naast” nogal ruim opgevat worden en hebben wij bij de molen van Claes Pannekoek te maken met een watermolen op het terrein van de Stinkmolen. In een akte van 26 juli 1623 verklaart Andries Jansz. van Aelst, dat zekere papier- en kopermolens op de Grift te Apeldoorn voor de ene helft hem toebehoren en voor de andere helft het eigendom zijn van zijn broer Lodewijk van Aelst.
Met de komst van de gebroeders van Aelst breekt voor de eerste Apeldoornse papiermolen een tijd van grote bloei aan. Het bedrijf in Apeldoorn draagt in hoge mate bij tot de groei van de door ons reeds eerder genoemde papiergroothandel op Engeland.
Ook om binnenlandse orders zitten de Van Aelsten niet verlegen. Want twee Rotterdamse kooplieden beklagen zich over Lodewijk van Aelst, wonende te Amsterdam, wegens het niet nakomen van een contract van 29 mei 1623 61), waarbij de laatste zich had verplicht "om voor den tijt van twee aeneenvolgende jaeren aen henluyden te leveren alle het pampier, dat hij, van Aelst, op syne twee molens, staende tot Rosendael in Gelderlant, alsmede op eene molen, staende tot Appeldoorn, soude laeten maecken”.
Een enkele keer gaat het bedrijf minder goed. Dit is het geval in het jaar 1629. Dan belegert stadhouder Frederik Hendrik de sterke vesting 's Hertogenbosch. Om hem te dwingen het beleg op te breken, doet Graaf Hendrik van den Berg met een Spaans Duits leger een inval op de Veluwe. Amersfoort valt in handen der Duitsers, terwijl de Spanjaarden van hun kant proberen de Veluwse steden Hattem en Harderwijk in te nemen. Hun pogingen leveren geen succes op, waarna het Spaanse leger naar Heerde, Epe, Vaassen en Apeldoorn trekt en tenslotte niet beter weet te doen dan deze plaatsen leeg te plunderen en te verbranden. Bij de nadering van de vijand had een deel der Apeldoornse bevolking in allerijl de vlucht genomen naar de omliggende steden met medeneming van have en goed. Honderden ingezetenen konden echter geen wagens en karren krijgen en waren zodoende genoodzaakt met hun bezittingen in Apeldoorn achter te blijven. De Spanjaarden slepen ook "alderhande huisraet” van Andries en Lodewijk van Aelst weg en steken hun huizen in brand. Er wordt niet vermeld of hierbij tevens de papiermolen in vlammen is opgegaan. In elk geval heeft de papierfabrikage onder al deze narigheid flink geleden.
Naar aanleiding van de inval der Spanjaarden verschijnt in 1630 een kaart - aanwezig in het Historisch Museum Moerman - waarop een gedeelte der Veluwe voorkomt, met langs de IJssel de bruggehoofden en versterkte legerkampen der vijandelijke troepen.
In de omgeving van Apeldoorn zien we ettelijke papiermolens getekend, waarvan


Molens op de Grift aan de Brink te Apeldoorn, naar gedeelte van een kaart uit 1708.
Geheel onderaan het kaartje loopt de beek van het Slop, daarboven de Grift.
Reeds ligt de papiermolen Tepelenberg aan een zijaftakking van de Grift naar de beek van het Slop.
Verder stroomafwaarts staat de korenmolen en daartegenover aan de rechterzijde van de Grift de papiermolen De Verbrande Molen.
Boven de Grift bevindt zich de tegenwoordige Hofstraat, in het midden de huidige Christiaan Geurtsweg.

Watermolencomplex op de Grift aan de Brink te Apeldoorn, gezien vanaf de Christiaan Geurtsweg.
Links op de afbeelding het voormalige papiermakershuis met de vroegere molen;
aan de overzijde van de beek de beide molens van Christiaan Geurts, vooraan de oliemolen, daarachter het maalbedrijf.
Rechts staat het muldershuis.
Het water geheel rechts is de beek van het Slop.
Olieverfschilderijtje omstreeks 1890.



De Watermolens op de Grift aan de Christiaan Geurtsweg.
Links op de afbeelding het woonhuis behorende bij de voormalige papiermolen.
Aan de overkant van de beek de oliemolen, daarnaast de woning van de mulder.
Reproduktie naar foto uit ca. 1890.





Het molencomplex Geurts aan de Brink te Apeldoorn vanaf de bovenbeek.
Aan de linkerkant van de Grift de koren- en oliemolen, rechts de vroegere papiermolen met woonhuis.
Aan de beek de korenmolenaar Thomas Thomassen.
Reproduktie naar prentbriefkaart omstreeks 1900.




aantal en de ligging niet kloppen. In verband met de papiermolens op deze kaan heeft A. Schulte onder de titel "Die Papiermacherei bij Apeldoorn 1629" o.a. het volgende 62) geschreven: . . . "Wie snell sich darauf in diesem Gebiet die Papiermacherei entwickelt hat, zeigt uns nur diese Karte mit ihren 6 - 8 Werken im Jahre 1629.
Sie riickt Apeldoorn an die Spitze der damaligen Papiermacherei der heutigen Niederlande und macht uns die spatere hohe Bedeutung dieses Gebiets historisch verstandlicher”.
Zoals we zien, wordt in het aangehaalde artikel gesproken van 6 - 8 molens; in werkelijkheid lagen er toen (1629) al meer dan 14 papiermolens op het gebied van het huidige Apeldoorn. Dit doet het belang van de toenmalige Apeldoornse papiernijverheid nog des te meer uitkomen. Op 29 maart 1636 sluit Andries van Aelst een belangrijk contract 63) af met Anthonij Jacobsz, de la Lije over grote lompenleveranties voor zijn papiermolen te Apeldoorn. Gedurende de eerste maanden moet om de drie weken geleverd worden 1000 pond grof en 1000 pond "fijn lijnwaet anders genoemd lompen, waer af het wit papier gemaeckt wert”. Daarna zal Jacobsz. de la Lije binnen één jaar afleveren resp. 30.000 pond fijne en 40.000 pond grove lompen, die in gedeelten, op zijn minst eenmaal per 3 weken, gestuurd moeten worden tegen een prijs van twee en dertig stuivers en acht penningen voor de grove en drie gulden vijf stuivers voor ieder pond fijne lompen. In het contract wordt bedongen, dat de dochter van de verkoper voor één keer een bedrag van 25 carolus gulden zal krijgen "tot een . .. vereeringe”. Uit de levering van 70.000 pond lompen in één jaar tijds, blijkt duidelijk de grootte van het Apeldoornse bedrijf der gebroeders Van Aelst. Want de gemiddelde hoeveelheid lompen, die een Veluwse papiermolen per jaar verwerkte, bedroeg in het begin der 19de eeuw - in die tijd beschikken we voor het eerst over cijfers tussen 3000 en 6000 pond. Wel een enorm verschil. Een beeld van de omvang van de papierindustrie der familie van Aelst verschaft ons ook het verpondingsregister van het ambt Apeldoorn over 1648/49. Daarin lezen we, dat Steven Potgieter bezitter is van "een coopermolen met een pampiermolen van 22 backen” en ook van een "vervallen vulmolen”. De vermelding is niet geheel juist. Steven Jansen Potgieter een schoonzoon van Andries van Aelst, was maar gedeeltelijk eigenaar van het molencomplex. Wat echter het meest opvalt, is het aantal van 22 hamerbakken. Als men bedenkt, dat de papiermolens op de Veluwe destijds werkten met 2 a 7 bakken, kan men zich een voorstelling vormen van de geweldige betekenis van het toenmalige bedrijf op de Grift te Apeldoorn. Andries van Aelst, die in 1637 overleed, had de volgende kinderen: Catharina, Judith, gehuwd met Willem Jansen van Munnickhuijzen; Claesken (Klaasje), echtgenote van de eerder genoemde Steven Jansen Potgieter; Isaac (overleden voor 1651) en Hester, gehuwd met Daniel de Mareez. Op 3 november 1653 verkopen Steven Jansen Potgieter en zijn onmondige kinderen bij Claesken van Aelst verwekt, aan Willem Jansen van Munnickhuijzen, gehuwd met Judith van Aelst, de helft en aan Abraham Verhoef, echtgenoot van Maria die Bardt en Francientje die Bardt de andere helft, het gerechte vierdepart, dat zij hebben aan de "copper en pampiermolen”.
Steven Jansen en zijn vrouw was dat aangeérfd van hun voor 1651 overleden zwager en broeder Isaac van Aelst, terwijl Abraham Verhoef c.s. reeds een aandeel in beide molens bezaten, dat zij verkregen hadden bij de boedelscheiding van hun gestorven neef Daniel de Mareez. Steven Jansen was momber (= voogd) over Francientje die Bardt.
In 1659 verkoopt ook Abraham Verhoef een gedeelte van zijn aandeel in de molens aan Willem Jansen van Munnickhuijzen en Judith van Aelst. De akte is niet zo heel duidelijk en luidt ongeveer als volgt: 1659 Abraham Verhoef met diens vrouw Maria die Bardt en Francientje die Bardt aan Willem Jansen (v.M.), gehuwd met Judith van Aelst, 1/2 vierde part van de koren- en papiermolens, benevens de helft van "Berent . Pelenhof bij schuttinge copermoelle aan de Meulenbeke boven de Nieuwe Moriaan” en aan Catharina van Aelst 14 part. Laatstgenoemde doet op 24 juli 1663 eveneens aan zwager Willem Jansen van Munnickhuijzen en aan zuster Judith haar helft over " in de "coopermeulen ende de pampiermeulens genaemt de Monnickhuijzer meulen”, die zij ten dele van haar ouders geérfd, ten dele later aangekocht had. Op die 24 juli In 1663 hebben Willem Jansen v.M. en Judith van Aelst daar dan alles in eigendom.
Het complex "de Monnickhuijzer meulen” bestond toen uit 1 koper en 2 papiermolens.
We zien dat de drie molens bezit zijn geweest van de 5 kinderen van Andries van Aelst: Catharina, Judith, Claesken, Isaac en Hester. In de stukken van 1659 en 1663 is steeds sprake van meer dan één papiermolen, vermoedelijk heeft men het "vervallen vulmoleken” van 1648 eveneens tot papiermolen ingericht.
Willem Jansen van Munnickhuijzen overlijdt voor 1670, waarna zijn energieke weduwe Judith van Aelst het papier- en koperbedrijf voortzet, later geassisteerd door haar zoon Andries van Munnickhuijzen. Op 25 augustus 1678 verkrijgt Judith van Aelst de erfpacht van het Griftwater tussen de Apeldoornse korenmolen en Noord-Apeldoorn, zoals men uit een stuk van 1 november 1706 zou kunnen opmaken. De pachten van de tot de molen behorende gronden waren in de erfpacht begrepen. Gedeputeerden van Veluwe hadden genoemde erfpacht op 2 juli 1670 uitgedaan aan jonker Diederick van Baer. De originele erfpachtsbrief hebben we helaas niet kunnen vinden, zodat de letterlijke inhoud ons onbekend is. Uit een Landdagbesluit van 4 september 1667 vernemen we, dat Diederick van Baer de erfpacht vraagt van het water in Gelderland om daarop houtzaagmolens te leggen. Men wenst echter eerst te weten op welke waterlopen Van Baer dergelijke molens wil oprichten. Het zou de moeite lonen eens na te gaan, of er van de plannen van Diederick van Baer iets tot uitvoering is gekomen.
Van Baer doet bij transport van 25 augustus 1678 - en met "approbatie” (= goed‘ vinden) van gedeputeerden, gedateerd 10 oktober 1678 - de erfpacht van het water van de Grift over aan Judith van Aelst, wed. van Willem Jansen van Munnickhuijsen.
In de overdracht worden genoemd "alle het recht, gerechtigheijt en brieven van erfpacht met alle ’t water en alle erfgerechticheijt van de moolen of molensteede op de Grift tot Apeldoorn gelegen, neffens de gront van outsheer tot noch toe daer toe gehorende, dergestalt als het selve tot noch toe bij den Convente van Munnickhuijzen ofte d’Ed. Mog. Heeren Gedeputeerden des Veluwschen Quartier en desselfs pachters gepossideert, gebruijckt ende genoten is geweest.” Na lezing van het bovenstaande is het niet duidelijk welke voordelen Judith van Aelst van deze overdracht had. De erfpacht van water en grond voor de molens en molensteden waren toch van het begin af reeds in het bezit der Van Aelsten.
Diederick van Baer belooft binnen drie maand na de goedkeuring der overdracht door gedeputeerden alle daarop betrekking hebbende stukken aan Judith van Aelst te zullen doen toekomen. Blijkbaar is alles niet volkomen naar wens verlopen, hetgeen op te maken valt uit het antwoord dat gedeputeerden op 15 maart 1684 geven op een request van Judith van Aelst. Hieruit vernemen we, dat de heren op haar verzoek de "approbatie” (= goedkeuring) bevestigen van het transport door Diederick van Baer van de erfpacht van ’t water op de molen aen de Grift tot Apeldoorn aende suppliante gedaen”. De jaarlijkse erfpacht van 85 gulden moet door Judith van Aelst of haar erfgenamen worden voldaan aan de rentmeester der goederen van het voor toenmalige klooster Monnikhuizen. In diens rekening over het jaar 1693/ 94 vinden we onder "Ontfanck in Apeldoorn” dan ook de volgende post: "De Erfgenamen van Andries van Aelst hebben in Pacht het waeter en plaetse van de Molen tot Apeldoorn met een a twee Campkens Lant en sulcx voor de summe van vijf en tachtigh gulden jaerlijcx vrij gelt.” Er wordt niet gesproken over de erfgenamen van Judith van Aelst, doch over die van haar vader Andries. Er is hier alleen maar sprake van het "waeter en plaetse van de Molen tot Apeldoorn”, verder niet.
We gaan thans weer een aantal jaren terug en zien Judith van Aelst in 1678 onvermoeid bezig met de uitbreiding van haar bezit. In samenwerking met haar zoon Andries verwerft deze actieve zakenvrouw op 6 december 1678 van Hendrik Jurriens Pannekoek en Marietje Tonis de helft van de vierbakspapiermolen aan de oostzijde van de Grift "aldernaest de coopermoole”. Vooraf moeten de verkopers eerst nog zorgen voor een nieuw waterrad. Zeven jaar later (21 juli 1687) koopt Judith het andere gedeelte van de molen en heeft deze dan geheel in eigendom. Maar ze is nog niet tevreden, want aan de westzijde van de Grift ligt beneden haar molencomplex een andere papiermolen, die in 1670 toebehoort aan Hendrik Bartels. Judith slaagt erin - wanneer is niet bekend - deze molen eveneens aan te kopen. De hier genoemde papiermolens hebben te maken met de Stinkmolen in de Noord-Apeldoornse mark. Bij de geschiedenis van de Stinkmolen(s) komen we op deze aankopen nader terug.
Op 30 oktober 1678 verpachten Judith van Aelst en Andries van Munickhuijzen aan Aert Gerrits Hulshoff en diens vrouw Janneken Hessels Leemhorst de bovenvermelde papiermolen van 4 bakken aan de oostzijde van de Grift, benevens 2 bakken van de "onderste meulen naest water aan de westzijde van de Gryft” voor 220 Carolus gulden per jaar. Later blijken de molens niet meer te behoren aan de eigenaars van de papier- en kopermolen. Wel wordt de waterpacht ook verder steeds aan hen betaald.
Wanneer Judith van Aelst is overleden weten we niet. Dit zal al voor 17 oktober 1691 zijn geschied, want dan wordt een overeenkomst over de plaatsing van een peilpaal in de Grift beneden de Monnikhuizer koren- en papiermolens getekend door haar zoon Jan van Munnickhuyzen. Vermoedelijk is zoon Andries eveneens voor die datum gestorven. In 1701 hertrouwt zijn weduwe Catharina Kemp met Adriaan Buitenwech.
Op 1 november 1706 worden de "coeper en pampier moele tot Apeldoorn, de Erfpacht van ’t water comende van de voers Coeper ende pampier moelen en het water lopende van de gemelte Coeper en pampier moelen tot Noort Apeldoorn neffens de landerijen daer toe gehorende toebehorende voor de helfte Jan van Munnickhuijsen ende sijne kynderen” bezwaard met 1450 gulden ten behoeve van Benjamin van Brienen. Even eerder (12 mei 1706) waren de koren- en papiermolens reeds tot onderpand gesteld wegens een schuld van 5000 gulden aan de Apeldoornse scholtis Gerard van Brienen door Jan van Munnikhuijzen, weduwnaar van Anna Kemp,  Adriaan Buitenwegh, gehuwd met Catharina Kemp; Willem en Suzanna van Munnickhuijzen, kinderen uit het huwelijk van Andries van M. en Catharina Kemp.
We slaan thans een aantal jaren over en komen bij 25 juli 1785. Uit een akte van die datum blijkt, dat Jacob van Wechel en Derk Timmer, benevens diens zoon Willem, eigenaars zijn van de kopermolen op de Grift. In 1798 was daar echter geen koperbedrijf meer, want uit de "Registratie der lngezetenen” van het kerspel Apeldoorn van genoemd jaar zien we, dat de kopermolen toen geheel was omgezet in een papiermolen. Jacob van Wechel is er "Fabriqueur” in papier. Als meesterknecht wordt vermeld Jan van Lil, daarop volgen de namen van 11 papiermakersknechts. Het was dus ook in die tijd een flink Veluws bedrijf.
In 1808 vindt weer een grote verandering plaats, want dan verkopen Jacob van Wechel en familie "een kopermolen, sedert geruimen tijd papiermolens, bestaande in een wrijfbak en 28 hamerbakken” voor 32.900 gulden aan de rentenier Pieter van Herzeele, wonende Rapenburg te Leiden, en Johannes Hermanus Gunning(h). Een buitengewoon hoge prijs voor de molens, vooral wanneer men rekening houdt met de voor de papierhandel ongunstige Franse tijd. Maar een bedrijf met 28 hamerbakken en een hollander was ook niet mis! Gunningh, die de leiding van het bedrijf in handen had en een tijdlang een watermerk voerde met het portret van Napoleon, kocht bij een veiling van domeinbezit op 16 maart 1812 voor 4472 francs de erfpacht "de la Source qui sy trouve”. Hiermede werd het waterrecht voor de Grift bedoeld. Vanaf die tijd beschouwde Gunning zich eigenaar van een groot gedeelte der Grift. Johannes Hermanus Gunning was tevens "maire de la Commune” (= burgemeester) van Apeldoorn. Hij werd op 23 november 1813 bij Het Loo door Franse soldaten gevangen genomen en naar Parijs overgebracht.
Pas op 29 mei 1814 keerde hij uit zijn ballingschap terug.
Twee jaar later (16 mei 1816) doet Pieter van Herzeele zijn aandeel in de papiermolen, dan "de Vlijt” geheten, over aan Gunning. Deze verkoopt 25 februari 1824 op zijn beurt de Vlijt aan Jan Hendrik Ameshoff voor de kapitale som van 81.500 gulden + 3 kapitalen te zijnen laste, samen 7850 gulden (deze laatste wegens een schuld, die nog op de voormalige koren- en papiermolens rustte). Gunning woonde toen met zijn vrouw Margaretha Rutgers op het huis Schoonbroek.
Over zijn uitgebreide bezittingen worden we ingelicht door een getuigenverklaring van 14 februari 1824. Ze omvatten o.a. "een papierfabriek, bestaande in vier wrijfbakken en 18 hamerbakken, stofkisten, twintig ijzeren parssen waaronder vier gesneden met metalen bussen en drie lijmparsen, zes dubbele kuipen met koperen kagchels, 3 droogzolders, droogschuuren met droogstrikken, Brandschuur, Pakhuizen, Twaalfknechts woningen met hunne Schuuren, Bouwschuur en Hooijberg, waaronder een Koetshuis en twee aparte bergingen voor wagens en bouwgereedschappen, benevens twee Heeren Huizingen, voor ’t eene eene Engelsche bloemtuin en daarnevens een boomgaard van appelen, peeren, pruimen en kerssenboomen, Tuinmans wooning, groote dubbelde moestuinen met ca 150 stuks Perziken, Abrikozen, wijngaarden en andere fijne vruchtboomen, eene zeer groote Schutting met Morellen, broeijen(?), loots tot berging van tuinmans gereedschappen en twee bosschen met opgaande boomen, hakhout en waaronder zware Eiken en Beuken, en eindelijk een koepel op een berg aan het eind van ’t groote Bosch . . . een Chineesche tent op een steenen voet, met een keuken er onder staande aan de grote of straatweg op Deventer en Zutphen”.
Tot zover een gedeeltelijke opsomming van Gunnings’ eigendommen. De hier genoemde "koepel op een berg” is later door kwajongens vernield. Het bergje, waarop hij gestaan heeft, ligt nog bij het kruispunt Van der Heijdenlaan-Alexanderlaan. De Chineesche tent op een stenen voet, met een keuken er onder, komt zo goed als zeker voor op een waterverftekening door Arie Lieman in het Historisch Museum Moerman te Apeldoorn.
Jan Hendrik Ameshoff, de opvolger van Gunning, laat op 31 oktober 1826 een notariéle akte opmaken met de eigenaars van de belendende gronden langs de Grift vanaf de Kostersbrug in het dorp Apeldoorn tot aan de papiermolen de Vlijt. De hem toebehorende stroken grond en dijken - ter breedte van 3 ellen 8 palmen aan weerszijden van de beek - worden afgebakend met 18 palen. Hij staat die gronden in erfpacht af voor een tijd van 99 jaar, de pachtprijs bedraagt 1 cent per jaar! Ameshoff bezat een warme belangstelling voor de prehistorie en trachtte steeds te verhoeden, dat oudheidkundige vondsten verloren zouden gaan. Aan zijn arbeid op dit gebied, waaraan menigeen heden ten dage een voorbeeld kan nemen, hebben we het te danken, dat veel van het gedurende zijn tijd in Apeldoorn gevondene bewaard is gebleven en een plaats heeft gekregen in het Rijksmuseum voor Oudheden te Leiden.
Een gemeentemuseum Apeldoorn bestond toen helaas nog niet.
De bekende ds Heldring, die zo veel voor Hoenderloo heeft gedaan, schrijft in een boekje 64) uit 1841 over de Vlijt en Ameshoff: "Hier toch ziet men, dat, ofschoon de kunst tot haren hoogsten trap van volmaaktheid te voeren, het doel van den heer Ameshoff is, en hij daarin op eene gelukkige wijze geslaagd is, echter een hooger doel: de zedelijke en godsdienstige beschaving, namelijk, zijner werkgasten, van hunne , vrouwen en kinderen, nauwer dezen edelen mensenvriend ter harte ging”. Dit komt ook tot uiting in een verslag over 1835 van de hoofdinspecteur van het onderwijs Mr Henricus Wijnbeek. We lezen daar o.a. het volgende: "Zoo bezocht ik in Apeldoorn eene zeer goede armenschool, waar een kweekeling van Prinsen, J. Kluyt genaamd, eere deed aan zijne opleiding. Hij telde meer dan 200 leerlingen. De kinderen, die in de groote papierfabrijk van den Heer Ameshoff arbeiden en in de week niet ter schole kunnen gaan, krijgen des zondagsavonds onderrigt van denzelfden onderwijzer.
Ook bejaarden, in die fabrijk arbeidende, worden daar toegelaten. De Heer Ameshoff en diens echtgenoote wonen dat onderwijs gezet bij en bekostigen hetzelve.” De armenschool te Apeldoorn lag aan de Vlijtseweg.
Ameshoff streefde voortdurend naar vernieuwing op het gebied der papierfabrikage en maakte de Vlijt tot een modelinrichting. Omstreeks 1840 had hij naast de bestaande molen een naar de eisen des tijds ingerichte stoompapierfabriek laten bouwen. Hierin bevonden zich een hollander of roerbak, gehouwen uit één stuk Namense steen, die 7500 pond woog en een hydraulische pers van 100.000 Nederl. ponden kracht; twee in deze omvang toen ongekende krachtwerktuigen in de Nederlandse papierindustrie.
Niet alleen de uitzonderlijk hoge koopprijs van de molen, maar vooral de bouw der nieuwe fabriek met een dergelijke grootscheepse inrichting moet Ameshoff genoopt hebben enorme bedragen in zijn bedrijf te investeren. Toch bleek de ondememing niet levenskrachtig te zijn, want al op 15 februari 1843 verkocht Ameshoff zijn papierfabriek aan Willem Hendrikus de Heus, eigenaar van een koperbedrijf en gasfabriek op het Vreeburg te Utrecht. De papiermolen de Vlijt wordt dan omgezet in een koperpletterij, die als zodanig nog steeds in werking is. Met deze gebeurtenis eindigt de .
historie van een uitermate belangrijke Apeldoornse papierfabriek, waarin tijden van vooren tegenspoed elkaar afwisselden en in welks rijke geschiedenis niet alleen de namen van Johan Steenbergen, Hans Alleman, Johan Evertsz. Cloppenburch, Potgieter, Gunning en Ameshoff, maar vooral die van Andries, Lodewijk en Judith van Aelst met ere vermeld staan. De geschiedenis van de overige papierbedrijven in onze woonplaats is te vinden in het hoofdstuk "De papiermolens van Apeldoorn”.

De oude handpapierberelding

"Prijkt de vindingrijke kunst ergens meer dan hier?
Van de onnutste vodden zelfs maakt men ’t nut Papier”.

(Rijmpje uit een kinderboekje van 1781 bij de afbeelding van het interieur van een papiermolen)

Voordat we ons bezig gaan houden met de andere papiermolens in de gemeente Apeldoorn, willen we eerst in het kort stilstaan bij de vervaardiging van het oude handpapier. Daarbij zullen zoveel mogelijk de technische benamingen achterwege blijven van de werktuigen die bij het maken van dit produkt nodig waren. Mocht iemand hiervoor toch belangstelling hebben, dan verwijs ik hem naar het artikel van H. G. D. Cramer: "Papiermakerij in vroeger tijd” (Bijdragen en Mededelingen Gelre, , dl. XIV. 1911). .

We begeven ons thans op weg om een kijkje te nemen in een oude Veluwse papiermolen. Onze wandeling voert langs de bedijkte bovenbeek; al gauw verbreekt een eentonig geklop de stilte der omringende natuur. Het zijn de hamers van het stampwerk, die dit geluid veroorzaken; een bewijs, dat de molen niet ver af kan zijn. Weldra zien we dan ook het houten gebouw met zijn voor de Veluwse papiermolens zo typerend dak. Schuimend en bruisend stort zich het beekwater op de schoepen van het rondwentelend rad. De half geopende deur noodt tot binnentreden. Een schaars licht valt door de kleine ramen en werpt een eigenaardig schijnsel op het interieur.
Het regelmatig geklop en gestamp der hamers vestigt onmiddellijk de aandacht op een onmisbaar onderdeel van de molen. Een door het waterrad in beweging gebrachte zware houten as doet door middel van in de as aangebrachte nokken (vuistels) van acaciahout een aantal - 5 a 7 - grote houten hamers afwisselend op en neer gaan.
De aan de onderkant van koperen wiggen voorziene hamers vallen in een met water en stuk gesneden linnen lompen gevulde bak (hamerbak) en vermalen na 6 a 12 uur de Iompenmassa tot de zogenaamde papierstof. Tijdens dit proces zorgt een regelmatige toevoer van schoon water voor de reiniging der lompen. Het daarvoor benodigde water werd door middel van houten buizen vanuit de bovenbeek of uit een speciaal daarvoor gegraven wijer naar de hamerbakken geleid. Bij de Hennemansmolens te Apeldoorn heette deze wijer dan ook de waswijer. Het overtollige water kon door een met fijn kopergaas voorziene opening weer uit de hamerbak worden verwijderd; zo nodig sloot men de toe- of afvoer af. De zich voor de opening bevindende hamer - de was- of roerhamer perste het vuile water door het gat heen en hield tevens de lompenpap gestadig in beweging.
Omstreeks 1700 deed de "hollander” zijn intrede in de papiermakerij en verdreef vooral in de Zaanstreek voor een deel het gebruik der hamers. Soms deden beide werktuigen naast elkaar dienst. De hollander is een ovale bak of trog, die door een tussenschot in de lengte in twee helften wordt verdeeld. Dit schot loopt echter niet geheel door, zodat, wanneer de bak met lompen en water is gevuld, deze massa een kringloop kan beschrijven. De circulatie wordt teweeggebracht door een wals of cilinder, die van een aantal messen is voorzien. Op de plaats, waar deze messen de bodem raken, bevinden zich eveneens messen. Wanneer men nu de hollanderwals laat draaien - nadat eerst water en lompen in de trog zijn gedaan - wordt, in korter tijd dan met hamers, eveneens papierstof verkregen. Een kap op de hollander dient om het wegspatten van de stof tegen te gaan.
De hollander is een Nederlandse vinding, die tegen het einde van de 17e eeuw in de Zaanstreek het eerst werd toegepast. Pas veel later verscheen dit werktuig op de Veluwe; in 1808 was er in Apeldoorn nog maar één molen met hollanders. Er lagen in 1828 in Gelderland 19 papiermolens, die zowel met hamers als hollanders werkten, terwijl alle andere bedrijven uitsluitend van hamers gebruik maakten.
Nadat de lompen in de hamerbakken of in de hollanders tot papierstof vermalen zijn, kan de vervaardiging van het handgeschepte papier een aanvang nemen. De stof wordt nu met behulp van een houten beker uit de hamerbakken of hollanders in een vat geschept. Telkens als dit vat vol is, stort men de inhoud over in een grote kuip, de stof- of schepkuip. Wanneer de kuip voldoende papierstof bevat, begint de papierschepper zijn arbeid. Hierbij gebruikt hij een "vorm”, een houten raam met een weefwerk van koperdraden. Om dit raam bevindt zich een afneembare rand, het "deksel”.
De koperdraden liggen zo dicht bij elkaar, dat de dunne lompenvezels er op achterblijven, maar het water er tussendoor kan wegvloeien. De papierschepper dompelt de vorm loodrecht onder in de dunne papierstof, heft daarna het schepraam horizontaal omhoog, waarbij het overtollige water over de rand in de kuip terugvloeit. Vervolgens schudt hij de vorm van links naar rechts en van voren naar achteren. Hierdoor zakt niet alleen het nog overgebleven water weg, maar krijgen de papiervezels een zekere samenhang. Een teer vel papier is reeds ontstaan. Na het afnemen van de losse rand schuift de schepper over een plank, die "schietplank” heet, de schepvorm door naar een andere arbeider, de "koetser”. Deze keert de vorm met het nog broze product om, drukt het papiervel op een gereed gelegd stuk vilt en neemt meteen de schepvorm weg. Zo gaat het aan één stuk door, totdat een bepaalde hoeveelheid vellen - steeds door vilten van elkaar gescheiden - gereed staat, de zogenaamde "post”. De post komt dan onder de natpers voor het verwijderen van het nog steeds aanwezige vocht.
Zo’n pers moest een flinke kracht kunnen ontwikkelen en was van zeer zware constructie. Bij het persen had men de hulp van alle arbeiders nodig; door het blazen op een koehoom werd hiervoor al het volk van de molen bijeen geroepen. Na afloop van dit zware karwei begon de taak van de "legger” of "leggerjongen”. Vaak waren dit jongens van 11 a 12 jaar. Voorzichtig neemt de legger vel voor vel van het zich daaronder bevindende vilt en legt de papiervellen op een stapel. De vrijgekomen vilten werpt hij achter zich. Het voortdurend gebukt staan bij hun werk - vooral van de leggerjongens - was oorzaak, dat vele papiermakers kromme benen, "papiermakersbenen”, kregen.
Het papier werd na het "leggen” opnieuw geperst; daarna ging het nog altijd vochtige product naar de "hangzolders” of "hangschuren” om te drogen. Aan de hoge hangzolders met de horizontaal hangende ventilatieluiken waren de Veluwse papiermolens direct als zodanig te herkennen. De vellen werden er in bundels bijeen aan klampen bevestigd of in volgorde van boven naar beneden over uit koehaar vervaardigde drooglijnen gehangen. Hierbij bediende men zich van lange houten stokken met een T-vormig uiteinde. Na het drogen was het papier nog niet geschikt voor schrijfpapier; de dunne schrijfinkt werd er door opgezogen. De dikkere drukinkt veroorzaakte echter geen last en zo drukte men in vroeger tijd de boeken vaak op het aldus bereide papier. Om het uitvloeien van de schrijfinkt tegen te gaan, werden de vellen na het drogen gelijmd. Dit gebeurde door de papiervellen één voor één onder te dompelen in een pot met verwarmde dierenlijm. Daarna kwamen ze onder de lijmpers.
Tenslotte werden de vellen gladgemaakt, gesorteerd en tot "riemen” verpakt. Om elke riem kwam een dekblad met het merk van de papiermaker, de zogenaamde "kap”. Het papier lag voor verzending gereed. Straks konden schrijvers en boekdrukkers hun werk beginnen.

"’t Papier, nu tot een boek geworden,
Is eens een voddenhoop geweest;
Gewezen lorren zijn de bladen,
Waarop gij thans uw versjes leest.

Indien gij later zelf zult schrijven,
Schrijf dan iets goeds en schrijf iets waars,
Iets wat verlichten kan en leeren,
Maar nooit iets kwaads en nooit iets naars.

Men mag papier van lorren maken,
Opdat men ’t door het schrift versier’,
Maar niet door d’inhoud van het schrijven,
Weer lorren maken van papier.”

(gedichtje van Dr E. Laurillard uit ca 1860 in een herdruk van het Vaderlandsche A.B. Boek uit 1781).


Don't have an account yet?Register Now!

Sign in to your account