27 - 10 - 2021
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag32
GisterenGisteren129
Deze weekDeze week254
Deze maandDeze maand2509
Alle dagenAlle dagen76523
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index



De papiermolens in Loenen en Zilven

De stichtingsjaren der meeste Loenense papiermolens zijn niet precies aan te geven.
Uit de stukken is vaak moeilijk na te gaan, welke molen op een bepaald moment bedoeld wordt. In het begin heten ze vaak naar de eerst daarop werkzame papiermakers, doch later verschijnen andere eigenaars of pachters, waarna de naam van het bedrijf zich opnieuw gaat wijzigen. In Loenen kwamen nogal eens papiermakers voor, die niet steeds op een en dezelfde molen bleven, doch als sprinkhanen van de ene papiermolen naar de andere hipten. Dit maakt vaak het schrijven van een doorlopende geschiedenis van een molen uitermate moeilijk. In Apeldoorn en elders op de Veluwe ontbraken dergelijke springers evenmin. Het maken van een doorlopende geschiedenis van iedere Loenense papiermolen is dan ook verre van gemakkelijk; insommige gevallen zo goed als onmogelijk. Misschien kan een meer uitgebreid archief‘ onderzoek uitkomst brengen, doch momenteel ontbreekt daarvoor de tijd. Aan de hand der nu beschikbare gegevens zullen we proberen een aantal belangrijke en interessante gegevens uit de historie van de in dit deel der gemeente Apeldoorn gestichte papiermolens naar voren te brengen. Wat de juiste ligging en de namen van de daarop gevestigde papiermakers betreft, doen we dit met het nodige voorbehoud.
Het water van de papiermolens in Loenen en Zilven - in sommige gevallen eveneens het getimmer en de grond - is later in het bezit der Hackforts. In 1763 behoren onder Terhorst "’t water en gront van zes waterpapiermolens”, die aan papiermakers verpacht zijn. Op een kaart 116) van ca. 1807 zien we in Loenen een zevental papiermolens. Het zijn Hunekampsmolen (1), Slatsmolen (2 of 3), Bovenste Molen (2) en Achterste Molen (2). De tussen haakjes geplaatste cijfers geven het werkelijke aantal molens aan. Zodoende komen we omstreeks 1807 op een totaal van 10 of 11 papierbedrijven in Loenen. De komst der papiermakerij gaf de eerste stoot tot een langzame, doch gestadige groei van het dorp. Thans nog nemen de Loenense papierfabrieken een voorname plaats in onder de in de gemeente Apeldoorn gevestigde bedrijven.

De papiermolen van Wolf Gabriels (Wolfsmolen)

De molen van Wolf Gabriels - de eerste papiermolen in Loenen - is omstreeks 1628 gesticht in de omgeving van het kasteel Terhorst en zal misschien gelegen hebben in de buurt van de nu verdwenen waterkorenmolen van Wilbrink in het Slat, Molen Allee 27. In 1627 vraagt Alardt Hackfort - de toenmalige eigenaar van Terhorst - het waterrecht van een "klein beeksken, dat by syn Huys tot Loenen was loopende waerop by gelegentheyd wel een pampiermoelen soude konnen gelegt worden, ’t welk hy onder syn huys niet geerne van een vreemde solde sien”. Hackfort wil zich bij voorbaat verzekeren van ’t recht op het water, teneinde de zeggenschap over het beekje te hebben en zodoende te verhinderen, dat een ander daarop een molen gaat leggen. Hij kan dan zelf bepalen, wie hij onder de rook van zijn kasteel als papiermaker wil hebben en tevens de pacht in eigen zak steken. Want bij het indienen van het verzoek zal - al zegt hij zulks niet - het geldelijk voordeel wel de voornaamste rol hebben gespeeld. De rekenkamer keurt de aanvraag goed en Hackfort verwerft zo de erfpacht van het beekje. Zijn zoon en opvolger Olivier Hackfort probeert in het bezit te komen van het recht op al het water in Loenen en Zilven en op 12 oktober 1657 ontvangt hij daar in erfpacht een aantal beekjes en waterlopen, benevens de vergunning die in de oude molenbeken te leiden. De bedoelde watertjes zijn:

1. Het water of beekje onder Jan Goessens molen naar het Loenensche broek lopende
2. het beekje dat uit den Ruiterenberg spruit lopend door het Loenensche veen (in een afschrift op het Algem. Rijksarchief staat Vrijenberg in plaats van Ruiterenberg; heeft deze laatste benaming ook iets te maken met het gevecht bij de Vrijenberg?.
3. het recht boven en onder de molen van Hackfort.
4. het water waardoor de papiermolen van de pachters van Cornelis Hendrickx wordt gedreven.

Kort na 1627 moet met de bouw van de eerste Loenense papiermolen zijn begonnen, want in het rekenboek 117) van Olivier Hackfort over 1630/1661 lezen we, dat voor de tijd van negen jaar aan "Mr. Wolliff Gabriels” verpacht is de gerechtigheid "van den waeter, alwaer den pampiren Muelen opgaet”. De pachtbetaling waaronder ook die van de grond - zal ingaan met Pasen 1630 en per jaar 32 gulden bedragen, benevens hetgeen verder in de pachtcedul bepaald is. Later vernemen we, dat Gabriels behalve ’t geld jaarlijks een gerookte zalm en een suikerbrood van 8 pond moet leveren.
De pas gereedgekomen papiermolen is geen lang leven beschoren geweest, want tijdens de inval der Spanjaarden op de Veluwe in 1629 steken deze hem in brand, waarbij tevens de gehele voorraad lompen verloren gaat. De molen wordt spoedig nieuw opgetrokken en op 7 juli 1631 is sprake van de plek, waar "de Wolfsmeulen op staet”. Gedurende "een helderen middach” van het jaar 1640 kraait weer de rode haan op de papiermolen, die door "een groot ongelick ten eene maelen tot as” verbrandt. Hiervoor krijgt Wolf Gabriels twee jaar kwijtschelding van pacht. In 1643 leent "Mr.Wolliff” 31 gulden van Hackfort voor de aankoop van lompen, welk bedrag hij op 21 november "eerlix” blijkt te hebben teruggegeven. Het verpondingskohier van het ambt Apeldoorn over 1648/ 49 vertelt ons, dat de molen toebehoort aan Wolf Gabriels en met 3 hamerbakken werkt. Het waterrecht heeft Olivier Hackfort. Met ingang van Pasen 1650 worden water en grond - nu voor 6 jaar - opnieuw verpacht aan Wolf Gabriels, doch thans voor 50 gulden per jaar; bovendien de "gereuckte sallim” (gerookte zalm) en het suikerbrood van 8 pond. Over Wolf Gabriels vernemen we nog op 24 april 1656, doch daarna niet meer. Wel komt enige jaren later de benaming Wolfsmolen weer voor.
Zijn opvolger is misschien Hendrick Bernts, die met Pasen 1659 de pacht betaalt van ’t water "lopende over het rat van synen Mullen”. We hebben hier te doen met een bovenslagsmolen. De jaarlijkse geldpacht bedraagt 45 gulden. In 1659 geeft Hendrick Bernts in opdracht van zijn pachtheer vijf gulden van het pachtbedrag aan Jan Elberts van Renes te Beekbergen. Deze 5 gulden had Renes nog tegoed van Wolter Gerits op de Woeste Hoeve, die door Hackfort van laatstgenoemde was gekocht. Bernts, wiens molen onder het hoofd "Hendrick Bernts pampire Mulen” voorkomt in het pachtboek van Terhorst, heeft in 1659 eveneens de verschuldigde 10 pond suiker "eerlick betaelt ende voldaen”. Hackfort bestelt voor rekening van Bernts bij Jacob Reijnders 1 molder mout, waarvan de kosten 5 gl. 8 st. bedragen. Hiervoor levert Hendrick Bernts aan Hackfort in natura 3 spint spurriezaad (waarde 2 gl.) en voldoet het resterende bedrag in geld. In 1669 brengt Bernts uit Amsterdam voor 9 gl. 18 st. aan specerijen mee; de rest van zijn pacht verrekent hij met 11 zilveren dukaten ter waarde van 34 gulden en 13 stuivers.
De pachtboeken (N.B. Bij de historie der Loenense molens steeds inplaats van pachtboek(en) te lezen: rekenboek(en)) van Terhorst vertellen ons een schat van merkwaardige dingen over de Loenense papiermakers. Ze geven tevens een verhelderende kijk op het papierbedrijf van die dagen. We zien, dat de papierbereiders regelmatig de lang niet gemakkelijke reis ondernemen van Loenen naar Amsterdam. Daar worden zaken gedaan, contacten met afnemers verstevigd en nieuwe relaties aangeknoopt. Vaak zullen ze meegereisd zijn met de eigen voerlui, wanneer deze met paard en wagen het papier vanaf de molens over de Veluwe naar Amsterdam brachten. Misschien ging het soms tot Harderwijk of Kampen en vandaar per schip naar Amsterdam. In die stad doen de papiermakers op verzoek van Hackfort dikwijls de meest uiteenlopende boodschappen, die ze dan op de thuisreis meebrengen. Een enkele keer doet ook de "boer” (= voerman) een opdracht voor de kasteelheer van Terhorst.
We merken uit dit alles, dat de vroegere papiermakers van Loenen - en ook hun collega’s in het overige Apeldoorn en van de Veluwe - voor het merendeel echte zaken- en vaklieden zijn geweest, die niet tegen een lange reis opzagen om hun produkten aan de man te brengen. Vermoedelijk zijn hun wagens op de terugreis niet leeggeweest, maar voor de papierfabrikage onontbeerlijke lompen hebben meegenomen.
Wat voor boodschappen werden er nu wel in Amsterdam voor de Hackforts gedaan? Ze waren van de meest uiteenlopende aard, doch de specerijen vormden het leeuwendeel. Deze kon men in die tijd in het ambt Apeldoorn nauwelijks of in het geheel niet krijgen, evenals vaak de sinaasappels en citroenen.
Vooral papiermaker Hendrick Bernts is een echte boodschappenjongen. Uit de pachtlening van mei 1669 vernemen we, dat hij te Amsterdam in het afgelopen pachtjaar voor rekening van Olivier Hackfort heeft gekocht: 10 pond ris (rijst) voor 1 gl. 10 st., 2 pond krenten 10 st., 2 pond lange rozijnen 5 st. p.p., 2 pond "coock” rozijnen 6 st., 1 pond peper 13 st., 1/2 pond "muschaeten (muskaatnoten) 1 gl. 8 st., 1/2 pond foelie 3 gl. 6 st., 1A pond nagelen 1 gl., 1/2 pond "suickercandi” (kandijsuiker) 5 st., voor 12 stuiver "sasseraen” (saffraan). Het "benneke” (mandje), waarin de kruiden zijn vervoerd, kost 9 stuiver. Een jaar later doet Bernts opnieuw een aantal boodschappen, waaronder een half pond "gimber” (gember) voor slechts 3 stuiver. Een 124 pond kaneel kost heel wat meer 1 gl. 6 st., 4 pond "corte amandelen” doen 1 gl. 4 st. Verder heeft hij nog een "tonneke ansovis” (tonnetje ansjovis) gekocht voor 2 gl. 15 st., 2 pond "stiffel” (stijfsel) 5 st. en M1 pond "blausel” (blauwsel) 2 stuiver.
In 1661 zorgt Arijen Goesens "pampiere maecker op de Ondersten Mulen” voor een slijpsteen uit Amsterdam, die 3 gl. 12 st. heeft gekost. Hij laat er voor het luttele bedrag van één gulden twee spiegels voor Hackfort veranderen en brengt bovendien twee pond nootmuskaat mee.
We keren terug tot de papiermaker Hendrick Bernts. Deze heeft omstreeks 1661 van Hackfort 6 molder rogge gekocht voor 49 gl. 4 st. Bernts laat dit bedrag door zijn huisvrouw Lisbet voldoen. De zaak klopt echter niet "het sijn maer gewest 48 gulden di si gegeven heeft” tekent Hackfort aan "eenen gulden blieft quaet”. Hij wil deze gulden korten aan de specerijen, die de vrachtrijder van Bernts voor hem te Amsterdam zal kopen. Maar voor de gulden "die te quaede bleef” levert vrouw Lisbet echter spurriezaad.
Met toestemming van Olivier Hackfort verkoopt Hendrick Bernts in 1661 "synen pampire muelen” aan Teunis (Tonis) Hendricks. Hendrick Bernts vinden we later (1668) op de papiermolen op de Horsterkamp. De pacht voor Teunis Hendricks is hoger en bedraagt 61 gulden, benevens 10 pond poedersuiker, een riem schrijfpapier en een gerookte zalm. Ook moet de nieuwe pachter "eens voor een ransoen eenen rosenobel” geven. Op 25 juli 1662 betaalt Teunis Hendricks de rosenobel van het "ransoen” met elf gulden, terwijl hij op 1 mei 1663 voor het eerst de pacht verrekent.
Hij doet dit ook in 1664. In 1666 lezen we, dat de "Wolfsmoelen” dan verpacht is aan Tonis Henrix voor 61 gulden, 1 gerookte zalm, 10 pond suiker en een halve riem schrijfpapier. Behalve het verschil van een halve riem papier klopt dit alles precies met de pachtvoorwaarden bij de verkoop in 1662 van Hendrick Bernts "synen pampiere muelen” aan Tonis Hendricks. Er bestaat alle reden om aan te nemen, dat met de Wolfsmolen en de papiermolen van Hendrick Bernts een en dezelfde molen is bedoeld.
Een akkoord van 4 mei 1668 tussen Alardt Hackfort en een zestal papiermakers in Loenen over het maken van verlaten in de molenbeken noemt Toenes Henderic Hendricksen als papierarbeider op de "oude moele”, terwijl Toenes Hendrix op de "nuwe” molen zit. In 1664 geven de erfgenamen van Loenen en Zilven vergunning voor het leggen van twee papiermolens, waarvan een onder "Tonis Hendricks Mulen”. Hiermede zal dan de Wolfsmolen zijn bedoeld. Het is nog steeds niet volkomen duidelijk waar we deze oude en nieuwe molen moeten zoeken.
In de jaren 1672/ 74 drukt de hand van de Franse bezetter zwaar op de bevolking der Veluwe. Ook Tonis Henrix moet dan meebetalen aan de "Koninklijke schatting”.
Voordat we ons verhaal over de Wolfsmolen besluiten volgt in het kort iets over de telkens genoemde suikerbroden. Dit uitsluitend uit suiker vervaardigde produkt had de vorm van een brood, vandaar de naam. In het bedrijf van de Wester Suiker Raffinaderij te Amsterdam was tot voor kort nog een afdeling, die zich bezig hield met het maken van suikerbroden. Het normale gewicht daarvan was toen 2 1/2 kg. Grotere broden werden slechts in kleine aantallen aangemaakt. De Wester Suiker Raffinaderij is inmiddels opgeheven en er worden in ons land geen suikerbroden meer gemaakt. Suikerbroden waren het eerste produkt van de Amsterdamse raffinaderijen. Het oudste bedrijf was gevestigd in de huidige Suikerbakkersteeg, tussen N.Z. Voorburgwal en Nieuwstraat. In 1700 waren er in Amsterdam niet minder dan 113 raffinaderijen.
Sinds lang waren de suikerbroden niet meer bestemd voor binnenlands gebruik. Maar export was gebleven en ging nog altijd naar dezelfde gebieden. De afnemers van suikerbroden waren uitsluitend de Arabische landen. De suikerbroden werden verpakt in donkerblauw papier, waarop een etiket kwam met Arabische tekens en een oude driepijper, een ouderwetse stoomboot. Om het blauwe papier werd een touwtje gewikkeld met een lusje eraan, zodat men de broodjes kon ophangen bijvoorbeeld in een tent of aan weerszijden van de rug van een kameel.

Jan Goesens molen (de Bovenste Molen?)

Op 12 oktober 1657 krijgt Olivier Hackfort de erfpacht van "het water of beekje onder Jan Goessens molen naar het Loenensche broek lopende”. Dan bestaat deze molen al. We lezen op 9 mei 1658 dat Pauwel Peelen aan Hackfort de waterpacht schuldig is van "Jan Goessens Mulen”. In het verbaal 113) der ambtslasten van het ambt Apeldoorn over 1661/ 63 komt een Arijen (Aryen, Aryan) Goesens voor als "pampire maecker”.Deze zal misschien dezelfde zijn als Jan Goesens. Een persoon met deze laatste naam komt ook in het verbaal voor, doch zonder vermelding van beroep. In het pachtboek 119) van Olivier Hackfort over 1657/1665 is sprake van "den Ondersten pampire Mulen daer Jan Goesens op gewoent heeft”. Het water van deze molen wordt ingaande mei 1659 verpacht aan Tennis Eynberts en Roliff Janss. Til van Hoochsoeren, ieder voor 100 gulden per jaar, benevens 5 pond poedersuiker en 30 appelen van "oranijen” en citroenen. We zien dat het hier een dubbele molen betreft. In 1660 voldoen beide pachters aan hun verplichtingen. Twee jaar later betaalt Teunis Eynbers de pacht van zijn molen, terwijl - in plaats van Roeliff Janssen van Til - die van de andere molen verrekend wordt door Arijen Goesens, een schoonzoon van genoemde Roeliff. Omstreeks 1661 koopt Arijen Goessens de leermolen "staende bi syne pampiere muelen” voor 100 gulden en een okshoofd wijn van Hackfort. lets eerder hadden de geërfden der Loenermark aan Hackfort overgedaan "het land of de plaats van de Onderste papiermolen met hof en droogplaats van de Leerenmeule”.
Zoals reeds is verteld, brengt Arijen Goesens, die "pampier maecker op den ondersten Mulen” wordt genoemd, in 1661 een slijpsteen mee uit Amsterdam voor de heer van Terhorst. Een jaar later betaalt Roeliff Jansen van Til de waterpacht voor zijn schoonzoon Arijen Goesens; hij doet dit ook in 1663 en 1664. In 1665 geeft Arijen 90 gulden, de ontbrekende 10 gulden levert de schoonvader.
Teunis Eijnberts, de pachter van de andere molen kwijt zich in de jaren 1662, 1663 en 1664 eveneens van zijn verplichtingen. Hij is dezelfde, die in de verbalen der ambtslasten over 1661/1663 voorkomt als Teunis Eijnbelts "pampiermaecker”. We vinden hem ook in 1668, wanneer Roeliff Jansen een verlaat mag zetten tussen de molen van Toenis Ambrosius en die van Toenis Enckbers. Het blijkt dat Tennis Eijnberts en Arijen Goesens nogal eens moeilijkheden hebben met de levering van de verschuldigde sinaasappels en citroenen. Bij de andere pachters is dit eveneens het geval. Deze vruchten moesten in Holland worden gekocht en waren daar misschien ook niet regelmatig te krijgen.
In het pachtboek 120) van Alardt Hackfort zien we, dat er op of bij het "Kijveen” (Kieveen) een dubbele molen ligt, waarvan in 1666 een zekere Willem (Cornelis?)" die in Arien Gosens plaets is gecomen” de jaarlijkse pacht van honderd gulden betaalt voor "syn halve gepagte molen”. Ook geeft hij de toebaten.Hieruit valt op te maken, dat de "onderste pampire Mulen daer Jan Goesens op gewoent heeft”, dezelfde moet zijn als de molen op of bij het Kieveen.
De tegenovergelegen papiermolen blijkt nog steeds voor 100 gulden verpacht te zijn aan Tonis Eijnberts (Engberts), die "dese geltpagt op mei 1666 verschenen ten vollen betaelt heeft”.
Beide molens samen brengen Hackfort per jaar 200 gulden op, de toegiften niet bij gerekend. Wanneer we de pachtopbrengsten van al zijn molens in Loenen en Zilven over één jaar eens bij elkaar optelden, zouden we zien welk een rijke en jaarlijks terugkerende bron van inkomsten deze voor hem vormden. Geen wonder, dat de Hackforts - en anderen met hen - erop uit waren zich tijdig te verzekeren van de erfpacht van al het water in hun omgeving en door het laten graven en omleggen van beken nieuwe mogelijkheden te scheppen voor het leggen van nog meer molens. De daarin gestoken gelden brachten een steeds toenemend bedrag aan interest op. De groeiende vraag naar papier werkte het stichten van nieuwe molens in de hand. Een voortdurende stijging der wateren molenpachten was daarvan weer het gevolg. De hoge pachtprijzen waren in tijden van slapte en tegenslag er vaak de oorzaak van dat sommige papiermakers in moeilijkheden geraakten en niet aan hun verplichtingen konden voldoen. Tot delging der steeds meer oplopende pachtschulden moesten ze tenslotte hun molens tegen taxatieprijzen van de hand doen. Op deze wijze kwamen in de 18e eeuw de meer dan 20 papiermolens te Vaassen en omgeving in het bezit van de heren van Cannenburch, die er het waterrecht van alle beken bezaten en dit recht dikwijls uitbuitten ten koste van hun pachters, de papiermakers. Een dergelijke handelwijze vernemen we niet van de Hackforts in Loenen. Maar in elk geval leverde hun het luttele bedrag, dat ze jaarlijks voor het waterrecht der Loenense beken aan de rekenkamer te Arnhem verschuldigd waren, een uitzonderlijk hoge rente op! In de kerspelen Apeldoorn en Beekbergen lag de zaak anders, daar bleef het grootste deel der molens bijna altijd het eigendom der papiermakers. Dit lag hoofdzakelijk aan het feit, dat deze mensen zelf vroegtijdig de erfpacht van water en grond verworven hadden. Een uitzondering vormden de molens van Het Loo en een aantal papiermolens in Orden.
In 1667 betaalt Tonis Engberts nog altijd de 100 gulden voor zijn molen, terwijl dan in plaats van de Cornelis uit 1666 Peter Jansen hetzelfde bedrag geeft voor de andere molen, benevens 10 pond suiker. Het volgend jaar voldoet Tonis eveneens zijn pacht; er staat vermeld, dat hij de suiker "tot dit jaer toe” verrekend heeft. Volgens het pachtboek over de jaren 1666 - 1686 geeft Tonis Engberts in 1672 aan Alardt Hackfort een "ordenantie” van honderd gulden op zijn "factoor” te Amsterdam. De meeste Veluwse papiermakers hadden een vaste agent in Amsterdam, soms ook in Rotterdam of andere plaatsen, de zogenaamde factoor, die als groothandelaar in allerlei soorten papier contacten legde en onderhield met de binnenlandse afnemers. In de bloeitijd der handpapierindustrie was de capaciteit der Veluwse papiermolens vaak niet voldoende om de vele opdrachten uit te voeren, die de handpapiermakers door bemiddeling van hun factoors ontvingen. Op 29 mei 1623 beklagen zich twee Rotterdamse kooplieden over Lodewijk van Aelst wegens het niet nakomen van een contract, waarbij laatstgenoemde zich had verplicht "omme voor den tijt van twee achtereenvolgende jaeren aen henlnyden te leveren alle het pampier, dat hij, van Aelst, op syn twee molens, staende tot Rosendael in Gelderland, alsmede op eene molen staende tot Apeldoorn, soude laten maecken”. Er bestaat een contract uit 1654 tussen een andere Veluwse papiermaker en een Amsterdams koopman, waarbij de eerste op zich neemt het maken van "soo veele witte ende grauwe kardoespapieren, mitsgaders blaauwe snijckerbakkerspapieren als hem doenlik sal sijn.” De hier genoemde "blaauwe snijckerbakkerspapieren” zullen voor een deel wel gediend hebben voor de verpakking van suikerbroden. .
Een enkele keer zien we, dat papierinkopers en factoors een vordering hebben op, een papiermaker. Op 13 december 1675 121) wordt een "seeckere pampire molen” in Loenen, waarvan Alardt Hackfort de grond toebehoort - en die eigendom is van Cornelis Henderiksen (Hendricks) en diens echtgenote Willemken Henricksen - bezwaard met een bedrag van 1300 gulden a 5 % "ten profijte van Sinjeur Anthonij de Haes, pampiercoper en Sinjeur Matijs Hooghuijs, factoor van de Veluwsche pampieren”. Tot zover de factoors en kooplieden.
Het is mogelijk, dat de hierboven vermelde "Onderste pampire Mulen” van Jan Goessens, die later voorkomt als de molen op en bij het Kieveen, dezelfde is als de Bovenste Molen, nu stoomwasserij Tabor, Molenallee 20, Loenen. De onderste molen van Jan Goesens heeft vanzelfsprekend niets uitstaande met de tegenwoordige Achterste of Onderste Molen bij de Deelsum (thans fabriek Schut en Berends), want de stichting van deze laatste papiermolen dateert enige jaren later.
We slaan thans een groot aantal jaren over en vinden in 1812 Jan Gijsberts ten Buurkes (geb. 1 januari 1774) als papiermaker op een der Bovenste Molens. Hij woonde in huis no. 42 (toenmalige nummering). Op Bovenste Molen II zat in 1808 de papiermaker Derk Ligt, de vervaardiger van 5 soorten papier. In 1813 komt Jan ten Buurkes nog voor op Molen I, evenals in 1815. Het volgend jaar moet hij wegens overtreding van de patentwet zijn molen sluiten op last van de burgemeester van Loenen, dat een tijdlang een afzonderlijke gemeente heeft gevormd. Jan Gijsberts ter Buurkes richt een verzoek aan Gedeputeerde Staten van Gelderland waarin hij vraagt"dat de molen weder moge worden ontsloten”. Gedeputeerden beschikken goedgunstig op het verzoekschrift en gelasten de wederontsluiting van de molen. In 1819 is sprake van een 5 baks papiermolen "de bovenste molen”. Later (1823) zit A. Aamink als papiermaker op Molen I, in 1847 J. Aamink (ook nog in 1851). De Bovenste Molen is al sinds geruime tijd omgezet in stoomwasserij. Slechts de naam en een waterval houden de herinnering levend aan de vroegere waterpapiermolen.

De papiermolen(s) van Cornelis Hendricks (molens op of achter de Horsterkamp bij de Heselheg)

Van een andere papiermolen in Loenen vernemen we op 12 oktober 1657. Dan geeft, de rekenkamer aan Olivier Hackfort o.a. de erfpacht van ’t water, waardoor de papiermolen van de pachters van Cornelis Hendricks wordt gedreven. Deze papiermolen - die reeds in 1657 als zodanig bestond - was toen door Hendricks aan anderen verpacht. Wie deze mensen zijn, wordt ons niet gezegd. Hendricks zelf staat ook als papiermaker te boek, want op 9 mei 1658 rekent de "pampiermaecker” Cornelis Hendricks met Hackfort de jaarlijkse pacht van 10 gulden af voor de "hooff” (= l hof). Die van de molen - 30 gulden jaarlijks - komt gedurende de eerste acht jaar uitsluitend Mr. Pauwel Peelen toe. Deze Pauwel Peelen zal wel dezelfde zijn, die in 1646 kwestie heeft met de Ugchelse papiermaker Jacob Jacobs. Het is vreemd, dat in ’t begin wel gesproken wordt van de pacht van hof en molen, maar niet over die van ’t water. Een jaar later is het precies andersom. Behalve de tien gulden voor de hof moet Cornelis ieder jaar aan de heer van Terhorst geven: een gerookte zalm, een riem schrijfpapier en tien pond "pachtsuiker". In 1658 komt hij met Hackfort overeen in dat jaar - in plaats van het schrijfpapier - 10 pond "potsuiker” (= poedersuiker) te leveren en voor de gerookte zalm een aantal specerijen, waarvan de prijzen vermeld worden.
Zo geeft Hendricks 1 pond rompen (misschien de schalen of basten van muskaatnoten) ter waarde van 2 gl. 16 st., 1 pond peper 11 st., 1 pond foelie 1 gl. 15 st., 14 pond nagelen 1 st. en 8 penningen, 4 pond "corinte” (= krenten) 1 gl. 1 st., 2 pond "lange” rozijnen voor 9 st. (dit waren grote langwerpige rozijnen met pit, die o.a. in de kruidmoes gebruikt werden), 2 pond "coock” rozijnen voor 3 st. 8 penningen. Met "coock” rozijnen werden de kleine rozijnen bedoeld, die men - na eerst koken - vaak op sterke drank zette.
Verder staat aangetekend, dat Cornelis Hendricks de pacht voor de hof bij assignatie van Hackfort ter hand heeft gesteld aan Jan Ponsen "op reeckeninge van het huis op de Woeste Hoeve te decken (dus voor verrekening der kosten van een dakbedekking op het huis op de Woeste Hoeve).
Zoals we straks telkens zullen zien heeft de hier genoemde Cornelis Hendricks nogal wat betekent in de historie van de Loenense papiermolens der 17e eeuw. We vinden hem o.a. bij de molen op het Slat, de Middelste en Achterste Molens en bij de Hunekampsmolen.
Op 3 augustus 1663 komen de geërfden van Loenen met Cornelis Hendrickx en diens huisvrouw Willemken Hendrickx overeen, dat Cornelis van nu af "de Beecke aen sijn Pampieren meulen tot Loenen gelegen oostwaert aen den Heer van der Horst sijnen kamp, soo wijtt sijnen beeckendijck is streckende” zodanig zal maken, dat het water daarvan "genoeghsaem binnen boorts” kan blijven. Bij overvloedig water of tijdens noodzakelijke timmerij aan de molen mag hij "de Silvoltse beecke aen het Sladt” op twee plaatsen "lossen” en het water door de oude bedding leiden. Ook moet Hendrickx zijn "beeck en dijk tot tegen het Schaer en oostenhoek vant Veenh” goed onderhouden. Hij dient ieder jaar in mei de beek te ruimen en gedurende 14 dagen "die hoijlanden ende broecklanden tot genoegen te wateren”. Verder moet hij des zondags "eersijde beecke laten uijtlopen” en bij de eerste beekruiming of schouw drie tonnen "mollen” (droge turfmolm) geven aan de geërfden. Wanneer Cornelis Hendrickx zijn beek op de bovengenoemde twee plaatsen laat "nijtloopen” is hij gehouden het water "schadeloos te leveren inde oude beecke tot aen de koemate toe”. In het bovenstaande wordt gesproken over de "Silvoltse beecke aen het Sladt” en over een "oude beecke”. Voor de aanleg van nieuwe papiermolens - waaronder die van Cornelis Hendrickx - werd omstreeks 1657 een "nieuwe Silvolse” beek gegraven, waardoor ook de molenbeek uit Zilver het water op die molens kon brengen. In een proces 122) uit 1663 lezen we, dat op de (oude) Zilvense beek oorspronkelijk alleen een korenmolen heeft gelegen en dat beneden deze molen een ander beekje "daerin loopt, genoemt die Moerbeecke ofte bruijtbeecke”. Volgens de huislieden was de laatste benaming ontstaan, doordat "een bruijt (= bruid) weleer daerinne verdroncken is”. Later is de naam verbasterd tot Bruisbeek.
Het water van genoemde twee beken uit Zilven werd tussen 1655 en 1660 door een nieuw gegraven bedding - de nieuwe Silvolse beek - gebracht in de "Loense” of "Lunse” beek bij het kasteel Terhorst. Dit was in opdracht van Olivier Hackfort geschied "tot beneficie van sijne nieuwe pampierenmuelens”. Door deze omlegging kwam een gedeelte van de oude Zilvense beek zo goed als buiten gebruik.
Uit de pachtafrekening van mei 1668 blijkt dat Olivier Hackfort dan van Pauwel Peelen diens recht op het halve water van de molen heeft gekocht. Voor die tijd had hij dit met Peelen "halliff” gehad. Deze laatste was Hackfort ook jaarlijks de waterpacht schuldig van Jan Goesensmolen.
Ingaande mei 1668 verpacht Olivier Hackfort het recht op ’t water en de plaats "daer een pampire mulen op leyt” voor 22(!) jaar aan Cornelis Hendricks tegen 120 gulden per jaar, benevens 10 pond poedersuiker en een halve riem schrijfpapier. Verder moet Hendricks driemaal per jaar "twintich appelen van oranijen (sinaasappels) ende citroenen” geven. Er wordt behalve over de pacht van de plek, waarop de molen staat - deze keer eveneens gesproken van de waterpacht. Over die van de molen rept men niet. De pachtsom ligt nu beduidend hoger; later zullen we zien, dat Cornelis dan 60 gulden verschuldigd is, dus de helft. Hieruit valt op te maken, dat we ook in dit geval met een dubbele molen te doen hebben. In het verbaal 123) der ambtslasten over het ambt Apeldoorn - lopende van 5 februari 1661 tot 4 november 1663 - komt een Cornelis Hendricks niet voor, wel Cornelis Hendricksen Huscamp. Deze zal misschien de papiermaker Cornelis Hendricks zijn, hij wordt als zodanig echter niet vermeld.
Olivier Hackfort verpacht in 1662 nog een plaats aan Cornelis Hendriks "om een pampiere muelen te leggen tegens sijne muelen over”. Er komt dus een tegenoverliggende molen bij. Hackfort schrijft, dat bedoelde molens gelegen zijn achter zijn "camp ofte omtrent de Heselheg”. Met deze "camp” wordt de Horsterkamp bedoeld, doch waar de Heselheg lag, hebben we niet kunnen vinden. Hesel zal wel slaan op de hazelaar. Omstreeks 1660 zijn er bomen omgewaaid in de "heselheg”.
De pacht voor de beide molenplaatsen met het water bedraagt 100 daalders aan geld; te weten voor de molen "die der leyt” 120 gulden en voor "die der geleyt sal worden” 30 gulden. Bovendien 10 pond suiker, een riem schrijfpapier, een gerookte zalm en 3 x per jaar 25 citroenen en sinaasappels. Indien de nieuwe molen over "een jaer ofte 1 langer niet ree of getimmerd waer” moet Cornelis toch de gehele pacht en de toebaten "ten vollen” betalen. Ook wordt bepaald, dat Hendrik niemand "mit graeven” schade mag berokkenen en wanneer er bruggen dienen te komen "sal hi Cornelis deselve op syne kosten te leggen geholden syn”. Hieruit valt op te maken, dat men een nieuwe bedding heeft gegraven of een bestaande loop omgelegd. Er moeten daar dan eigenlijk drie molens hebben gelegen. De ligging zoeken we bij Slat of bij de Bovenste Molen. Op 6 juli 1664 rekent Cornelis Hendricks met Hackfort de pacht af van "beyde muelens achter min camp aen de Heselheg gelegen”. Cornelis geeft zijn pachtheer‘ 100 gulden en bij "ordinante” van Hackfort de resterende vijftig gulden aan de predikant Holtius te Beekbergen. In mei 1666 betaalt Cornelis Hendricks weer een bedrag van 150 gulden, benevens 60 gulden pacht "wegens de onderste molen int broek” (de huidige Achterste Molen). Hendricks is in die tijd pachter of eigenaar van minstens 3 molens in Loenen. Hij verkoopt echter in 1666 zijn molens op de Horsterkamp (bij de Heselheg?) aan Tonis Ambrosius, die in 1667 de volle pacht van 150 gulden voldoet. Een jaar later betalen Tonis Ambrosius en de al eerder genoemde Hendrick Berndts ieder de helft. Berndts moet dan pachter zijn geworden van de andere molen. Hij geeft in 1669 - behalve de 75 gulden - een bedrag van 5 gulden, benevens 5 pond suiker voor "het halve oxhooft wijn voor de pagtcednl, synde twintick gulden”. Tonis Ambrosius levert zijn halve riem papier en ook de suiker, maar schenkt voor de 20 gulden van het okshoofd 8 gulden aan geld, terwijl het restant door hem is "verschoten aen cruit en loot”. Vreemd dat hij deze schuld afdoet met het leveren van kruit en lood!

Een papiermolen op het Slat

In een rekenboek 124) van Terhorst vinden we de "Moelen op ’t Slatt”. De opbrengsten nemen met mei 1671 een aanvang. Dan verrekent Tonis Hendriks met Alardt Hackfort de verschenen pacht voor een molen op het Slat met het luttele bedrag van 2 rijksdaalders. In de marge staat: "een oxhooft wijn van Cornelis gehadt, sal voor ’t overdoen sijn”. Vermoedelijk is de pacht overgedaan aan deze Cornelis. Daarna horen we pas in 1675 wat over de molen. Hackfort krijgt nu 5 gulden van "Marriken”, niet van Cornelis. In mei 1677 duikt ineens de Cornelis van het okshooft wijn weer op en betaalt 100 gulden. Drie jaar later geeft Hendrik Cornelissen, misschien een zoon van Cornelis Hendriks, 16 dukaten en 50 gulden. Er wordt bij het jaar 1680 in de marge vermeld, dat hij voor Hackfort een koe "vet geweit” heeft. Vervolgens vertelt ons het rekenboek, dat Hendrik Cornelis in 1682 een bedrag zal geven van 75 gulden, waarmede "dan de bovenstaende jaeren tot mei 1682 incluis betaelt sijn”.
Er "schiten nog 12 stuivers over” tekent Hackfort hierbij aan. Misschien heeft deze molen iets uitstaande met de door Cornelis Hendricks omstreeks 1662 getimmerde nieuwe papiermolen bij de Heselheg. De molen is dan gelegd op een beekje, dat gevoed werd door een tweetal sprengenstelsels. Na de afbraak van de molen, hetgeen in veel latere tijd is geschied, heeft men de onderbeek gedempt en het water onder de bovenbeek van de andere papiermolen door naar beneden geleid. Mogelijk was dit het molentje van Jan Limpers Hilbrink, die in 1786 op een der molens van het Slat zat. Limpers had in Loenen een klein papierbedrijf van 2 a 3 bakken, waar hij in 1808 één soort papier maakte. Hij was geboren 26 april 1751 en gehuwd met Aaltje Kluiver. Het echtpaar had 5 kinderen. In 1798/ 99 betaalt Jan Limpers 6 gl. 15 st. voor zijn molen maar ook 1 gld. voor "het kleijne Mooltjen”. Jan Limpers werkte met 1 knecht en verwerkte 600 pond lompen. Het gereedgekomen papier bracht hijzelf met de kruiwagen naar Zutphen, vanwaar hij telkens weer een portie lompen mee terug nam naar Loenen. In 1823 vinden we Hendrik Limpers Hilbrink (3 arbeiders), eveneens in 1851.
Naast grotere papiermakerijen vond men op de Veluwe ook enkele kleine papiermolentjes met een geringe produktie, waarin slechts een paar mensen werkten. Vaak waren dit uitsluitend familiebedrijfjes. Volgens Limpers zou de eerste papiermolen in Loenen destijds in de omgeving van het Slat zijn gesticht.

De papiermolen van Rutger Swarthoff achter de Horst gelegen

De onderscholtis Rutger Swarthoff wordt in 1690 125) genoemd als eigenaar en bewoner van een papiermolen achter het kasteel Terhorst. We lezen, dat "seker huijs, hoff, schuijr, pampiermolen met sijn recht en toebehoren, in Loenen agter die Horst gelegen, soo en als die tegenwoordig bij den Eijgenaer selffs bewoent wordt . . . Toebehorende Rutger Swarthoff en Metje Janss Echtelieden” op 21 mei 1690 in onderpand gesteld is ten behoeve van diens broer Jan Swarthoff. Deze laatste staat wegens vier "distincte genegotieerde obligatien ter somme van drie en twintig honderd en dertig gulden”, borg voor zijn broer Rutger. Op 11 juni 1690 worden "huijs, hoffstede, moelen recht van water met sijn aencleven van dien recht en gerechtigheden, omtrent de kerck tot Loenen gelegen, met het papier daer in gelegen” en eigendom van Rutger Swarthoff, bezwaard met 825 gulden, benevens "de costen en drie rijmen schrijff pampier”. Verder nog een bedrag wegens "verdient jura en verschot, die den Scholt Brienen toecomt”. Zulks ten behoeve van Jan Tomessen (Tomessen).
We zien hieruit, dat Rutger Swarthoff in 1690 eigenaar is van een papiermolen achter het kasteel Terhorst, waarvan gezegd wordt, dat deze ligt in de omgeving van de kerk te Loenen en recht van water heeft. Misschien een der molens op het Slat. Maar daarvan bezat Hackfort het waterrecht.
In elk geval is dit laatste in 1713 in handen van de heer van Terhorst, want in een pachtboek 126) der Hackforts wordt dan de opbrengst vermeld van "Ruetger Swaerthoefs muelen”. Bij de betaling komt geen Rutger te pas, doch wel een Metien Swaerthoef, die op 8 mei 1713 vijftig gulden pacht geeft. Met deze Metien is Rutgers vrouw Metje Janss. bedoeld. Rutger Swarthoff moet voor die tijd zijn overleden. In augustus 1715 - zo schrijft Hackfort heeft "mijn vrouw van Liepes Swaerthoefs vrouw op rekeninck van de verschenen pacht vieftigh guldens” ontvangen. Er is blijkbaar een achterstand in de betaling, want op 22 november van hetzelfde jaar laat Hackfort de dan nog verschuldigde pacht bij Liepes aan huis halen. Het is niet Liepes zelf maar weer diens echtgenote die betaalt. We lezen tenminste "aen Liepes huies doer sien vrouw ontfaengen 50 guldens op rekeninck van de verschenen pacht”. Waarom vrouwlief altijd met de duiten voor de dag komt is niet duidelijk. Hield zij de beurs of was Liepes misschien ziek? Zijn voornaam moet eigenlijk Philippus zijn geweest. Dergelijke verbasteringen vinden we ook bij andere namen: b.v. Maas voor Thomas; Rasmus of Asmus voor Erasmus. Op 8 december 1716 komt Liepes Swarthoff echter zelf z’n schuld afdoen.
De in het begin genoemde onderscholtis Rutger Swarthoff zal mogelijk een zoon geweest zijn van de custos (= koster) van Hall J. Swarthoff. Naar aanleiding van een kwestie, die gerezen was tussen de katholiek Hackfort en de meerderheid der hervormden te Loenen over de aanstelling van een lutherse schoolmeester door de heer van Terhorst, richtte de onderscholtis Rutger Swarthoff omstreeks 1680 in het dorp een bijschool op. Het geschil liep nogal hoog, zelfs de scholtis van het ambt Apeldoorn kwam er aan te pas. Hoe de zaak tenslotte is afgelopen, valt niet precies te zeggen. Straks zullen we zien, dat Rutger Swarthoff een tijdlang ook pachter was van de Achterste Molen II.

De papiermolen in het Strobroek

De papiermolen op de Strobeek - ook wel Strootbeek of Strobroeksebeek genoemd - stamt waarschijnlijk uit de 18e eeuw. Stroot, stroet of stro betekent drassig land. Het oorspronkelijk beekje zal verbeterd zijn door het graven van enkele diepe sprengen niet ver van de boerderij "de Vrijenberg”. Op 12 oktober 1657 verwerft Olivier Hackfort van de rekenkamer de erfpacht van een aantal waterlopen in Loenen, waaronder t het beekje, dat "uit den Vrijenberg spruit”. Zoals men zich zal herinneren, staat ineen ander stuk over dezelfde verwerving "Ruiterenberg”. De vrouwe van Terhorst geeft op 7 augustus 1670 vergunning tot het leggen van een volmolen op de "Vrijen, bergsche beek”. Misschien is dit de molen, die op 8 juni 1739 door W. Box gekocht wordt van de wed. A. Hackfort en toen tot papiermolen zal zijn ingericht. Willem Box heeft in 1749 drie knechts en meiden. Wegens geleverde en niet betaalde lompen komt hij diep in de schuld te staan bij Jan Everts Vierevant te Arnhem. Op 24 september 1762 verkopen Willem Box (Boks) en zijn vrouw Bartoldje Meijer hun papiermolen aan Jan Everts Vierevant. Boks wordt in 1766/ 67 nog genoemd op de molen, misschienwas hij toen pachter of werkte voor Vierevant. Hendrik ter Hoeve (Hoeven), gehuwd met Aartje Dries, koopt op 4 juni 1767 de papiermolen van Evert Vierevant. Ter Hoeve blijft daar werkzaam tot 1776/77, naar hem heet de molen dan het "Troeven meulentje”. Zijn weduwe zet daarna het bedrijf voort (tot 1792/93), vervolgens de zoon H. ter Hoeve. Deze heet in 1798 "Mr. papiermaker”, is 29 jaar oud en gehuwd met Willemina Meijerink, die in 1777 van Apeldoorn naar Loenen kwam. Het echtpaar heeft in 1798 twee kinderen.
H. ter Hoeven en G. de Groot zijn in 1808 papiermakers in Loenen, waar ze 5 soorten papier maken. Volgens een lijst uit 1823 zit H. ter Hoeve op "Stroobroeksmolen” met 3 arbeiders, die 7 stuiver per dag verdienen en per jaar 10 000 pond lompen tot 320 riem papier verwerken. Later vestigt men in de molen een wasbedrijf. In het begin van 1919 hing er nog een waterrad, dat kort daarna verkocht werd aan G. J. Bomhoff van de Middelste Molen. Op de plek van de vroegere papiermolen ligt thans het kampeerhuis "de Strobroeksmolen”, Hoofdweg 94, Loenen.

De Middelste Molen(s)

De voorgeschiedenis van de Middelste- en Achterste Molens brengt ons weer in aanraking met Cornelis Hendricks. Op 8 december 1663 dienen Bernt Alberts en Isac Muijs namens de mark een klacht tegen hem in bij de onderscholtis wegens het "op eigener anctoriteit” leggen van nieuwe molens in Loenen en Zilven, het zonder toestemming graven van beken en het omleggen van waterlopen in de gemene velden.
Hendricks gedraagt zich daarbij "of hij alleen Souverein Heer waer van Loenen en Sylven”. De klagers vinden "sulke souvereiniteit ten enen mael onlidelick” en laten Cornelis Hendricks bij monde van de onderscholt aanzeggen: "dat ghi u niet en sult hebben te onderstaen in ’t alderminste door gemeine velden te graven ofte wateren te verleiden”, en dient op te houden met "soo onbehoorlike actie”. Hendricks verklaart, dat hem zulks "niet aengaet, dat hij daer niet op antwoord, dat het den Heer van der Horst aengaet”. Hij beroept zich dus op Hackfort, die - blijkbaar zonder de geerfden erin te kennen opdracht heeft gegeven tot het graven en omleggen van beken in de markegronden. Partijen worden het echter met elkaar eens, want op 2 maart 1664 zeggen de erfgenamen van Loenen en Zilven "te kunnen liden en toestaen”, dat Olivier Hackfort "twe pampiermuelens den enen op den deelsnm en den anderen onder Tonis Hendricks muelen” laat leggen. Het gaat hier over de stichting van de Middelste en Achterste Molens hetgeen kort na 1662 moet zijn geschied.
Want op een kaart 127) van 1662 door H. van Gelder komen beide molens nog niet voor en is van een beekomlegging geen sprake. De beek beneden de vierde molen op de kaart is dan ook niet de tegenwoordige loop, maar de bedding zoals die liep voor het leggen der Middelste- en Achterste Molens. De hierboven genoemde molen van Tonis Hendricks zal misschien de Bovenste Molen zijn.
Over de Middelste Molens - later liggen er twee afzonderlijke bedrijven naast of tegenover elkaar - volgen thans enkele verdere gegevens. Klaas Nikkels is in 1749 papiermaker op een der Middelste Molens, hij staat in 1776/ 77 nog te boek "voor 1 jaar”. Op het andere bedrijf wordt Hendrik van Veelen genoemd (o.a. in 1739 en 1756). In 1774 is daar de weduwe van H. van Veelen, ze wordt nog vermeld in een lijst over 1780/ 81 "voor 1 jaar”. Vermoedelijk komt als haar onmiddellijke opvolger Jan van Delden, want in de zojuist genoemde lijst vinden we Jan van Delden niet alleen genoteerd staan voor de beide Achterste Molens, maar eveneens voor de ene Middelste Molen "nog voor een jaar”. Hij is daar kennelijk ook in 1784/ 85, eveneens in 1792/93, dan (1794/95) de weduwe van Delden. In 1798 is de weduwe er niet meer, maar Hendrik Jans van Delden, blijkbaar haar zoon. Hendrik Jans van Delden was gehuwd met Geertje Huiskamp uit Apeldoorn. Hij heet in 1798 Mr. papiermaker en heeft 1 kind. In 1808 vervaardigt hij 3 soorten papier; bij hem zijn in 1823 drie arbeiders in dienst, die 8 stuiver verdienen en 6000 pond lompen verwerken.
Op de molen van Klaas Nikkels (zie boven) komt in 1777 Hendrik Meijerink. In 1798 was hij 53 jaar en had 7 kinderen. Meijerink was gehuwd met Hendrika Dijkhuis, die in 1783 uit Apeldoorn kwam. Hendrik Meijerink leeft nog in 1812, drie jaar later wordt de wed. Meijerink genoemd. In 1823 zit H. de Goeij met drie arbeiders op de molen, evenals bij zijn buurman krijgen ze 8 st. Ioon en verwerken 6000 pond lompen.Beide molens branden in de middag van 26 juli 1886 af; het volgend jaar wordt er slechts één bedrijf weer opgebouwd, de huidige Middelste Molen. Teneinde het heldere van het afvalwater te scheiden was tussen de Middelste en Achterste Molens een houten schot in de beek gemaakt, dat de bedding over de gehele lengte in tweeén deelde. Hierdoor kon laatstgenoemd bedrijf eveneens zuiver water voor de papierfabrikage krijgen. Deze afscheiding is nu nog aanwezig. Nadat de papiermaker G. J. Bomhoff op 18 april 1908 zijn papiermolen te Apeldoorn - de bovenste der drie Stinkmolens - had verkocht, vestigde hij zich als papierbereider 0p de Middelste Molen. Al spoedig werd hij hier de vertrouwensman der gehele dorpsbevolking. Jarenlang was Bomhoff een gezien lid van de Apeldoornse gemeenteraad.
Door aankoop kwam de Middelste Molen in het bezit van de Cartonfabriek Wed. J. W. Schut N.V. te Loenen, die het oude bedrijf gelukkig intact liet. Wel werd de molen opgeknapt - uiterlijk helaas geen verfraaiing - en het waterrad vervangen door een ander. Het interieur bleef zoveel mogelijk in de vroegere toestand, hetgeen ten zeerste gewaardeerd moet worden. In de fabriek bevinden zich twee fraaie oude papierpersen en een unieke stoommachine. De Middelste Molen is thans de enige papierfabriek in ons land, waar nog van waterkracht gebruik gemaakt wordt. Een waardevol historisch bezit, waarop de bevolking van Apeldoorn trots en zuinig moet zijn..

De Achterste Molen of de Onderste Molen in het Broek bij de Deelsum

De achterste papiermolen dateert uit dezelfde tijd als de Middelste Molen. We weten dat Olivier Hackfort in 1664 van de geërfden vergunning had gekregen voor het leggen van twee papiermolens, waarvan een op "den Deelsum”. Met deze molen wordt de tegenwoordige Achterste Molen bedoeld, die nabij het erf de Deelsum is gesticht. De boerderij "de Deelsum” is onlangs afgebroken; bij eventuele naamgeving in die omgeving dient men aan de benaming Deelsum te denken.
De molen moet in 1665 gereed zijn gekomen, want een jaar later betaalt de ons bekende Cornelis Hendricks zestig gulden voor "de Onderste Moelen int Broeck bij den Deelsum”. In 1667 geeft Cornelis eenzelfde bedrag voor "sijn gepagte moelen”; hij doet dit ook nog in de jaren 1668, 1669 en 1670. Bij de afrekening over het laatste jaar is op 27 juni 1674 bij geschreven: "van Cornelis ontfangen negen ducatons en een half”. Naast de molen komt in 1670 een tweede papierbedrijf met een gemeenschappelijke trap naar beide zolders. Voor de nieuwe molen wordt in 1671 een pacht van 30 gulden betaald door Meister Rutger. Met deze Meister Rutger bedoelt Alardt Hackfort de reeds eerder genoemde papiermaker en onderscholtis Rutger Swarthoff. Hij wordt al gauw als pachter van molen II opgevolgd door Gerrit Reijnders Pannekoek. Deze komt juist in een moeilijke tijd terecht. Want een paar woorden in het pachtboek van Terhorst herinneren ons aan het beruchte jaar 1672, waarin de Fransen met hun bondgenoten Munster en Keulen ons land binnenvielen en een groot gedeelte daarvan veroverden. Gedurende de jaren 1672/ 74 legden de bezetters de bevolking , ongehoorde lasten op. De bewoners der Veluwe kregen het eveneens hard te verduren. Vandaar dat Gerrit Reijnders Pannekoek over 1672 wegens "de slechte tijd” vermindering van pacht ontvangt. In 1675 128) wordt nog gesproken over de molen van Gerrit Reijnders Pannekoek. Na zijn overlijden (na augustus 1676) hertrouwt de weduwe Aeltjen Peters met Mathijs van Heil. Mathijs verschijnt in 1716 op molen II; hij betaalt in 1717 een pacht van 100 gulden voor "maeties Heils muelen” en komt nog voor tot 1719. In dat jaar moet Heil zijn molen overdoen aan Jacob Jansz. van Til. Deze stamt uit een papiermakersfamilie, die werkzaam was op verschillende molens in Loenen. Hij zal een familielid geweest zijn van Jan Jacobs van Til - of zoals Hackfort hem noemt - Jaen Jaekoep van Tiel. Diens molen komt in een der rekenboeken 129) van Terhorst voor onder het hoofd "jaen jaekoep Moelen”. Het is ons niet bekend, welke molen hiermede bedoeld wordt. Deze Jan Jacob geeft in 1713 voor zijn papiermolen een jaarlijkse pacht van 140 gulden. Bovendien moet hij ieder jaar nog een bepaalde hoeveelheid suiker en een "gaens” (gans) leveren. De van Tils zullen wel afstammelingen zijn van Roliff Jansen van Til uit Hoog Soeren, die in 1659 een der pachters is van Jan Goesens molen. De papiermaker Cornelis Hendricks, de eerste pachter op de Achterste Molen, is in 1658 verplicht een gerookte zalm - of de geldswaarde daarvan - te geven. We hebben eerder kunnen zien, dat de molenaar op de waterkorenmolen op de Grift in 1658 en volgende jaren op St. Martini 2 vette ganzen en tegen Pasen een varken van minstens 100 pond schoon aan de haak moest leveren. Vaak hadden deze ganzen, varkens en zalmen iets te maken met de visvangst bij de watermolens. In tal van Veluwse beken werd vroeger veel vis gevangen - meest paling. De ergerlijke waterverontreiniging, veroorzaakt door de lozing van afvalstoffen der fabrieken, heeft gedurende deze eeuw hierin verandering gebracht. De watervervuiling schept overal in ons land problemen, die om een spoedige oplossing schreeuwen. In onze streken heeft de verontreiniging tot gevolg gehad, dat uit de meeste Veluwse beken de vis totaal is verdwenen. Nog in de 2e helft der 19e eeuw werd regelmatig paling gevangen bij de korenmolen op de Grift te Apeldoorn, terwijl nog niet zo lang geleden deze vissoort voorkwam bij het rad van de Middelste Molen in Loenen. Hoe belangrijk de palingvangst in onze omgeving kon zijn, zien we bij de nu verdwenen koren- en oliemolen op de Grift te Vaassen (Griftse molen), waar omstreeks 1900 op donkere onweersachtige zomernachten vaak meer dan 50 pond paling werd gevangen, een enkele keer , zelfs 200 pond! Beneden de waterval van de voormalige kopermolen op de Oosterhof te Vaassen - thans wasserij, het rad is verdwenen - bevond zich in 1936 nog een rooster voor het opvangen der palingen. In de Kayersbeek komt zelfs heden ten dage een enkele keer paling voor. De molenaar de heer te Riele van de Cannenburchmolen te Vaassen vertelde mij bij een bezoek aan zijn molen op 17 september 1965, dat hij af en toe nog wel forellen door de onderbeek zag schieten of een snoek onbeweeglijk in het heldere water had zien staan. Ook vorens kwamen een enkele keer voor. Een fraai gekleurde ijsvogel zat af en toe op een paaltje bij de molenwijer op prooi te loeren.
Pijlsnel schoot dan de sierlijke vogel eensklaps op een vis af en altijd was het raak. In vroeger tijd vond men ook zoetwaterkreeften in de Veluwse beken. Zo bepaalde de mark van Hall en Eerbeek in ’t begin der 17e eeuw, dat men geen dammen of dijken in de beek mocht leggen "omme kreeften toe vangen.” Behalve het recht op het water en de wind hadden in de middeleeuwen de landsheren tevens het recht op de visvangst.
Om deze vangst bij zijn molen te mogen uitoefenen, hetgeen vaak een aardige bij verdienste opleverde, moest de molenaar aan de landsheer - of in later tijd aan andere rechthebbenden op ’t water - een vergoeding geven, hetzij in geld, hetzij in natura. In het laatste geval leverden de pachters boven de verschuldigde geldpacht een gemest varken, gevogelte, eieren of een bepaalde hoeveelheid vis. Misschien heeft de verplichting van sommige papiermakers tot het geven van zalmen of ganzen in enkele gevallen iets te maken gehad met het recht van visvangst.



De Middelste Molen te Loenen. vanaf de onderbeek (1937).
Het huidige gebouw dateert uit I887, doch reeds omstreeks 1662 is op die plek een papiermolen getimmerd.
Het schot in de lengte van de beek scheidt het heldere water van het vuile afvalwater.
De Middelste Molen is de enige papiermolen in ons land, die nog van waterkracht gebruik maakt.
Hij vormt een der belangrijkste historische monumenten in de gemeente Apeldoorn.


h37



Watermolens te Loenen op een schetsje naar een gedeelte van een kaart uit 1662 door H. van Gelder.
Het valt niet met zekerheid te zeggen, welke molens op de kaart staan.
Misschien moeten we in de benedenste molen de huidige "Bovenste Molen” zien.
Op de Stroobeek ligt in 1662 nog geen molen.
Met de "Silvolse korn mullen” wordt de voormalige waterkorenmolen in Zilven bedoeld.






Het in 1629 door Lodewijk van Aelst verscheurde briefje van D. Heuft te Dordrecht.

h39


Gedeelte uit een kaart van 1807, waarop de beide kopermolens te Wenum met bijbehorende wijers voorkomen.
Geheel rechts staat de windkorenmolen aan de huidige Marleweg.
De prachtige tuinaanleg bij de Rotterdamse kopermolen is op de kaart duidelijk weergegeven.


h40

Het wordt tijd, dat we ons verhaal over de Achterste Molens vervolgen. Ook de papiermaker Jacob Jansz. van Til heeft niet veel succes op z’n molen en verkoopt deze in 1722 voor 5000 gulden aan Claes van Amersfoort en Heymerinck van Til.
De Achterste Molen had - na de stichting van de tweede molen in 1670 - als pachter Jurrien Jansen (1716), daarna diens zoon Lambert Jurriens Ritbroek. Laatstgenoemde vertrok omstreeks 1748 naar de papiermolen ’t Slop in Apeldoorn, waar hij failliet ging. Op de Loenense molen wordt hij opgevolgd door Hendrik Simons (Simonis). In 1756 verschijnt op molen Jan van Delden, gehuwd met Jenneken 3 (Jannetje) Put. Hij komt omstreeks 1778/ 79 gedurende korte tijd voor op beide molens. Op 15 oktober 1788 koopt hij van 0. G. W. J. Hackfort een 5 bakspapiermolen voor 2600 gulden, die dan in pacht is bij Egbert Schunrman. Jan van Delden overlijdt in 1797 en z’n zoon Teunis neemt dan zijn plaats in. Deze had bij magescheid van 7 maart 1797 de van zijn vader afkomstige molen gekregen. Teunis, geboren 18 april 1757, was gehuwd met Gerritje Derks uit Brummen. Hij maakte in 1808 vier verschillende soorten papier. Een Teunis van Delden wordt in 1823 nog op de ene Achterste Molen genoemd. Het laatst komt hij voor op een patentlijst van 1849 met 7 werklieden. Als dat dezelfde Teunis is van 1757, dan was hij toen ca 92 jaar! Op de andere Middelste Molen vinden we in 1827 Hendrik Jans van Delden, die in , 1823 op een der Middelste Molens zat. Dit herhaaldelijk wisselen van molens maakt het uitzoeken van de historie der Apeldoornse papierbedrijven zo bijzonder lastig! In de eerste helft der 20e eeuw worden de beide Achterste Molens verkocht aan Hennebram (Hendrik Abraham) Schut, die afkomstig was van het Kerstensmolentje in Eerbeek, waarvan alleen het verval nog over is. Zijn opvolger op de Achterste Molen(s) is Paul Jan Schut. Op 18 december 1881 vernielt een brand een groot gedeelte van het bedrijf. De Apeldoornsche Courant van 24 december heeft daarover een kort berichtje: "Loenen 18 dec. Heden brandde alhier, de papiermolen en boerderij "de achterste molen” af, bewoond en toebehorend aan de Wed. S. Alleen het vee gered. Alles verzekerd.” ,Paul Jan Schut, die reeds een stoomketel en stoommachine gebruikte, verloor het leven bij een ketelontploffing. Zijn moeder en een broer zetten de papierfabrikage voort. In 1905 brandt de Achterste Molen opnieuw af. De fabriek wordt in 1907 weer opgebouwd en groeit geleidelijk uit tot de moderne industrie "Papierfabriek Schut en Berends N.V.”, die een eervolle plaats inneemt onder de papierbedrijven van ons land.

Hunekampspapiermolen in Zilven

De molen bij de Hunekamp (Hune- of Huinekampsmolen) stamt van omstreeks 1665.
Toen moet tevens de aanleg zijn geschied van de hooggelegen sprengen in Zilven, wier afvoer om en over een steile helling naar de papiermolen is geleid. In het pachtboek van Terhorst over 1666/ 73 wordt de molen vermeld onder het hoofd "Huinekampse pampiermoelen”. Bij het jaar 1666 staat alleen de aantekening: "hier is met Cornelis en Lubbert een half jaar in dispuit”. Er is dus verschil van mening ontstaan over een half jaar pacht. Lubbert Arnts (Aernts) verrekent in mei 1667 met Alardt Hackfort een jaarlijkse pacht van dertig gulden voor zijn molen. Dit bedrag is in verhouding tot de pachtbedragen voor de andere Loenense papiermolens laag te noemen. Als "toe baten” geeft Arnts in 1668 een "halven rhim papier en thien pont suiker”. Hij voldoet z’n pacht ook in de jaren 1669, 1670, 1671, 1672 en 1673; in plaats van de toebaten betaalt hij in 1671 vijf gulden boven de gewone geldpacht.
Alardt Hackfort krijgt over het graven en leiden van beekjes in Zilven kwestie met Gijsbert Schimmelpenninck van der Oye, heer tot Hunderen. Het geschil tussen beide edellieden spitst zich meer en meer toe. In juni 1681 trekt heer Gijsbert er zelfs met "gewapende ruiters of soldaten” op uit en laat onder bescherming van deze kring lieden "de dammen of wallen van de nieuw gegraven beek” in Zilven doorsteken.
Hackfort neemt de "begane geweldadigheid” niet en protesteert bij het Hof. Hij zegt "in erfpacht te hebben verkregen het recht van verschillende beekjes en wateren om die in de oude molenbeken te mogen leiden, en dat hij voor 10 of 11 jaren en ook in de afgelopen winter "een beekje in het veld van Silvolden had doen leiden in de oude molenbeek”. Het omleggen van dit laatste waterloopje gaf aanleiding tot het gewapend optreden van Gijsbert Schimmelpenninck, die hiertoe natuurlijk niet gerechtigd was.
Het gegraaf in Zilven geeft omstreeks 1679 ook aanleiding tot een geschil tussen de papiermaker Hendrick Cornelis (zie over hem o.a. bij de papiermolen op het Slat) en de geërfden van Zilven. Hendrick Cornelis, vermoedelijk een zoon van Cornelis Hendricks, heeft namelijk een beek aangelegd om het water van "de sylvese becke op syn papiermolen toe brengen”. Op 25 april 1679 komen beide partijen tot een akkoord waarbij Hendrick Cornelis de bewuste beek zal mogen gebruiken "gelick als hij dije alreets begonnen heft”, mits dat bij "de alrede gemaeckte brugge en dick in dije rijtte sal leggen bequam om met een wagen daer oever te vaeren van 20 voet breet”. Hij moet dus door de "rijtte” (= laag met riet begroeid terrein) een "dick” (=dijk, doch betekent hier een verhoogde weg) aanleggen, waar men met wagens over kan rijden.
Verder verplicht Hendricks zich tot het maken van een tweede brug naar de kant van het veen, die breder zal wezen dan de eerste en "an beijde sijden . . . wool angehoegt” (= opgehoogd). Ook moet hij "in dee rijtten” dijken leggen "bequam om oever te vaeren”, hetgeen duidt op het maken van nog meer wegen in de bovengenoemde"rijtten”.
Aan dergelijke wegen door vochtige lage terreinen herinneren in onze gemeente talrijke benamingen met dijk, zoals Binnendijk, Drostendijk, Koedijk, Krommedijk, Knipersdijk, Langedijk, Slatsdijk, Sprenkelaarsdijk, Traandijk, Veendijk, Vellertsdijk en IJsseIdijk. Wat de woorden "Rytte” of "Rijtten” betreft, in Uddel bevindt zich een stuk grond, dat vroeger met riet en struikgewas begroeid was en de "Rieten” heette. Bij naamgeving van wegen heeft men een weg in die omgeving "de Rieten” genoemd. In 1635 vinden we bij het Woudhuis een plek "De Rijte”. De naam Ritbroek (Rijtbroeck) in Apeldoorn wijst eveneens op een drassig met riet bewassen stuk grond. Een dergelijk terrein met veel riet zal hier in Zilven ook zijn bedoeld.
Toen de papierindustrie zich in de 17e eeuw steeds meer ging uitbreiden, groeide met de dag de behoefte aan een grotere watertoevoer naar de molens. Vandaar het voortdurend gegraaf van de Loenense papiermakers met de daaruit voortvloeiende geschillen met andere belanghebbenden. Uit die tijd stammen ook de al eerder aangehaalde gezegden, die in verband staan met het molenwater. In een proces uit 1663 over het leggen van een nieuwe watermolen over de Emperstrang zegt Johan van Steenbergen tot Nijenbeek, dat het "aftrecken van ’t water van iemants Molen so nauw lnistert, dat daeruyt het Spreeckwoord comt, dat niemand het water van sijn Molen wil laten trecken”. Even later noemt Van Steenbergen een Duits gezegde:

"Wie kein Schaeffer weijde genugh hette,
Also hette anch keijn neuwen Muller wasser genugh”.

Met "Schaeffer” bedoelt hij een schaapherder.
Drie jaar voor de beruchte kwestie tussen Hackfort en Gijsbert Schimmelpenninck van der Oije komt een akkoord 130) tot stand tussen de papiermakers van Loenen en de kasteelheer van Terhorst (augustus 1676). Hierbij krijgt Hackfort het recht om uit de beek boven "Rutger Swarthoof en Aert Jorriens (Jurriens) moele” te leiden "een half back water om te gebruicken tot sijenen schoonsten”.
In de overeenkomst worden - behalve Swarthoff en Jurriens - als papiermakers genoemd: Tonis Engberts, Hoege Roelufs, Cornelis Hendricks en Gerret Reijnders.
Ook bepaalt men, dat de beek "alberiets (= reeds) door het veen lopende” naar de molen van "den groten tonis”, die nu toebehoort aan Cornelis Hendricks "sijen loep sal mogen houden sonder teegensprecken van der vorschreven papirenmackers”. Wordt met deze "groten tonis” misschien bedoeld de papiermaker Tonis Engberts (zie Jan Goesensmolen) of slaat de benaming op Tonis Henrix van de Wolfsmolen? Verder staat in het bovenaangehaalde stuk van 1676, dat de daarin genoemde papiermakers "sullen helpen graeven in en boven den pol tot Sijlven om waeter tee soecken dat voorbij het hof ende goet sal loepen daer Jan Tonis teegenwordich op wont om het broeck tee weeteren” (= om het broekland bij droogte van water te voorzien).
Ook zullen ze "boven den pol” nog naar meer water graven "tot profit van dee molens” en dit helpen "onderhouden”. Lubberts Aerts van de Hunekampsmolen en Engbert Wolters, korenmolenaar op de Zilvense molen, dienen steeds drie a vier dagen tevoren de overige watermolenaars in te lichten, wanneer het ruimen in mei en augustus zal geschieden van "het geene dat alberiets gegraeven is”. Indien iemand hierin nalatig blijkt te zijn, moet men de heer van Terhorst daarvan in kennis stellen. Deze zal dan een arbeider sturen om bij het beekruimen te helpen, waarvoor "den gebreck, haftigen” aan Hackfort "dubbelt dachloen” dient te geven.
In 1739 zit Jan Capel op de Zilvense papiermolen; hij komt daar nog voor in 1772.
H. J. Capel maakt er in 1808 twee soorten papier. Op 3 december 1881 wordt de veiling aangekondigd van "de Hunenkampmolen vierbaksmolen met wrijfbak voor Baron Hackfort tot Ter Horst, gelegen te Loenen op de Veluwe, buurschap Zilven, bestaande in huis, molen, koeschuur, hangschuur, tuin-, bouw- en grasgrond”. Veel animo bestaat er niet voor de molen, want op 17 december lezen we over "de Hunen kampsmolen te Loenen staande op de geringe som van f 1011, - ”. De papiermolen is daarna omgezet in wasserij; alleen een gemetselde waterval herinnert aan het verval.Thans ligt er de stoomwasserij "De Hunekamp”, Imbosweg 30. De oorspronkelijke benaming bleef gelukkig behouden.
De grote betekenis van de papiermakerij voor Loenen blijkt in 1749. Toen was van het aantal inwoners boven 10 jaar 12.6 % direct afhankelijk van de papiernijverheid.
Geen wonder dat tussen 1650 en 1749 de bevolking toenam van 290 tot 640. In laatstgenoemd jaar worden in Loenen als papiermakers genoemd:

Hendrik Simons Huybert Zebussen, wedr.
Egbert Evers Willem Box
Nicolaas Nickels Reijnder Conselaar
Hendrik van Veelen Hendrik Ligt
Willem Meijerink Jan Capel (Zilven)

Er lagen toen in het kerspel Loenen 10 papiermolens.
Met de geschiedenis van de Hunekampsmolen sluiten we het gedeelte over de Loenense papiermolens af. Jammer genoeg moest dit overzicht zeer onvolledig blijven.
Veel hiaten konden niet overbrugd worden; tal van vragen bleven onbeantwoord. Een uitgebreid archiefonderzoek zal het misschien mogelijk maken de oudste molens - zoals die van Wolf Gabriels, Jan Goessens, Cornelis Hendricks, Hendrick Bernts en anderen - in te passen in de historie van de later onder andere namen vermelde papiermolens te Loenen. Hierdoor kan tevens klaarheid komen over de juiste ligging der alleroudste molens.

De windpapiermolen "De Halve Maan" bij de Koudhoornse Sluis

Een enkel woord gaan we zeggen over de windpapiermolen "De Halve Maan”, gelegen aan het nu buiten gebruik gestelde kanaal Apeldoorn - Hattem, niet ver van de Koudhoornse sluis. De molen werkte zowel met stoom als met windkracht. In 1863 , werd het bedrijf door brand verwoest. De Apeldoornsche Courant meldt daarover: "Op woensdag 3 aug. brandde de papierfabriek van J. M. Pannekoek aan de 2e schutsluis af. Was verzekerd voor f 2800, ”. De papierfabriek maakte ook gebruik van windkracht. Op een tweetal foto’s uit 1880 en 1881 aanwezig in het gemeentearchief Apeldoorn - kan men de papierfabriek met windmolen duidelijk zien. De afbeeldingen hebben betrekking op de toenmalige vernieuwing van de Koudhoornse sluis. De windmolen is later verdwenen, thans ligt op die plek de papierfabriek "De Halve Maan”, Fa. K. Schenk en Zn.


Don't have an account yet?Register Now!

Sign in to your account