27 - 10 - 2021
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag27
GisterenGisteren129
Deze weekDeze week249
Deze maandDeze maand2504
Alle dagenAlle dagen76518
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index



De papiermolens in de Ugchelermark

De Bazemolens (kaart I nr. 31)

Deze papiermolen dateert van 1618 en is gesticht door Daniel Martens, een der beide zoons van Marten Orges. Daniel mag in dat jaar in Ugchelen, dicht boven de molen op "Klein Hattem” (kaart nr. 26) van de Arnhemse boekdrukker Jan Jansen, een papiermolen leggen, maar geen vol- of hennepmolen "daerdoor het waeter in die beecke onreynight soude connen worden”. De uitgifte van de waterpacht vindt plaats op 27 april 1618 en bedraagt 7 gulden per jaar. Daniels vader Marten Orges verschijnt 21 juli 1618 voor de rekenkamer te Arnhem en verklaart dat "synes Sohn Daniel Martens gepachte Pampier Moelen in ’t Veen tuyschen Begbergen ende Apeldoorn in die Buerschap Uchelen opgerecht, was voeltimmert ende gangbar”.
Kort daarna krijgt Daniel Martens onenigheid met Jan Jansen over het opstuwen van ’t beekwater. Volgens een schrijven van het Hof 107) aan de scholtis van Apeldoorn gedateerd 15 december 1618 moet deze Daniel Martens gelasten zijn pas gelegde molen af te breken of anders te zorgen, dat de papiermolen van Jan Jansen weer evenveel water krijgt als tevoren het geval is geweest. Blijkbaar heeft Daniel Martens het beekwater nogal eens opgestuwd. Na hem komt de molen in ’t bezit 108) van Amdt Peters, die dezelfde pacht geeft. Later vinden we de papiermaker Hendrik Tonissen (Thonis, Teunis) - gewoonlijk "de Baes” genoemd - als eigenaar. Deze bijnaam "de Baes” is in de Bazemolen bewaard gebleven.
Hendrick Thonis "besitter van een pampiermolen gelegen int Veen tussen Begbergen en Apeldoorn in de Buirschap Uchelen” krijgt op 21 januari 1646 van de rekenkamer in Gelderland vergunning om het "veen ofte steenbeecxken sijnen moelen voorbij lopende” in zijn molenbeek te leiden. Voor deze verbetering van water zal hij jaarlijks vier pond geven boven de zeven, die hij - evenals zijn voorgangers - voor het gebruik der "principaele beeck” moest neertellen.
In 1747 zit Jacob Maas Dijkgraaf, gehuwd met Margriet Jans Ritbroek als papiermaker op de Bazemolen. Van 1752 - 1765 is Joost Herkels, Herkert of Harkelens er werkzaam. Na hem komt Claes Crombos (1766 - 1795), die getrouwd is met Nennetje Jans Ritbroek, een zuster van bovengenoemde Margriet. In 1798 vinden we de wed. Crombos op een der Bazemolens want er zijn inmiddels twee naast elkaar gelegen bedrijven gekomen. De opvolger van de wed. Crombos is Lammert Slijkhuis, die in 1808 één kwaliteit papier maakt. Op de andere (bovenste) molen zit Arnoldus van Houten (Houtum), die zich daar tussen 1801 en 1806 heeft gevestigd en in 1808 te boek staat als vervaardiger van drie soorten papier. Deze Arnoldus (geb. te Apeldoorn in 1761) was een zoon van Jan van Houten en Johanna (Janna) Egberts. Hij huwde in 1804 als weduwnaar met Aartje Mulder en kwam kort daarna op de Bazemolen.
In 1808 raakt Arnoldus van Houten zijn meesterknecht kwijt. Gedurende de nacht van 14 op 15 april van dat jaar doet men een poging tot inbraak in de papiermolen van Sebus Sevenhuisen (Tiemensmolen). Door het geblaf van de "brandhond” (kettinghond) ontwaken Sevenhuisen en z’n zoon. Beiden springen hun bed uit en rennen naar buiten. De zoon loopt sneller dan de vader en bij het omslaan van de "hoek” van de molen bemerkt hij een man, die "den kop binnen den moolen stak door een gat, dat daar destijds gebroken was”. De jonge Sevenhuisen schreeuwt "Sta Schurk”, maar de kerel neemt ijlings de benen en verdwijnt in het duister van de nacht. Bij een onderzoek op de molen blijkt er niets vermist te worden. De verdenking valt op Hendrik Buitenhuis, bijgenaamd "de Krakke”, oud 54 jaar en vader van 5 kinderen. Buitenhuis is meesterknecht bij Arnoldus van Houten op de Bazemolen. Wegens het dragen van Oranje had men hem in 1795 veroordeeld tot langdurige tuchthuisstraf en Ievenslange verbanning uit de provincie Gelderland. Voor een dergelijk luttel vergrijp werden destijds zulke onmenselijke straffen opgelegd door de strijders voor "vrijheid, gelijkheid en broederschap” en de "rechten” van de mens. Kort na Pasen 1805 - hij had toen 10 jaar gezeten - was de Krakke vervroegd uit het tuchthuis in Arnhem ontslagen. Van pure blijdschap over het herkrijgen van zijn vrijheid had hij er - volgens zijn zeggen - niet aan gedacht dat de Ievenslange verbanning uit Gelderland van kracht bleef en het verblijf in dit gewest hem dus niet toegestaan was. Na zijn vrijlating werkte hij eerst vier weken op de papiermolen van Bram Pannekoek in Renkum, doch toen deze van de verbanning hoorde, kreeg hij ontslag. De Krakke ging het nu in Boxtel proberen, maar met even weinig succes. Want daar waren vele Geldersen, die wisten dat hij in het tuchthuis had gezeten en een langer verblijf in die plaats bleek daardoor niet mogelijk te zijn. Waarom hij uit Boxtel weg moest is ons niet duidelijk. Boxtel lag immers buiten de grenzen van Gelderland.
Hendrik Buitenhuis, alias de Krakke, trekt vervolgens naar de Zaanstreek met zijn vele papiermolens, maar ook daar achtervolgt hem de pech. Hij krijgt er een "dik hoofd” (de bof?) en is genoodzaakt te vertrekken. Wanneer z’n hoofd de "normale” vorm heeft aangenomen, zoekt hij na enige tijd in Apeldoorn werk als papiermaker.
Tenslotte wordt hij meesterknecht bij Nol van Houten (Arnoldus van Houtum) op de Bazemolen. Baas Nol moet van het verleden van de Krakke op de hoogte zijn geweest, doch heeft dit blijkbaar geen bezwaar gevonden. Op zijn papiermolen werkt Gerrit Gerhard als "koester” (koetser). De Krakke en Gerrit slapen in "eene bedstede in den moolen bij malcanderen”. Misschien kwam dit in die tijd meer voor op de Veluwse papiermolens. In elk geval was het warm en gezellig. Zondags droeg de Krakke een zwart linnen kiel en "een hogen ronden hoed”, doch was in de week "veeltijds” gekleed in "een lappige buis” en had bij het werk een muts op. Buitenhuis staat als zwart schaap bekend, want in het proces, dat op zijn arrestatie volgt, worden hem allerlei diefstallen in de schoenen geschoven. Er is op de papiermolen van Boks (Ruitersmolen) aluin en blauwsel gestolen; op de molen van Van Reel (?) papierstof en op die van Peter Veldhuis een koperen kraan van een lijmton. Maar wat veel erger is voor de Krakke, de rechters ontdekken dat hij destijds tot Ievenslange verbanning uit Gelderland was veroordeeld en zich desondanks toch in de provincie had opgehouden.
Dat zien de heren zelfs na 13 jaar niet door de vingers. Bij vonnis van 20 december 1808 wordt Hendrick Buitenhuis, alias de Krakke, dan ook wegens overtreding van bannissement (verbanning) gecondemneert tot een confinement voor 4 jaaren, zijnde het bannissement voor al zijn leven uit de gehele provincie van Gelderland hem bij ’s Hoves sententie van de 9 Oct. 1795 opgelegd gebleven is in volle kracht”.
Uit het proces vernemen we, dat de werkgever van "de Krakke” de papiermaker Arnoldus van Houten, in 1808 is "in de 40 jaar”. Diens moeder Johanna Egberts, weduwe van Jan van Houten ruim 70 jaar, terwijl Arnoldus’ vrouw Gerritje Muller de leeftijd heeft van goed 30 jaar. In andere stukken komt Gerritje ook wel voor onder de naam Aaltje. Arnoldus van Houten heeft op een keer uit gekheid papier "verkocht” aan zijn koetser Gerrit Gerhard. Laatstgenoemde had "eens over tafel pratende” de baas te kennen gegeven van hem "wel eens een partij van 10 a 12 riem papier” te willen kopen en hiervoor 3 gulden per riem te betalen. Van Houten verklaarde: "daar terstond opgezegd te hebben ’t is verkogt en dus den koop geaccordeerd te hebben”. Dit gebeurde terwijl hij "onder alles lachte”. Op de vraag of de verkoop "uyt kortswijle geschiede”, . dus gekscherend bedoeld was, antwoordde Van Houten later bevestigend. Ook diens moeder verklaarde, dat het "niet in ernst” gebeurde. Want volgens Nol van Houten bezat Gerhard toch geen geld om te betalen en was hij iemand "die geen verstand had van papier te koopen”. Zijn knecht zou immers een strop gekocht hebben, "want het papier was het lange niet waard”. Met betrekking tot deze zaak gaf baas van Houten te kennen "er wel zoo om gelachen te hebben zeggende als het paaschen is dan kan ik Gerrit met papier betaalen”. De koetser weet nog te vertellen, dat zijn baas hem telkens met de vermeende koop had geplaagd, doch dat daarvan niets was gekomen toen het tot hem doordrong "dat hij het papier te duur had en hetselve om die reden niet wilde hebben.” Uit plagerij had Nol van Houten de bewuste 10 a 12 riem papier op een kist bij de bedstede van Gerrit Gerhard gezet "als om hem hetzelve op die wijze te leveren”. In opdracht van de baas zou Gerrit later het papier naar Berend Berghorst in Apeldoorn hebben gebracht aan wie - naar zijn mening - Van Houten het al verkocht had. Bij Arnoldus van Houtum werkten in 1823 vier arbeiders, die zeven stuiver per dag verdienden. Hij maakte toen schrens, schrijfen drukpapier, benevens wit schrijf no. 8 en verwerkte jaarlijks 2000 pond lompen. Op de bovenste Bazemolen is hij in 1835 overleden; zijn zoon en opvolger Jan werd daar in 1807 geboren. Jan van Houtum kocht op 16 februari 1844 de kort te voren weer opgebouwde papiermolen Het Voorslop en vestigde zich er als papiermaker. Naar hem is de Jan van Houtumlaan in Ugchelen genoemd.

In 1860 vinden we op de Bazemolen de papierfabrikant Willem uit den Boogaard. Hij was gehuwd met Hendrika Pannekoek. Het echtpaar had toen de volgende kinderen: Evert, Gerrit, Willem, Egberta, Gerritje, Diena en Hendrik. Er werkten vier papiermakersknechts: Zeger Brouwer, Marinus Mulder, Willem Groeneveld ( uit Vaassen) en Jan Willem Dijkkamp. Verder nog een gewone knecht: Albert Bakker.
Een advertentie in de Apeldoornsche Courant van 10 februari 1866, kondigt aan, dat notaris Termaat op een nader te bepalen tijd en plaats in het openbaar zal verkopen: "Een in volle werking zijnde vijfbaks Papiermolen, de Bazemolen genaamd, met daartoe behoorende gebouwen en daarbij gelegen Bouw-, Weiland en Hakhout, staande en gelegen in de buurschap Ugchelen onder Beekbergen tot 1 Mei 1866, in pacht bij de bewoner den Heer H. van Pannekoek aldaar”. Op een potloodtekening door G. Smits uit 1869 zien we een in tweee'n gedeeld molenhoofd met twee waterraden, benevens een papiermolen met hangzolder en rieten dak. De andere molen is niet zichtbaar. De Bazemolens zijn kort daarna tot wasserij ingericht. Thans ligt op die plek een Textielveredelingsbedrijf, Bogaardslaan 8.

Het Klein Bazemolentje later Steenbeek geheten (kaart l nr. 32)

In het voorafgaande hebben we kunnen zien, dat de papiermaker Hendrik Tonissen "Baes” in 1646 de erfpacht krijgt van het "veen ofte steenbeecxken” om dit in zijn molenbeek te brengen. Tonissen doet zijn bijnaam alle eer aan en gaat heel eigenmachtig te werk. In plaats van laatstgenoemd beekje op zijn rad te leiden, timmert hij in 1654 een nieuw molentje - naar hem het "Klein Bazemolentje” geheten. Later krijgt het de naam "Steenbeek”. In hetzelfde jaar maakt Tonissen op eigen houtje - en tot groot ongenoegen der geërfden van Ugchelen "nieuwe graven” bij ’t Asseler hek (het hek in de noordelijke enkwal) en in Leegschoten, benevens een "rechte graven” over de Apeldoornseweg, .alles "streckende tot merckelicke schade ende verderff van de marke”. De hier genoemde "graven” zijn de mooi gelegen sprengen bij de Hoogbuurloseweg (Geurtssprengen) en de "rechte graven” is het bedijkte gedeelte van de Schoolbeek, ten oosten van de Ugchelseweg. Hendrik Tonissen komt echter tot overeenstemming met de mark. Voor tien gulden per jaar verkrijgt hij de 7 erfpacht van de molenplaats; hij verplicht zich bruggen te leggen en de nieuwe graven ten allen tijde "op gesinne” der geërfden te doen "inwerpen ende slichten”. De latere naam Steenbeek voor de molen is zeer merkwaardig, want hij lag niet op de Steenbeek.maar op een toen nog naamloze beek, die pas in de 19e eeuw Schoolbeek werd genoemd. De eigenlijke Steenbeek was volgens de erfpachtbrief van het Voorslop (thans papierfabriek Van Houtum 8’ Palm) de oude Ugchelse beek, waarop - zoals we straks zullen zien - de eerste papiermolen (kaart nr. 35) in Ugchelen werd gelegd. 1: De geschiedenis van de Steenbeek stelt ons voor tal van problemen, die nog niet totoplossing gebracht konden worden.Hendrik Tonissen leeft nog in 1660, doch twee jaar later betaalt de weduwe van "den f baes” de tien gulden pacht voor de molenplaats. Dit gebeurt eveneens in 1669 dan iser sprake van de weduwe van Hendrik Thonisz. Baes. ” De benaming Klein Bazemolentje komen we tegen in een stuk van 6 november 1696, ; waarbij Jurrien Evers de helft van "’t Kleijn basen Molentien” voor 560 gulden “ verkoopt aan Berent Hendrickx. Deze Berent Hendrickx zal wel een zoon zijn van Hendrik Tonissen Baes. De andere helft van de molen blijkt in 1696 in het bezit te v zijn van Jan Put, gehuwd met Jacobien Daniels Schut. In 1742 komt Berent Hendriks nog voor als eigenaar van een halve molen. Tien jaar later horen we over Jacob en Hendrik Berends. De eerste is zeer zeker een zoon van Berent Hendriks, want in 1781 3 zit Jacob Berends op de molen, die door Hendrik Teunissen in 1654 is gesticht.
Blijkens een verzoek der firma Jacob Berends en Zoon uit 1806, was de molen tot1765 slechts een "Klein zwak moolentjen van drie hamerbakken”; dit aantal werd toen verhoogd tot vier. In 1772 op zes en in 1775 zelfs op acht gebracht. In 1806wordt door Berends en Zoon gezegd, dat "op den Moolen door ons bewoond, daar 8 bakken leggen, nu sedert Eenige Jaaren wegens sterke Vermindering van ’t water, j maar 5 a 6 Bakken hebben kunnen gaan, en bij Extra droogte maar 4, zoodat als dande halve moolen van de meeste tijd 2 a 3 Bakken stilstaan”. De eigenaars hebben "van tijd tot tijd” geprobeerd om "door ’t Ruimen en opmaaken der Sprengen” het watergebrek te verhelpen en zo mogelijk de molen tot "voorige goede staat te brengen”. Dir werk had wel "Eenige Vrngt” opgeleverd, maar het was toch niet gelukt de "geheele Moolen weer aan de gang te krijgen”. Volgens hun zeggen bleven ze daardoor van een aanmerkelijk gedeelte van hun "bestaan en welvaren verstooken”, want ze kondenwegens de "slappe gang der Moolen maar weinig en nog zeer gebrekkig” papier 1 maken. Men had bovendien in "Sommige jaaren” veel moeilijkheden ondervonden er: extra kosten gemaakt "bij een schielijke dooi van ’t sneeuwwater veroorzaakt”; vooral in 1795 toen de sprengen en togtbeek bijna geheel waren toegedreven en ingezakt zoodat toen weder maar 3 Bakken konden gaan”. Dit laatste gebeurde dus in de strenge winter 1794/95, waarin ook de beruchte terugtocht der geallieerde troepen over de besneeuwde Veluwe plaats vond en waarbij veel soldaten van koude omkwamen.
De firmanten Berends vervolgen: "Wat zouden wij in dezen toestand doen, moedeloos hier bij neerzitten, verergerde onzen staat, wij moesten de handen aan ’t werk slaan, wilden wij onze broodwinning niet geheel verliezen en door ’s Hemels Zegen bevonden wij ons nog in staat om de Sprengenbeek in orde te brengen.” Dit had van 1799 tot en met 1803 - dus gedurende 5 jaar - een bedrag gevergd van 1300 gulden, behalve "hetgeen wij voor en na die tijd tot verbetering hebben besteed en hetgeen wij er zelf aan gewerkt hebben”.
Teneinde de capaciteit van het bedrijf weer op te voeren dient de firma Berends in 1806 bij de mark een verzoek in tot verhoging van het molenhoofd en van de dijke; waar tegen de eigenaars der beneden gelegen molens protesteren. Deze zijn bang.dat door de "verhooging van ’t water en de beek, hetzelve in de dijken zoude trekken en dus verteeren en verminderen”. De bezitters van Steenbeek zeggen in antwoord daarop "dit is een waarheid, welke wij niet ontkennen, maar dit duurt ook niet langer, als dat de Dijken met modder en slijk begroeid en bedekt zijn, hetgeen zeker geen lange tijd nodig heeft”.
In 1806 heette de papiermolen niet meer Klein Bazemolentje maar Steenbeek en was in 1771 nieuw opgetrokken. Twintig jaar later lezen we over een "bovenste” en een "onderste” molen. Misschien lag er toen een tijdlang een dubbele molen. De eigenaars van Steenbeek ondervonden ook veel hinder van hun collega’s op de Ordermolen.
Deze ontzagen zich niet bij "het verlengen, verbreeden en verdiepen” van hun in de Ugchelsche mark gelegen sprengen het zand in de beek van Steenbeek te werpen, waardoor de molen "wel van 3 bakken waters” werd beroofd. Voor de stichting in1838 van de papiermolen Klarenbeek (kaart I nr. 33) op dezelfde beek van Steenbeek liep deze waterloop dicht langs een aantal sprengenkoppen van de Orderbeek. In 1838 heeft men ten behoeve van Klarenbeek een nieuwe rechte bedding gegraven, waardoor de beek van Steenbeek (de latere Schoolbeek) verder van de sprengenkoppen der Orderbeek kwam te liggen.
In 1808 maakt de fa. Jacob Berends en Zoon op Steenbeek 3 soorten papier. Een kap op een riemverpakking geeft een fraaie afbeelding te zien van een bereden postiljon met daaronder de letters J. B. en Z. Geheel onderaan in kleine letters: "Gebroeders , Berends. Papier Fabrikeurs”. Een riem is 20 boek a 24 vel papier. De gebroeders Berends werden in 1820 op een tentoonstelling te Gent (voorwerpen van nationale nijverheid) bekroond met een zilveren medaille voor "schoongroot mediaan Velin papier”.

De kozakken nemen Jan Jacob Berends mee

In 1813 is de papiermaker Jan Jacob Berends eigenaar van Steenbeek. Dat jaar bracht de verlossing van het Franse juk, maar tevens de komst der kozakken. Deze "bevrijders” gedroegen zich vaak heel vreemd. Jonge meisjes, jenever, geld en kostbaar.
heden waren voor hen niet veilig. Eind november verschenen ze ook in Ugchelen, waar ze de ingezetenen veel overlast aandeden. Zo moesten op Steenbeek drie meisjes zich op een geheim zoldertje drie dagen lang verborgen houden voor de kozakken. Wel prikten deze met de punten hunner lange lansen tussen de reten door van het vloertje maar niemand werd getroffen en de onderdniksters bleven onontdekt. Een ander meisje uit Ugchelen was minder gelukkig, het kind werd door de ruiters meegenomen en keerde nooit weer terug.
Jan Jacob Berends beleefde ook enige benauwde uren met de kozakken. Nog véér hun komst had hij uitgekeken naar een veilige bergplaats voor zijn geld en » meende die gevonden te hebben onder een in z’n tuin staand beeld, dat hoogstwaarschijnlijk afkomstig was uit de beroemde tuinen van Het Loo. Toen de kozakken na hun komst op Steenbeek nergens geld konden vinden, begonnen ze Berends op alle mogelijke manieren te bedreigen. Desondanks bleef hij hardnekkig ontkennen enig geld in huis te hebben. Tenslotte werd hij bij een der kozakken voor op ’t paard gezet en meegenomen in de richting Beekbergen. In het eenzame Engelanderholt herhaalden de ontvoerders hun dreigementen, maar toen die niets uitrichtten lieten ze Berends los.
Ontdaan en doodmoe kwam Jan Jacob terug op Steenbeek, waar hij door zijn beangste familieleden met vreugdekreten werd begroet en waar het oude tuinbeeld nog altijd waakte over de verborgen penningen. Het beeld bevindt zich thans in de tnin bij de Brinkemolens te Vaassen.
Jan Jacob Berends, die gehuwd was met Jenneken Gerrits, had de volgende kinderen: Jan Jacob (geb. 1803), Wouter (1807), Jacob (1809), Hendrina (1810), Jacomina (1813), Frederika (1815), Aart (1819) en Jannetje (1824). Jacomina tronwde met Johannes van Delden Mz., die later eigenaar werd van de papiermolen Steenbeek. Hun kinderen waren: Jenneken, Martha, Marten, Jan, Jacob, Johannes, Jacomina, Hendrik en Rika. Martha trad in het huwelijk met Reinier van Gerrevink, zoon van Derk van Gerrevink (geb. 1794) en Derkje Bredenoort (1802) uit Nijbroek. R. van Gerrevink was papiermaker op de molen tegenover de korenmolen van Geurts (zie kaart nr. 14 en 15). Jacomina van Delden tronwde met Arnoldus van Houtum, papiermaker op het Voorslop in Ugchelen (molen kaart nr. 37).

Een dominee en een marskramer

In die dagen vond bijna iedereen een gastvrij onthaal op de papiermolen Steenbeek.
Kwam iemand juist tegen etenstijd dan sprak het vanzelf dat hij ook bleef meeéten.
Of men nu familielid, dominee of marskramer was, dat deed er niet toe; als het eten werd opgediend, schikte men doodgewoon mee aan en at wat de pot schafte.
Zo deden het de dominees uit Beekbergen, wanneer zij op huisbezoek in Ugchelen kwamen. De buurschap Ugchelen behoorde toen kerkelijk onder Beekbergen. Een dezer predikanten was een zeer lange man, die zijn Ugchelse gemeenteleden geregeld per ezel bezocht en dan vaak op Steenbeek bleef eten.
Het moet wel een wonderlijk gezicht zijn geweest: dominee op z’n ezel, de vreselijk lange benen hoog opgetrokken tot aan de kin! Maar wat moest de man anders doen, hij kon z’n benen toch ook niet over de grond laten slepen en een paard zat er bij zijn bescheiden tractement niet aan.
Steeds tegen de middagmaaltijd verscheen de marskramer Hartger Licht op Steenbeek.
Licht die in Apeldoorn aan de Eierstreek (nu Beekstraat) woonde, liep om de veertiendagen naar Ugchelen, op z’n rug de zware mars met koopwaar: garen, band, veters, drop, knopen, kruideniersen grutterswaren, sajet en wat dies meer zij.
Onze Hartger wist het altijd zo in te pikken, dat hij tegen half twaalf op Steenbeek kwam. Na een bak koffie ging de mars open en werden de zaken gedaan. Dan was het al gauw tijd om te eten en als iets vanzelfsprekends schikte Hartger mee aan.
Vaak gebeurde het, dat men op Steenbeek met 25 man aan tafel zat - de eigen grote familie, de knechts, meiden en meeéters. Men sprak in die tijd steeds van knechts en meiden en over de papiermaker en diens vrouw als baas en vrouwe. In 1858 had Van Delden op Steenbeek als papiermakersknecht in dienst Willem Kramer uit Ootmarsum, zo goed als zeker een lid van de bekende papiermakersfamilie van die naam.

Een spook op Steenbeek

Gezellig kon het op Steenbeek zijn gedurende de lange winteravonden wanneer de familie met het personeel rondom het knapperend haardvuur zat te luisteren naar de verhalen van een der papiermakersknechts of naar die van een overnachtende gast.
Vertelsels, waarin dikwijls een spook om de hoek kwam gluren. Geinspireerd door een dergelijk verhaal, besloot een der knechts zelf eens voor spook te spelen. Een wit laken was al gauw gevonden en op een donkere winteravond verdween hij ongemerkt met dat voor een spook onmisbaar kledingstuk in het duister rondom de molen. Even later; daar gebeurde het! Een der dienstmaagden, die gauw iets uit de schuur wilde halen, kwam een ogenblik daarna geheel ontdaan de kamer binnenrennen. In het struikgewas langs de beek had ze iets vreselijks gezien: een witte gedaante met dreigend opgeheven armen. Iedereen lachte het meisje uit; ze had zich maar wat verbeeld. Doch de volgende avond werd de rust opnieuw verstoord. Weer zag iemand een geheimzinnige lichtende gestalte die als het ware scheen te zweven over de dijk van de bovenbeek.
Had men de eerste keer om de zaak gelachen, thans werd het wel wat bedenkelijker.
Huiverend drongen allen zich zo dicht mogelijk bij het vnur en bespraken fluisterend de vreemde gebeurtenissen. Het spook begon rond te waren door de hoofden en harten der omzittenden. Toen besloot baas van Delden, de toenmalige eigenaar van Steenbeek, radicaal een einde te maken aan het spookgedoe. Op de eerstvolgende avond wapende hij zich met een stevige knuppel en kroop stilletjes achter een paar tonnen dichtbij de beek. Daar in dat donkere hoekje wachtte hij de loop der dingen af. Eensklaps ritselde het in de struiken; een witte gedaante verscheen . . . Het spook was er weer! . Met een vaart schoot Van Delden uit zijn schuilplaats te voorschijn, greep het spook bij de kraag en begon het met z’n knuppel te bewerken. Oei, oei, wat kon dat spook ineens echt menselijk jammerenl "Au, an, loat mien liis, baas, loat liis, au, ’k zal ’t nooit weer doen!” ; Baas van Delden sleepte de totaal onthutste knecht met zich mee naar Steenbeek en duwde hem daar naar binnen met de woorden: "ziezoo, hier hebben jullie ’t spook”.
Nadien heeft het op Steenbeek nimmer meer gespookt.


Titelblad van het in 1616 bij de boekdrukker Jan Jansen te Arnhem uitgegeven werd:
"Onium Belgii sive inferioris Germaniae” door Lodewijk Guicciardino.
Het boek is gedrukt op papier dat zo goed als zeker vervaardigd werd op de in 1613 door Jan Jansen gestichte papiermolen Hattem of Klein Hattem
(Historisch museum Moerman).



h26


Gedeelte van de stenen muur en de as van het waterrad van de afgebrande papiermolen Hattem.
Foto omstreeks 1936.


h27

De kozakken van Hoog Buurlo

Vol spanning zat iedereen te luisteren, wanneer de baas bij het vuur het vreemde verhaal vertelde over de kozakken van Hoog Buurlo.
De maand november van het jaar 1813 liep reeds ten einde en nog altijd zwierven over de Veluwe de "koezakken” op hun taaie paardjes en maakten het de bewoners der afgelegen gehuchten en boerderijen vaak bar lastig. Tot nu toe was Hoog Buurlo van hun bezoek verschoond gebleven, doch op een nevelige novemberdag verscheen plotseling een troepje dronken kozakken op de eenzame nedetzetting. Direct na hun aankomst vorderen de ruwe klanten op barse toon geld en jenever van de verschrikte bewoners. Ze doorzoeken de woning en schuren, zelfs het bakhuisje en de hooiberg.
Het aardewerk slaan ze daarbij kort en klein. Als het verlangde niet aanwezig blijkt te zijn, ontsteekt hun woede meer en meer. De kozakken slachten een paar schapen en braden het vlees boven een houtvuur. De kerels beginnen de beangste mannen, vrouwen en kinderen te mishandelen en dreigen Hoog Buurlo in brand te steken, wanneer het verlangde niet ten spoedigste verschaft wordt. Het zou met de nederzetting en de bewoners slecht zijn afgelopen, indien niet tijdig hulp van buitenaf was gekomen. Temidden van al het geschreeuw en tumult ziet een jongen de kans schoon er ongemerkt op een paard vandoor te gaan. Hij rent in allerijl naar de bouwhoeve Assel en vertelt het gebeurde aan de pachter van de boerderij. Deze bedenkt zich geen ogenblik, springt te paard en snelt naar Ugchelen om hulp. De bevolking daar wordt inderhaast ingelicht en is direct bereid het benarde Hoog Buurloo uit de greep van de kozakken te verlossen. Al gauw trekt een aantal papiermakers met hun knechts over de eenzame heideweg naar Hoog Buurlo. Bewapend zijn ze met bijlen, schoppen, hooivorken, zeisen, knuppels en messen. Nauwelijks bereikt het troepje de omgeving van Buurlo of men zendt een paar verkenners uit, die weldra met de tijding terugkeren, dat de bewoners gelukkig nog in leven zijn en het grootste deel der gebouwen en van de levende have tot nogtoe gespaard is. Ook brengen de mannen de tijding mee, dat alle kozakken op het hooi in de schuur hun roes liggen uit te slapen . . .
Nu komen de mensen uit Ugchelen volledig in aktie. Geen ogenblik aarzelen ze, maar nemen direct maatregelen voor een grondige "opruiming” der kozakken. Voorzichtig sluipen de Ugchelsen op hun tenen de schuur binnen. Daar bevinden zich de kozakken in diepe rust verzonken. Keurig netjes leggen de bevrijders de dronkaards naast elkaar, met de hoofden in één lijn. Vervolgens wordt een ladder gehaald en precies langs de halzen der slapers geplaatst. Dan flitsen bijlen en messen en even later zijn de hoofden der plunderaars gescheiden van het overige gedeelte der lichamen.
Daarna begraven de mannen uit Ugchelen de stoffelijke resten op een stille plek, niet ver van de tweede schaapskooi. Ook de wapens verdwijnen onder de grond. Voor de paarden wordt een andere bestemming gevonden.
Laat in de avond keren de Ugchelsen naar hun woonsteden terug. Over Hoog Buurlo daalt de rust . . . . Te midden van slank omhoogrijzende berken stond daar nog lang een plek bekend als "het kozakkenkerkhof”.
Aldus het verhaal over de kozakken van Hoog Buurlo, zoals men het in Ugchelen rondom de haardvuren vertelde en van ouders op kinderen overleverde. Het is een legende, maar toch moet er een kern van waarheid schuilen in deze wonderlijke vertelling.

Geheimhoudlng

Sommige papiermakers konden erg geheimzinnig doen met alles wat te maken had met hun papierbedrijf. Nog in 1843 lezen we daarover in een op Steenbeek ondertekende verklaring van de volgende inhoud: "Wij ondergeteek. neemen op ons om te werken in den Nieuwen aangelegden droogerij van J. van Delden Mz waarvoor wij ons verbinden voor een stip geheim houden zaak om er niets van te zeggen of te schrijven of te beduiden hetzij tans of bij vertrek van ongenoegen of met vreden. Zoo er van dit bovenstaande iets met voorbedagzaamheid gezegt of geschreven word ter verbeuren van 30 gulden aan de Beekbergensche Armen het zij per ongelnk in gesprek een woord ontvalt welke op ieder zij konseinsi zal needer koomen ter verbeur 20 cent ter voordeel van de ondergeteekenden kas.
Aldus gedaan en geteekent te Uchgelen den 15 Nov. 1843

J. van Apeldoorn J. van Delden Mz.
D. Groeneveld A. Oudbier
Jac. van Delden J. Berends Jr.
G. J. Meyerink J. Huiskamp
B. Gersen

De naam Gersen is een verschrijving voor Kersen. De opsteller van het stuk springt een beetje raar om met taal en zinsbouw. Het is niet duidelijk waar een dergelijke geheimhouding voor nodig was. De papiermakers waren door onderlinge familiebanden en ook door hun knechts terdege op de hoogte van het fabrikageproces in de molens van hun medepapierbereiders.

De eerste school in Ugchelen stond op Steenbeek

Omstreeks 1844 komen we weer in aanraking met de papiermaker Johannes van Delden op de molen Steenbeek. In zijn dagen begon men in Ugchelen steeds meer het gemis te voelen van een eigen school. De kinderen uit de buurschap moesten in Beekbergen naar school, hetgeen vooral in de winter grote bezwaren met zich medebracht.
Enkele inwoners van Ugchelen staken de hoofden bij elkaar; men ging eens praten met het Apeldoornse gemeentebestuur en het eindresultaat was een contract dat in 1844 tussen de gemeente en de papiermaker Johannes van Delden werd gesloten. Het hield o.a. in: "Voor schoollokaal staat Van Delden at het vrije gebruik van een zijner woningen op het terrein van Steenbeek, totdat een meer geschikt en beter in gericht gebouw zal zijn gevonden.” Namens verscheidene ingezetenen van Ugchelen verbindt Joh. van Delden zich om gedurende de jaren 1845, 1846 en 1847 jaarlijks 25 gulden te verstrekken als toelagen voor de onderwijzer en deze kost en inwoning te verschaffen tegen een vergoeding van twee gulden per week. Toen kon je nog eens goedkoop kostganger zijn! Na de bouw van een nieuwe school is het oude schooltje weer tot woning ingericht.
Het stond toen bekend als "grootmoedershuisje” en bleef lange tijd in de vroegere toestand bewaard. Enige jaren geleden is het schilderachtige woninkje veranderd i2 een landhuisje. Als iets bijzonders bezat het grootmoedershuisje een houten vloer mat "kindervoetjes”. De vloer had men eerst donkerbruin geverfd. Toen de verf bijnadroog was ging er een klein meisje of jongetje op blote voetjes doorheen tippelen.
Tijdens deze rondwandeling doopte het kind telkens z’n voetjes in een gele verf. waardoor geelachtige voetafdrukken op de donkerbruine ondergrond achterbleven. Zo ontstond tenslotte een vloer, waarop zich overal kindervoetjes aftekenden. he:geen ea: uniek effect opleverde.

Koninklijk bezoek werd geen succes

Tot de bezoekers van Steenbeek behoorde ook eens koning Willem Ill, maar zijn verblijf bleef beperkt tot enkele seconden. Tijdens een rijtoer door de omgeving ontstond juist voor de papiermolen Steenbeek een mankement aan het koninklijk rijtuig. Daar herstel van het euvel nog wel enige tijd zou vergen, stapte Willem III uit en wandeldede Ugchelseweg op en neer. Hierbij viel zijn oog op het nabij gelegen Steenbeek en nieuwsgierig vroeg hij aan een voorbijganger, wat het voor een gebouw was. "Een papiermolen, mijnheer”, kreeg de koning ten antwoord.Van zins zijnde het lange wachten wat te bekorten, stevende de vorst op Steenbeek af en stapte naar binnen. Maar een ogenblik later stond hij al weer buiten, want in de molen waren juist een paar knechts bezig met de zogenaamde "stinkpot” en de scherpe, doordringende en vieze geur van het zwavelzuur verspreidde zich snel in hetrond. Tegen zulk een stank was Willem lll niet bestand, hij deinsde achteruit en haastte zich de frisse lucht weer in. Zo eindigde dit koninklijk bezoek aan Steenbeek feitelijk al voor het begonnen was.

Wel een kanaal, maar geen water

Bij de aanleg van het kanaal Apeldoorn — Dieren vormde de watervoorziening het voornaamste probleem. Het kanaal was er wel, maar de deskundigen wisten niet hoe men het vol water kon krijgen! In de Apeldoornsche Courant van 28 maart 1863 vinden we in verband daarmede ook de molen Steenbeek genoemd. "Dezer dagen zijn door den Heer van Riel, opzigter bij den Waterstaat, opmetingen gedaan voor het water, benodigd voor het kanaal van hier naar Dieren; het kanaal geeft voor ’t ogenblik 1 el (!) water; het overige benoodigde zal men beproeven te vinden van den molen van den Heer J. van Delden Mz. op Steenbeek, door het water van daar af te leiden in de sprengen bij de tol aan deze zijde van Beekbergen”. Een later bericht (4 april) in hetzelfde blad zegt, dat bedoelde opmetingen een gevolg waren van voorstellen door J. van Delden aan Waterstaat gedaan. Deze hielden in: "het water van J. van Delden ; te nemen voor het Rijk, en de onderliggende fabrieken te vergoeden, door die hoeveelheid water te graven in de hooger gelegen bronnen, en wel in die, waarvan de ondervinding geleerd heeft, dat ze bijna uitdrogen bij zomerdroogte”. "Die voorstellen”, aldus gaat het blad verder, "zouden geheel in het eigenbelang van genoemden fabrikant zijn, terwijl de onderliggende fabrieken daardoor aanmerkelijk zouden lijden, ja haren ondergang tegemoet gaan, hetgeen niet alleen gansch niet in het belang van het kanaal zelve, maar voorzeker geheel in strijd zou zijn met het doel, waartoe het kanaal is daargesteld: de bevordering der nijverheid op de Veluwe”. Het gevolg van een en ander was, dat het water van Steenbeek niet in aanmerking kwam en het Rijk zelf sprengen liet graven in Oosterhuizen (de nog bestaande Oosterhuizersprengen) en later die van de beek van de Loenense waterval. In het boven aangehaald krantenartikel wordt voor sprengen de onjuiste benaming bronnen gebruikt. Zo als we reeds eerder hebben opgemerkt, is een bron totaal iets anders dan een spreng.

De Wilhelminaboom te Ugchelen

Omstreeks 1870 deed J. van Delden zijn papiermolen Steenbeek met bijbehorende grond over aan Hugh Hope London, die het geheel tot een buitenplaats met fraaie tuinaanleg wilde doen inrichten. London was bevriend met de bekende schrijver Hofdijk, die dikwijls als gast van koning Willem III op Het Loo verbleef. Ter gelegenheid vande geboorte van prinses Wilhelmina (31 augustus 1880) plantten Hofdijk en Loudon de "Wilhelminabeuk” (op de hoek Brouwersmolenweg - Ugchelsegrensweg). Daar het poten van dergelijke herdenkingsbomen toentertijd nog maar weinig voorkwam, is dit één der weinige (misschien de enigste?) beukebomen, die ter herinnering aan dit feit zijn geplant. Ugcehelen en vanzelfsprekend de gehele gemeente Apeldoorn mag dus wel heel zuinig zijn op deze historische beuk! Hiermede moeten we ons verhaal over de historie van de papiermolen Steenbeek en over enkele gebeurtenissen uit het dagelijks leven op de molen - besluiten. Andere molens vragen eveneens onze aandacht.

De papiermolen Klarenbeek (kaart I nr. 33)

Zoals eerder is vermeld laat de papiermaker Hendrik Tonissen Baes - zonder vergunning der geërfden van de mark - omstreeks 1654 sprengen en een beek graven, waarop door hem het "Kleine Bazemolentje” (Steenbeek) wordt gelegd. De ontvanger Marten van Heyden, eigenaar van Berghuis en van een daarbij gelegen molen, wil in hetzelfde jaar op deze nieuwe beek eveneens een molentje timmeren. Het verzoek daartoe wordt op 30 mei 1654 door de geërfden afgeslagen 109) "uyt oorsaecke, dal na gewonnen oogenschijn, ’t selve, sonder groote inundatie ende onderstouwinghe van ’t veen niet mogelijk te sijn”. Pas in 1838 wordt door de toenmalige eigenaar van Steenbeek veel hoger op deze beek een tweede molen (kaart I nr. 33) gebouwd, die de naam krijgt van Klarenbeek. De bouwkosten bedroegen f 2076,45 1/2.
Er is een rekening bewaard gebleven van "Gelden betaal door het aanleggen van de Nieuwe Mool Genaam Klaarenbeek”.
In 1837:
Lubbert Estam en A. Beekman een jent (= gedeelte) van de Beek 31,25
It. Hulshof het andere aangenomen 79,22
It. Hulshof boom gehak 1,50
Jan Raad It. Hulshof werkloon 3, —
3 vles Jan never 1,
Ton van Werven en de Bruin zaagloon 21, -
3 vles Jan never 1,20
Kris Timmer boomen gehaald Uchg. bos 10,40
Reijer Schut boomen gevaren en Jan never 14,90
Mouw het Bakhold en 4 vragt hout Jann. 16,40
Voor dak H. J. Muller en dagloonders 15,20
15000 (’3) steen vragt en met het schip 33,95
3 vim Riet en 2 ton kalk bij Bennink 16,30
Pannen en dekheet 36,25
dekloon weer (?) en bandgarden
Jan Wouters 2 vragten v. Deventer 14,10
4 Kley Boeren en 3 slotten aan de deur 12,10
Jan Wouters het waterrad na de mool 20,32 1/2
Voor kleij gevaren 4 man 11,55
4 dagloonders om de klei in te werken 11,40
Voor inlage van Brand waarborg 26, -
Voor Rijz aan de onder beek 3,33
Betaal uit de Boel 782,49

Oudbier een reeknig 166,20
Peter Berends " ` ` 221,77
J. W. Buitenhuis " 253,70
H. Elferink " 186,57
E. van Masse steen 80, -
B. Landaal " 150, -
A. Jonker " 51,95
Cno1 Oosterwijk 13,77
T. Dikschij berekend op 130, -
1293,96
2076,451/2

Voor de aanleg van de molen zijn twee grote bochten in de oude beek door een - gedeeltelijk bedijkte rechte nieuwe bedding afgesneden. De noordelijke bocht verdwijnt thans in het spoorwegravijn en kan verderop voor een deel teruggevonden worden; de zuidelijke bocht bevat nog op enkele plaatsen enig water, maar is verder dichtgegroeid met haarmos en beneden afgedamd. De kronkelende oude bedding, welke bij de aanleg van de nieuwe provinciale weg zal verdwijnen, ligt grotendeels op het terrein van het kampeercentrum "De Veldekster”. Met veldekster wordt de gewone tapuit (oenanthe oenanthe) bedoeld, die vroeger in deze omgeving veel voorkwam.
Deze vogels, die tot de lijsterachtigen behoren, nestelen graag in holen op de grond (konijneholen) en hebben met onze eksters niets uitstaande. Op de molen Klarenbeek werd in de beginjaren uitsluitend papierstof gemaakt. Het was toen een zogenaamd stofen hamermolentje en werkte ten dienste van de lager gelegen molen Steenbeek.
De kuipen met papierstof vervoerde men op een soort vlot door de Schoolbeek naar Steenbeek. Over de Steenbeek lag toen een ophaalbruggetje. Later vervaardigde de papiermaker Wouter Berends op Klarenbeek bordpapier. Hij was gehuwd met Johanna Hendrika van Houtum en gaf 29 januari 1838 de geboorte aan van een zoon Jacob.
Als een der getuigen vinden we Baltus Landaal. In 1858 zat Wouter Berends echter op één van de beide molens van Brouwersmolen, waarheen hij zijn bordpapierfabrikage had overgebracht. Zijn opvolger op Klarenbeek was Arend Mensink, gehuwd met Giesberta Wilhelmina Gosiena Sanders. Het echtpaar kreeg in december 1842 een dochter Rebekka. Ze hadden later (1858) zeven kinderen: Reinder, Teunis, Lotherus Bernardus, Rebekka, Andries, Derk Jan en Hester. Er werkten toen drie papiermakersknechts.
Op 13 februari 1877 vond de verkoop plaats van de papierfabriek van A. Mensink in Ugchelen. Klarenbeek is al sinds lange tijd ingericht tot wasserij, die thans "De Oude Klarenbeek” heet, Veldekster 27, Ugchelen.

De Winnemolens (kaart l nr. 34)

Thoenes Teunissen en diens vrouw Merri Aerts verklaren, dat zij op 7 mei 1616 van de erfgenamen der Ugchelse mark in erfpacht hebben verkregen een "meulenstede” op de Ugchelse beek "beneden den muelen van Jacob Jacobs tsoe voer drie Jaren gemaeckt”. Laatstgenoemde molen was in 1613 door Jacob Jacobs gesticht op de plek, waar nu de wasserij Altena ligt (kaart nr. 35). Pachters zeggen dat de uitgifte der erfpacht geschied is 0p "navolgende conditien nemplicken, dat wij ende onsen erffgenamen opte voomoemde Beeck enen pampieren off anderen muelen tot ons selffs Besten sullen muegen maecken, vuijtgesondert koornmuelen”. De erfpacht voor de grond bedraagt jaarlijks 25 carolus gulden. De mark bepaalt, dat de pachters "het water in de voornoemde beke niet sullen moegen opstouwen en dat die bavenste muelen van Jacob Jacobss. daer doer enige schade lede offte krege.” Op verzoek van Thoenis Teunissen en Merri Aerts tekenen Reijnder Reijnders en de papiermaker Marten Orges g het stuk, dat op deze verpachting betrekking heeft. Het gaat daarin dus uitsluitend over de erfpacht van de grond. Van de beide ondertekenaars Reijnder Reijnders en Marten Orges zijn de grafzerken nog aanwezig in de Ned. Herv. kerk te Beekbergen.
Over de uitgifte van het water door de rekenkamer hebben we niets kunnen vinden.
Wel wordt later (o.a. in 1792) gesproken over betaling aan de rekenkamer voor het recht van ’t water. De papiermolen van Toenes Teunissen (Thonis Tonissen, Thoois Theunisz, Tonis Teus, Thonis Thonis) en Merri Aerts (Merrijken Aerts, Merry Aerts) kwam boven de latere Bazemolen (kaart nr. 31) te liggen en kreeg pas jaren daarna de naam Winne- of Windemolen. De Tonissenlaan, Merrijken Aertslaan en Winnemolenlaan zijn genoemd naar Thonis Tonissen, diens vrouw en naar de Winnemolen.
In de naamgeving Merrijken Aertslaan heeft men tevens alle andere Apeldoornse papiermakersvrouwen willen eren, die - naast haar echtgenoten - in zo belangrijke mate hebben bijgedragen tot de groei en bloei der papierindustrie van Apeldoorn.
Thonis Tonissen moet voor 1646 zijn overleden - misschien zelfs al in 1627 - want in een schrijven van het Hof aan de scholtis van Apeldoorn gedateerd 8 november 1627, wordt gesproken over een Merritgen, weduwe van Thonis Theusz en haar oudste zoon Teus Tonis. In elk geval staat vast, dat hij voor 1646 is gestorven. Op 21 november 1646 lezen we namelijk, dat de erfpacht van de molenstede "van de erfgenamen van Tonis Tonissen enigen tijdt niet was ontfangen”. Hierdoor - zo menen de geerfden van de mark - zijn deze van de pacht "vervallen”. Men wil echter genoemde erfgenamen toch over 14 dagen "ontbieden om over verval van de erfpacht te spreken als ook over het afgraven‘van een stuck lants om den bergh”. Op 5 december 1646 besluiten de geërfden over "dit verval van erfpagt twee ervaren advocaten te consuleren”. Beide partijen worden het tenslotte toch met elkaar eens, want in 1656 betalen de erven van Thonis Theunisz de pacht van de molenplaats. We lezen daarover in de eerste uitvoerige "Specificatie van de molenpachten van Uchgelermark” uit 1658, dat de "Erfgenaemen van Sall. Teunis Tonisz.” 25 gulden jaarlijks betalen "verschenen eersten may, der jaren 56, 57, 58. =75-0-”.
Nu is deze aanduiding "erven van Thonis Theunisz” wel een beetje vreemd. In 1650 vindt namelijk naar aanleiding van een geschil over het verleggen van de Steenbeek door de papiermaker Jacob Jacobs een inspectie plaats in het bewuste terrein. In het verbaal 110) daarover van 26 juni 1650 lezen we echter over de molen van Henderick Toniss (Tonissen), gelegen beneden de molen van Daniel Jacobs (kaart I, nr. 35). Met deze molen van Henderick Tonis zal toch wel de Winnemolen bedoeld zijn. Henderick Tonissen heeft "met believen” van de Ugchelse geërfden een geheel "nieuwe grave” gemaakt en hierdoor het water door het veen tot in de beek beneden de molen van Daniel Jacobs geleid. De nieuwe loop blijkt in de laagte aan beide kanten "seer hooch met zoden opgeset te sijn”. Tonissen zegt, dat hij "sijn moelenraden grooter gemaeckt hadde als sij te vooren geweest waeren ende daerover (= daardoor) int water quaemen”. Er wordt ons hier verteld, dat de molen van Hendrick Tonissen toen met meer dan één rad werkte. In het bovengenoemde rept men met geen enkel woord over "de erven van Thonis Theunisz.”, maar wordt alleen gesproken van Hendrik Tonissen als eigenaar van de papiermolen. Dit gebeurt eveneens in 1652.
Dan lezen we in het verbaal 111) over de ambtslasten van Apeldoorn: "Hendrick Tonis pampiermaeckers huys en een pampiere meule van 5 backen leggende opten gront van de erffgenaemen van Uchgelen ende het water van de Reecken Caemer.” Deze Hendrick Tonissen moet beslist een zoon geweest zijn van de molenstichter; misschien is hij wel dezelfde als de Hendrick Tonissen Baes van de Bazemolen en Steenbeek. Het is vreemd, dat in het bovenstaande gesproken wordt van "het waeter van de Reecken Caemer”. In de akten door deze instantie uitgegeven is daarover niets te vinden.
Op de markevergadering van 27 maart 1654 komt aan de orde een graverij in het veen "bij de benedenste molen” van Daniel Jacobsen (kaart nr. 35) door Hendrick Tonissen Baes en enige papiermakers "gedaen uyt eygen authoriteyt.” In 1659 wordt ons verhaald, welke personen met deze "enige” papiermakers bedoeld zijn. Want dan lezen we weer over het graven "bij Daniels molen door den baes Pauwel Martens en Aert Willems”. Pauwel Martens, een zoon van Marten Orges, zat op Hattem; Aert Willems op een der Tiemensmolens. Willem Beekhuis betaalt in 1659 de erfpacht van de molenplaats. Later (1699) blijkt de molen van Thonis Teunisz. (wie is dit?) van diens weduwe Wendel Jansen overgegaan te zijn op Hendrik Wemers (Warners) en Hendrik Cornelissen. Warners wordt nog genoemd in 1712, dan komt de papiermolen door vererving in het bezit van Jan Stevens Ritbroek. Deze was gehuwd met Aaltje Hendriks Cortenbrink, dochter van Hendrik Warners. Hun zoon Jurrien Ritbroek is van 1772 - 1779 papiermaker op de molen.
De naam Winnemolen (Windemolen, Wienne meulen) duikt pas op tegen 1784. Er werd toen ook van windkracht gebruik gemaakt, vandaar de benaming Winnemolen.
Wanneer deze windmolen is afgebroken, weten we niet. Op de Veluwe werd de combinatie wind-watermolen betiteld met watervluchtmolen.
Op 14 november 1792 kopen Aart Lambers Ploegh en Judith Brouwer, echtelieden, van Hilletje Daniels Schut, weduwe van Arent Daniels Schut en haar 4 meerderjarige kinderen Daniel Arents Schut, Christina Arents Schut, Jacobus Arents Schut en Jacob Arents Schut  "een vijf hamerbaks waterpapiermolen genaamd de Windemolen, met Huis, Hof en kleinen Hof, Molenhuis, hangschuur en bouwschuur alsmede een halve Brouwerij, Lijmketel en Bakoven . . . . . voorts nog een Vierendeel houtmark in de Brucheler markt in het Uchelse deel met den beekendijk met zijn holtgewasch tegen de Zomp de breedte van zes voet en aan ’t rode beekje . . . moetende de sprengen agter de nieuwe molen door de Windemolens zamen geruimd worden.” Het betreft hier dus de molen aan de linkerkant van de beek (thans wasserij Quartel). Er wordt zowel gesproken van de waterpacht aan de rekenkamer als over grondpacht aan de Ugchelse mark. De koopsom bedraagt 5890 gulden.
Volgens de enquéte over Apeldoornse papiermolens van burgemeester Gunning liggen er omstreeks 1812 de "Kleine Winnemolen” en de "Winnemolen”. In 1815 heten ze de "grootte Windemolen” en "kleine Windemolen”. De grote Windemolen lag aan de linkerzijde der beek. In 1839 vinden we Teunis Sanders op de molen aan de rechterbeekoever. Hij doet op 5 maart aangifte van de geboorte van zijn zoon Teunis en is dan 56 jaar; zijn echtgenote Berendina van Pannekoek 45 jaar. Als getuige treedt o.a. op de papiermaker Gerardus Wilhelmus van Milligen, deze is dan 61 jaar oud en zit op de tegenovergelegen papiermolen. Op een situatieschets naar een kadasterkaart ligt bij de Winnemolens onder de naam "Rojan” een sprengetje, dat zijn water niet in de bovenbeek bracht, doch beneden de raden in de onderbeek uitkwam. Deze "Rojan” of "Roojan” - zo geheten naar het ijzerhoudende rode water - liep vroeger op het halve rad van de grote Winnemolen. Genoemd schetskaartje geeft duidelijk de omlegging te zien van de Ugchelse beek ten behoeve van de aanleg der Winnemolen in 1616. De oude loop werd toen als verlaatsloot gebruikt, terwijl een gedeelte tevens de bedding van de Roojanspreng vormde, hetgeen ook nu nog het geval is. Bij het jaarlijkse beekruimen opende men het verlaat in de bovenbeek, het water van deze beek stroomde dan door de verlaatsloot en het gedeelte van het Roojan, liep vervolgens over de weg en kwam tenslotte door een sloot een eind beneden de molen in de onderbeek terecht. Op de plek, waar het Rojan vroeger met een scherpe bocht afboog naar de grote Winnemolen, kon door het plaatsen van een schot verhinderd worden, dat het water uit de bovenbeek tijdens het ruimen via het laatste gedeelte van het Rojan toch direct onder het rad de onderbeek bij de molens bereikte. Het water van het Rojan (in 1792 "’t rode beekje”) doet al sinds jaren geen dienst meer; de sprengen voeren nog wel water aan, doch dit wordt thans door buizen verder naar beneden in de onderbeek geleid. Op de kaart staat aan iedere kant van de beek een molen, links de grote-, rechts de kleine Winnemolen. Boven de molens bevindt zich een wijer, die nu gedempt is. Verder zien we een terrein, dat "zomp” heet, hetgeen duidt op een zompige of drassige plek.
Vroeger stortte het beekwater zich als een bruisende en schuimende waterval vanaf het molenhoofd in de onderbeek. Toen echter onder koning Willem III de paarden van een passerend hofrijtuig voor de neervallende waterstroom schrokken en op hol sloegen, werd een tijdlang een scherm van rietmatten voor de waterval geplaatst.
Een advertentie in de Apeldoornsche Courant van 7 oktober 1882 kondigde de veiling aan "van de - voor weinige jaren nieuw gebouwde - Papierfabriek "de Windemolen”, door zijn helder Bronwater ook zeer geschikt tot Wasscherij en Bleekerij ; met omgelegen Bouw- en Weiland en Houtgewas, alles gelegen tot Ugchelen”, eigendom van Jacobus . Martinus, Willem Frederik en Gerardus Wilhelmus van Milligen, allen papierfabrikanten te Ugchelen onder Beekbergen.
Het geheel omvatte het volgende: "De papierfabriek met tuin en het oostelijk gedeelte van het weiland "de Zomp”, het daarbij behorende 1 / 7 gedeelte in het Hamermolentje (zie kaart nr. 36), het westelijk gedeelte van de bouwgrond tegen de schuur”. Deze veiling betrof de papiermolen Van Milligen aan de linkerkant van de beek (de grote Windemolen). Bij de toeslag op 26 oktober 1882 kwam de molen voor f 4020 in het bezit van Goossen Sanders, die toen eigenaar werd van beide papiermolens.
Op 4 juli 1896 brak brand uit in de papiermolen aan de rechterzijde van de Ugchelse beek (eerste molen Goossen Sanders). Hierover verschaft een krant van 7 juli nadere gegevens: "Zaterdagmiddag te ongeveer 1 uur ontstond door eene tot nog toe onbekende oorzaak brand in de papierfabriek, toebehoorende aan den heer G. Sanders te Ugchelen onder Beekbergen. Door den fellen wind aangewakkerd kreeg de brand weldra een dreigend aanzien, te meer daar de grootte hoeveelheid aanwezige lompen en papier ruimschoots voedsel verschaften aan den grooten vuurgloed.
Spoedig was ook de tweede fabriek, door een beekje van de eerste gescheiden, aangetast, en brandde deze, benevens de drie daaraangrenzende arbeiderswoningen, alsmede de woning van den eigenaar, aan de overzijde van de beek gelegen, geheel af.
De inboedels der woningen heeft men voor een groot gedeelte kunnen redden, doch de machinerién in de fabrieken zijn geheel onbruikbaar geworden en vernield en gingen 15 a 1600 riem papier door het verwoestend vuur verloren. Hoewel behalve de inboedel van een der werklieden, alles geassuradeerd was, is de schade natuurlijk vrij aanzienlijk. Een groote partij ter verzending gereed staand papier werd mede door de vlammen verteerd. Ongeveer 20 menschen zijn door deze ramp tijdelijk zonder werk, en 3 gezinnen van dak beroofd, zoomede de eigenaar.
Twee brandspuiten, één van de Eendracht en één van Apeldoorn, die natuurlijk door den grooten afstand, eerst laat aan het terrein kwamen, vermochten niet anders dan het opvliegen der lompen en papiermassa door het water te beperken.
Eerst laat in den avond was men den brand meester, doch het papier en de lompen zullen zeker nog vele dagen blijven smeulen. Ook voor 25 jaar is deze fabriek afgebrand”. Tot zover het artikeltje in de Apeldoornsche Courant. Beide molens zijn herbouwd en tot wasserijen ingericht, G. P. Duuringlaan 20 en 30, Ugchelen. Jammer, dat geen van de twee wasbedrijven de oude naam "Winnemolen” heeft gehandhaafd. Wel bleef de benaming "Roojan” bewaard in de naam van het woonhuis naast de wasserij Quartel.

De Oude Molen, later Altena (kaart l nr. 35)

Thans komen we toe aan de geschiedenis van de eerste papiermolen in de Ugchelse mark, waarvan de stichting ons in aanraking brengt met de al eerder genoemde papiermaker Marten Orges. Bij akte van 9 februari 1613 krijgen Marten Orges en zijn vrouw Geertgen Schutten (Schut) van de rekenkamer de erfpacht van ’t water voor een papiermolen in Ugchelen. Dit blijkt uit een daarop betrekking hebbend stuk, dat drie dagen later staat gedateerd en waarvan de aanhef luidt: "Wij Marten Orges ende Geertgen Schutten Echteluijden doen kondt allen ende einem jeglicken dat wij voer ons ende onsen Erven van die vander Reckeninge in Naeme der Heren Staten des Vorstendumbs Gelre und Grafschap Zutphen in Erfpacht genommen hebben um tot Uchelen in den Ambte van Apeldom einen Pappier Moelen tho mogen doen uprichten”. .
Aan de voorwaarden, verbonden aan de verlening der erfpacht, verwijzen Orges en zijn vrouw naar de desbetreffende akte van de rekenkamer, waaruit we enkele gedeelten overnemen. Er staat dat "ter Cameren verschenen is Mr. Marten Orges Pappiermaecker tho kennen gevende, dat hij mit den Geerffden tot Uchelen verdragen wasum aldar up seecker waeter einen Pappier Moelen tho mogen uprichten”. Doch daar het recht op dit water de Staten van Gelderland toekwarn, verzocht Orges voor het gebruik daarvan aan de rekenkamer "gebeurlicke consente, under presentatie van darvor jahrlicz tho willen doen dat recht ende behorlick sijn solde”. De rekenkamer willigt zijn verzoek in en bepaalt, dat "Mr. Marten Orges ende Gertgen Schutten Echteluijden ter plaatse vorss. die verzochte Pappier Moelen sullen Mogen doen timmeren ende leggen, um darup Pappier tho maecken, sonder anders waertho te mogen gebrucken”. De pachters moeten voor het recht van het water jaarlijks 7 £ betalen, terwijl de eerste pachtbetaling "sijnen loep ende aenvanck sal nehmen so " wanneer die Pampire Moelen getimmert ende gangbar sal sijn . . . Aldus gedaen then Burele in der Camer van der Reckeninge ’t Arnhem under ’t Cachet derselver Cameren upten IXen dacht Februarij des jahrs XVIc ende darthien, ende was underteickent C. van der Sande . . .” Tot zover de inhoud van de erfpachtbrief van de rekenkamer, zoals deze voorkomt in het drie dagen later gedateerde stuk. Aan het slot daarvan lezen we dat Marten Orges dit stuk, mede namens zijn vrouw, eigenhandig heeft ondertekend en "tot mehrer vestenis gebeden Reinier van Begbergen ende Willem van Ratingen als Geérffden in Veluwen um dese tho besegelen; ’t welch wij Reiner ende Willem vorss. ter bede vorn. gern gedaen . . . Gegeven inden jahre unsers Heren ende Salichmaeckers gebeurt 1613 den 12 Februarij.”

was getekend: Mr Marten Orges ,
Pampiermacher
Reijner van Begbergen Wilhelm van Raetingen

In het bovenstaande hebben we kunnen zien, dat Marten Orges op 9 februari 1613 van de rekenkamer de erfpacht verkreeg van ’t water voor een papiermolen in Ugchelen en dat hij tevoren met de geërfden der Ugchelse mark "verdragen” was om aldaar op "seecker waeter” een dergelijke molen te leggen. Maar op 4 mei 1613 doen de geérfden van Ugchelen aan Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens in erfpacht uit een molenstede "gelegen op de Beeck in Ucheler merck” om daarop op hun eigen kosten "eenen pampieren off anderen meulen, uijtgesondert corenmeulen” te mogen maken. Verder nog een kampje van 1 1/2 molder "gesaaijs omme hetselve tot eenen Hoff off andersins” naar goeddunken te gebruiken. De jaarlijkse pacht voor de molenplaats en het kampje bedraagt 30 gulden. De hiergenoemde Jacob Jacobs was een stiefzoon van Marten Orges, zijn vader heette Jacob Lucas. Diens weduwe Geertje Schut hertrouwde later met Marten Orges. Nu is het eigenlijk een beetje vreemde zaak met de stichting van deze molen. De erfpacht van de grond voor de molen krijgt Jacob Jacobs, terwijl die van het water bij de rekenkamer aangevraagd en verkregen wordt door zijn stiefvader Orges. De pachtbetaling aan de rekenkamer staat ieder jaar steeds op naam van Marten Orges, pas na diens dood op die van Jacob Jacobs. Zo lezen we in de rekening van de ontvanger van Veluwen over 1617/18 "Noch gifft Marten Orghers van een Pampier Moelen, jaerlix tott Erffpacht VII £”. Dit gaat door tot en met 1626/27, doch de rekening over 1627/ 28 vermeldt: "Jacob Jacobsz. vorhen Marten Orghes VII £”. De pacht voor de molenplaats wordt echter altijd door Jacob Jacobs betaald.
Waarom niet een en dezelfde persoon de gronden waterpacht voldoet is ons niet duidelijk geworden. Toch heeft Orges op deze eerste molen in Ugchelen niet zelf papier gemaakt, al zal hij bij de stichting daarvan wel financiéle steun verleend hebben.
Zoals we zagen, was Jacob Jacobs (Jacobsen) gehuwd met Jenneken Reijntgens (Reijners) en hun zoon voegde later de achternaam van zijn grootmoeder Geertje Schut toe aan de zijne, evenals de afstammelingen van Orges’ zoon Paul dit deden (zie bij molen Hattem). De Schutten in Ugchelen zijn dus geen nakomelingen van Marten Orges, maar stammen uit de echtverbintenis van Jacob Lucas met Geertje Schut. Dit in tegenstelling met de Schuts van Hattem, die regelrecht afstammen van Marten Orges en diens vrouw Geertje Schut, eerder weduwe van Jacob Lucas. Ze hebben allen wel dezelfde stammoeder.
Al deze verschillende Schuts of Schutten treffen we dan aan op molens in Ugchelen, Wormingen, Beekbergen, Noord Apeldoorn, Loenen, Eerbeek, Renkum en Heelsum.
Tot op de huidige dag spelen leden van dit geslacht een voorname rol bij de papierfabrikage.
Voordat we ons bezig houden met de verdere geschiedenis van de molen, willen we eerst eens proberen de loop na te gaan van het beekje, waarvan Marten Orges - ten behoeve van zijn stiefzoon - in 1613 de erfpacht verkreeg en welker betaling een aanvang moest nemen op 9 juli 1614. In 1566 kocht het Sint Petersgasthuis te Arnhem een "saelweer” (hofstede of erf op een herengoed, oospronkelijk een horig goed van de Gelderse graven en hertogen) in Ugchelen, waarbij een stuk land behoorde "streckende an die beeck” en ook "den gansen elsen”. Zoeken we dit erf op in het terrein, dan komen we bij de plek, waar de bovenste sprengen van het Voorslop liggen, die alleen zuidwaarts in de hoge dalkant in de mark zijn uitgegraven, daar dit door de landerijen aan de noordzijde niet mogelijk was. Het oorspronkelijke beekje is voor de afvoer van deze sprengen gebruikt, die een halve eeuw later door Jacob Jacobs zullen zijn aangelegd. Vermoedelijk is de beek - toen Steenbeek geheten - gebruikt en omgelegd voor de stichting van de papiermolen van 1613 (Oude Molen, Altena), daarna nog weer voor de Nieuwe Molen (het Voorslop, kaart nr. 37), want in later tijd liep het rad van de Oude Molen niet meer op de Steenbeek, maar op de Koppel- of Blekerssprengen. Bij de aanleg van de papiermolen Het Voorslop heeft men de onderbeek daarvan - d.i. dus de vroegere bovenbeek van de molen van 1613 - vanwege het verval diep uitgegraven, waardoor het water niet meer kon dienen om boven op het rad van de Oude Molen te lopen, maar wel op de onderste helft. De mogelijkheid voor dit door ons reeds eerder genoemde lopen "op ’t halve rad” was kort geleden bij de tegenwoordige wasserij Altena nog aanwezig. De Ugchelse of Steenbeek en ook de enkele andere oorspronkelijke waterlopen in de buurschap Ugchelen zagen er voor de stichting der papiermolens heel anders uit. Ze liepen toen werkelijk door de laagste gedeelten van het terrein, hetgeen nu bij de kunstmatig aangelegde gedeelten duidelijk niet het geval is. Dat de laagten, waardoor ze stroomden moerassig waren, bewijzen namen als Vorsenslot (kikkerpoel), de Zomp bij de Windemolen en de aanduiding "int Veen tussen Begbergen ende Apeldoorn” bij de stichting van de Bazemolen en Klein Hattem.
Van de Koppel- of Blekerssprengen (in 1815 "Kleine Koppelsprengen” genoemd) aan de voet van de Bakenberg in Ugchelen valt te vermoeden, dat die een verbetering van bestaande beekjes zijn. Waarschijnlijk heeft daar een tamelijk diepe plas gelegen, gedeeltelijk door grondwater, maar ook door het van de hellingen stromende regenwater gevoed. Nog in 1828 werd door enige papiermakers aan de geërfden verzocht om een sloot met wal te graven langs de koppen van de sprengen bij de Bakenberg, teneinde het smeltwater, dat bij plotselinge dooi niet in de bevroren ondergrond kon wegzakken, te kunnen afleiden. Op het van de heuvels komende vuile regen en sneeuwwater waren ze niet gesteld (zie ook bij molen nr. 24). Genoemde waterloopjes moeten oorspronkelijk hun afvloeiing gehad hebben door de laagte ten oosten van Altena. Van dit water had Jacob Jacobs in 1613 nog geen profijt en het kwam alleen ten goede aan alle lager gelegen molens. Straks zullen we echter zien, dat ze in 1639 door Jacobs zijn gebruikt voor het drijven van een nieuw papiermolentje (nr. 36) en tevens voor zijn Oude Molen, waarvoor men de beek westwaarts langs en door een hoogte heeft geleid en het graven van sprengen duchtig ter hand is genomen.
Een paar oude paalstompen in de beek beneden een omstreeks 1916 afgedamde rode spreng wezen in 1922 nog de plek aan, waar vroeger een houten schot in de beek kon worden geplaatst om bij dooiweer het overvloedige smeltwater door de laagte te kunnen afvoeren. Voor dit doel was tevens een gedeelte van de rechter beekdijk verlaagd, ook had men boven de Oude Molen (Altena) een inrichting getroffen om het water van bovengenoemde rode spreng apart te houden. Daartoe was bij de samenkomst van de rodolmspreng met het andere ongekleurde water midden door de beek een schot van planken geplaatst, dat de beek tot bij Altena in tweeén deelde en het zuivere van het rode water scheidde. Beiden dreven het molenrad van Altena, maar alleen het heldere water deed dienst bij de papierbereiding. De jongens uit Ugchelen hielden vroeger onder elkaar vaak een wedstrijd wie van hen vanaf de rode spreng tot aan het Kerkbruggetje (nu duiker) over het schot kon lopen en daarbij de minste keren in de beek terecht kwam. Het houten schot is sinds de afdamming van de rodolmspreng verdwenen; tussen de Hamermolen en Altena bevindt zich nog een dergelijke "dubbele” beekloop. Hier wordt de .afscheiding gevormd door een uit aarde opgeworpen dammetje.
De hoeveelheid water, die door een sprengenstelsel geleverd kan worden, blijkt uit enkele metingen, die in de zomer van 1933 door J. D. Moerman bij enige sprengenbeken zijn gedaan. De afvoer van de goed schoongemaakte en verzorgde sprengen van Brouwersmolen, die een normale Sprengenbeek voeden, bedroeg toen 36 liter per seconde.
De sprengen van het Voorslop leverden nagenoeg evenveel, terwijl het vermogen van de sprengen der Schoolbeek (Geurtssprengen) slechts 20 liter was en van de goed onderhouden en rijkvertakte Blekerssprengen nog minder, namelijk 15 liter p. sec.
De rekenkamer te Arnhem heeft nimmer de verplichting op zich genomen om zelf die beken en sprengen te onderhouden en er is dan ook nooit door hen een cent aan ten koste gelegd. Deze instantie liet de papiermakers hun gang gaan en heeft zeker met genoegen gezien, dat door het graven van talloze sprengen in de 17e en 18e eeuw steeds weer nieuwe aanvragen voor watererfpachten binnen kwamen. Het spreekt vanzelf, dat de papiermakers de nieuwe beekvakken en sprengen, die ze zelf met grote kosten hadden gemaakt, volkomen als hun eigendom beschouwden. Toen men in de Franse periode de rekenkamer ophief werden de erfpachten jarenlang niet geind. Nog tijdens het Franse bewind kregen de pachters de gelegenheid hun erfpacht af te kopen. Sommigen hebben dat gedaan, anderen betaalden nog in 1920, de meesten hebben afgewacht zonder te betalen. Er gebeurde echter niets! Volgens het verpondingsregister over 1648/ 49 is Jacob Jacobs dan geen papiermaker meer, maar rentenier. De "olde pampiere molen van 5 backen” alsmede de beide later door hem gestichte molens (Hamermolen en Voorslop) zijn vermoedelijk reeds in 1646 eigendom van zijn zoon Daniel Jacobs. In stukken na die tijd wordt de vader telkens als papiermaker aangeduid. Over zijn verschillende activiteiten horen we straks meer.
Jacob Jacobs leefde nog op 6 augustus 1652, toen hij hout kocht in het Ugchelse bos.
De zoon Daniel Jacobs noemt zich naar zijn moeder Daniel Jacobsen Schut. In 1648 is hij eigenaar en gebruiker van de oude "pampieren molen van 5 backen met huijs en hoff neffens een kampken van 6 schepel . . . Die molen licht opte grond van de Erfg. van Uchelen, gevend jaerlijckschen tot pacht 35 gl. En voor ’t water aen de Reeckenkamer f 7”.
Op 18 november 1671 krijgt Daniel Jacobs van de rekenkamer de erfpacht van de wind tot een molentje voor het maken van papierstof. De mark geeft hem (13 april 1672) in erfpacht "20 voet velts in ’t vierkant, behalve de galderij 8 off 9 voet boven de gront waerop door hem een windmolen is geset om lompen te maken, gelegen aen de noordtwest sydt van syn molen den olden molen genaemt daer hij woont”.
Hij mag in de windmolen "geen huyshoudingh of huyshoudinghen, beesten, schapen off iets ander vee houden.” Daniel Jacobsen Schut was gehuwd met Geertien Janssen. Hij moet omstreeks 1682 zijn overleden, want in dat jaar 112) is sprake van Geertjen Janssen "Weduwe en Boedelhoudersche van Daniel Jacobsen Schut en derselver Erffgenaemen”. In 1698 hebben deze erfgenamen - de 5 zoons - de molens verdeeld en gaan apart wonen.
De Oude Molen komt dan aan de broers Reynder en Gerrit. Op 1 maart 1698 sluit de mark een akkoord met beide laatstgenoemden, aan wie "de onderste van de drie molens genaemt den Ouden Molen ten deel is gevallen, en waer bij maar ene woning is”. Ze krijgen toestemming om de achter het oude woonhuis staande schuur, waarin de moeder destijds gewoond heeft, te verplaatsen "even over de beek aen de noortsyde van voorsyde molen”. De broeders zijn echter gehouden die niet groter te maken en bij de nieuwe woning geen hof aan te leggen. De eigenaars - zowel van het oude als van het nieuwe huis - mogen samen niet meer dan 10 beesten, 2 kalveren en 2 paarden hebben. Ook is het niet toegestaan, dat "meer als twee huyshoudingen in die woningen zijn.” AI deze beperkende bepalingen stonden in verband met het feit, dat op de papiermolens "verscheyden huysgezinnen sigh verhielden, dewelken met beesten houwen (= houden) en plaggen en turff te slaen, alsoo te samen de markt gebruyckten tot groot nadeel van de pagters der olthorige landen en erven”. We zien hieruit, dat met de gestadige groei der papierindustrie ook een voortdurende toename van de bevolking gepaard ging. Deze uitbreiding van het aantal bewoners der Ugchelsemark, dat meestal zonder vergunning van de markegronden gebruik maakte, gaf telkens aanleiding tot klachten van de zijde der geërfden en andere gerechtigden tot deze gronden.
De grote betekenis, die de papiermakerij voor Ugchelen heeft gehad, blijkt in 1749. Toen moet de welvaart in deze buurschap grotendeels afhankelijk zijn geweest van de uitkomsten van het papierbedrijf. Van de inwoners boven de 10 jaar was in f 1749 meer dan 40 % direct betrokken bij de papiernijverheid. Reynder Daniels Schut, de kleinzoon van Jacob Jacobs, woont nog in 1742 op de Oude Molen, dan treffen we daar in 1747 een neef aan, Daniel Jansen Schut, die in 1749 als "capitalist” te boek staat. Ieder die 2000 gulden of meer in roerende of onroerende goederen bezat werd toen als kapitalist aangeduid. Dit hield in dat derge, lijke personen het dubbele bedrag aan hoofdgeld moesten opbrengen. Daniel Jansen Schut was gehuwd met Steynken van Amersfoort uit een papiermakersgeslacht, dat in1648 o.a. voorkwam op de Ruitersmolen te Beekbergen. Hun zoon Arent Klaas Daniels, gehuwd met Hilletje Daniels Schut, zet het bedrijf voort tot ca 4 september 1780, de wed. Hilletje tot omstreeks 1773. Haar zoon Jacob Arents Schut is er nog in 1801. Zijn naam komt voor onder een contract over het ruimen van sprengen in Ugchelen uit 1815, want dit wordt o.a. ondertekend door Jacobus (Arents) Schut als voogd over Maria Schut. We zien uit het bovenstaande dat de afstammelingen van Geertje Schut als weduwe gehuwd met Marten Orges - bijna twee eeuwen lang papier op Altena hebben gemaakt. Met Jacob Arents Schut verdwijnt de laatste papiermaker Schut uit Ugchelen. De naam Altena is dan inmiddels in gebruik gekomen. Volgens de lijst Gunning zit omstreeks 1812 M. van Delden als papiermaker op "Al te Naar”. Dit moet een vergissing zijn, de naam Van Delden klopt hier niet. In 1859 komt de papierfabrikant Jan Terwel voor op Altena. Hij is gehuwd met Maria Johanna Schut. Het echtpaar heeft drie kinderen: Jacob, Bartje en Anna. Hein Tamboer is knecht, verder werken er de papiermakersknechts Willem Gerritsen, Willem Hermannus Weenink (afkomstig uit Vaassen), Rutger Hagen, Hendrik Slijkhuis en Gerhardus Konijnenberg. Na Terwel zit Johannes Lambertus van Delden op Altena. De papierfabriek wordt daarna omgezet in de nog bestaande wasserij "Altena”, nu fa. J. G. Preller en Zoon, Hoenderloseweg 145, Ugchelen. Er bevindt zich nog een sinds lang buiten gebruik gesteld waterrad.

De legende van de "Achterste molen"

Aan de papiermolen Altena is een merkwaardige legende verbonden, die niet onvermeld mag blijven. Deze legende wordt heel juist weergegeven in een "Gids voor Apeldoorn en het Koninklijk Paleis Het Loo en Het Park”, uitgegeven in 1877 bij H. J. ter Gunne te Deventer. De schrijvers vertellen hoe zij "bij de achterste papiermolen inUgchelen” in aanraking kwamen met een landman, die hun de volgende overlevering Jvertelde van deze molen. "Vroeger, aldus verhaalde hij ons, waren de papiermakers jgewoon op zonen feestdagen hunnen molens stil te zetten. Een vreemdeling, welke‘ dien molen gekocht had, besloot ook des zondags met het maken van lompen tot papierstof door te gaan. Maar zie, den 2den zondagnacht daarop, werd in den molen, een helsch leven vemomen en werden zware keien door onzichtbare handen tegen het‘ planken omkleedsel daarvan geslingerd.
Algemene ontsteltenis. Den daarop volgende zondagnacht hetzelfde verschijnsel. .Eindelijk besloot men de hulp van den predikant te Beekbergen in te roepen, teneindeden duivel te bezweren. Toen deze daartoe onmachtig bleek te zijn, werd de kapelaan van "de Horst” te Loenen gehaald. Deze kwam, met wijwater en kwast gewapend,en met een grooten zak over den arm trad hij den molen binnen. Het gedruis daarbinnen vermeerderde op eene ontzettende wijze. Eindelijk hield het geweld op en zag men den kapelaan bezweet en afgemat weer te voorschijn komen, met den zak op den rug waarin zich nu een zwaar en levend voorwerp scheen te bevinden. Een groot gejuich ging onder de verzamelde menigte op, daar een ieder overtuigd was, dat de duivel zich in die zak bevond. De kapelaan stapte met zijn zwaren last naar het niet ver van hier verwijderde Ugchelse bos, waar hij aan den duivel de vrijheid terug gaf onder voorwaarde, dat hij wel weder naar de buurtschap terugkeeren, doch die jaarlijks slechts ééne haneschree mocht naderen. Zijne helsche majesteit schijnt zich trouw aan die bepaling te houden, daar hij de papiermakers, die des zondags tegenwoordig allen hunne papiermolens laten doorstampen, sedert dien dag niet lastig is gevallen”. Aldus deze legende.
De schrijvers besluiten hun verhaal over Ugchelen als volgt: "De brug over de beek bij genoemden "achtersten molen” - wij zouden liever zeggen "den eersten molen”, daar hij de eerste is der vele fabrieken of molens, die door het water gedreven worden, dat niet ver van deze plaats ontspringt - overgetrokken zijnde, bevinden wij ons weldra in de heide en op een aanzienlijke hoogte, vanwaar men, een blik achterwaarts slaande, een prachtig vergezicht heeft over Ugchelen, Orden, Apeldoorn en de ten westen daarvan gelegen bosschen.” Uit het bovenstaande zou men kunnen opmaken, dat met deze, "achterste molen” het tegenwoordige Voorslop is bedoeld. De legende slaat dan niet op Altena, maar op het Voorslop. Volgens Moerman, de beste kenner der Ugchelse molens, heeft het verhaal echter te maken met de molen Altena. De hier genoemde "aanzienlijke hoogte” is natuurlijk de Bakenberg.
In welke tijd zich deze gebeurtenis op de "achterste molen” kan hebben afgespeeld wordt ons niet verteld. Er bestaan verschillende lezingen, die niet met elkaar kloppen.
In de meeste gevallen wordt de vreemdeling, die de molen kocht, met name genoemd.
Hij staat dan steeds als Wettink bekend. Oude ingezetenen konden in het Ugchelse bos nog een plek aanwijzen, die bekend stond als "Wettinksbosje”. Er moet een historische achtergrond aan deze geschiedenis ten grondslag liggen en een werkelijke Wettink bestaan hebben, maar deze naam zijn we op geen der molens daar in de omgeving tegengekomen.

De Hamermolen (kaart l nr. 36)

Jacob Jacobs blijkt een ondememend man te zijn. Hij stelt alles in ’t werk om zijn produktie te vergroten. In 1636 krijgt hij van de rekenkamer de erfpacht van zekere "beeckskens ende stranckskens off well” en op 7 december 1639 het waterrecht van een "beecksken bequaem sijnde om een kleijn pampiermoelentgen daer op te leggen”.
Jacobs moet hiervoor een jaarlijkse pacht geven van 5 gulden. Dit alles slaat op het stichten van "het Hamermolentje”, dat boven zijn Oude Molen kwam te liggen. De hier genoemde "beeckskens ende stranckskens off well” zullen de tegenwoordige Koppel- of Blekerssprengen zijn, die door Jacobs door het graven van sprengen toen zijn verbeterd. Van het "beecksken” uit 1639 wordt gezegd, dat het liep langs "seecker” land, dat hij gepacht had van de geërfden van Ugchelen. Eerder hebben we verteld, dat het stroomde door de laagte ten oosten van Altena. Jacobs had tot nog toe geen profijt gehad van dit water, want het kwam alleen ten goede aan de Windemolen en alle lager gelegen molens. Toen hij in 1639 de erfpacht over dit beekje had verkregen, heeft Jacob Jacobs op vernuftige wijze gebruik gemaakt van een lange lage rug aan de linkerzijde van de beek, die net bij Altena eindigt, en waar de nieuwe loop prachtig langs en doorheen geleid kon worden. Hierdoor waren er maar weinig kostbare zodendijken nodig en was het mogelijk de bovenbeek grotendeels in de vaste grond uit te graven, hetgeen de kans op waterverlies door lekkage veel minder maakte. Door dit alles sloeg Jacob Jacobs een aantal vliegen in één klap. Hij had zich verzekerd van het recht op bijna alle bovengelegen waterlopen en daardoor de beschikking gekregen over de zenuwen van het bedrijf (de sprengen). Hierdoor was hij niet alleen zeker van een regelmatige watertoevoer naar zijn molen(s), maar tevens kregen anderen in de toekomst geen kans meer zich boven hem te nestelen en daar papiermolens te stichten met alle mogelijke nadelen daaraan verbonden. Verder verschafte hij zich een nieuwe wateraanvoer van de andere kant erbij op zijn Oude Molen (Altena), die tot nu toe uitsluitend gedreven werd door het water, dat van de zijde van het (toen nog niet bestaande) Voorslop kwam. Tenslotte was hij in staat een tweede papiermolentje (het latere Hamermolentje) te bouwen. Straks zullen we zien, dat Jacob Jacobs, die niet eens kon schrijven, kans zag in de buurt zelfs een derde molen te stichten. Voor lopig moet het Hamermolentje, meestal het "cleyne” molentje of "Nieuwe Mooltje” genoemd, uitsluitend gebruikt zijn voor het slaan van papierstof, waardoor de produktie op de Oude Molen verhoogd kon worden.
Op 28 juli 1646 krijgt Daniel Jacobsen Schut, de zoon van Jacob Jacobs, van de rekenkamer het recht op "seeckere verlooren waterkens lopende langs en van de huijsen tot in het voorss. beecxken daer sijnen moelen opleijt”. Daniel betaalt voor deze "inlopende Strangetjens” een jaarlijkse erfpacht van slechts 1 gulden, hetgeen duidt op tamelijk onbelangrijke waterloopjes. Blijkbaar is dan de molen niet meer in ’t bezit van Jacob Jacobs, maar eigendom van zijn zoon Daniel Jacobsen (Schut).
Want in 1648 staat Jacob Jacobs "pampiermaecker” niet te boek voor een molen, doch wordt vermeld als eigenaar en gebruiker van een huis en een hof van een schepel.
Volgens het markeboek der Ugchelse Mark betaalt zijn zoon Daniel Jacobsz in 1659 de erfpacht van de "cleyne” molen over de jaren 54, 55, 56 en 57.
Na het overlijden van Daniel Jacobsen Schut (ca. 1682) komt de Hamermolen in het bezit van diens zoon Jochem (1695). Van de Hamermolen als afzonderlijk bedrijf is niets te ontdekken, eerst in 1798 betaalt Peter van Asselt 5 gulden voor de molen.
Deze Peter was daarvoor papiermaker geweest op Tullekensmolen in Beekbergen (1794). Een contract uit 1815 over het opmaken, ruimen en onderhouden der "nieuwe Moolsche sprengen alsmede de kleine koppelsprengen en de windemools zogenaamd de Roojans sprengen” wordt o.a. ondertekend door Peter van Asselt en Arend Klaas van Asselt, papiermakers op "de nieuwe Moolen”. Blijkbaar is de benaming Hamer molen dan nog niet in zwang. Nu is het vreemd, dat Peter en Klaas van Asselt wel meebetalen voor het onderhoud der "nieuwe Moolsche sprengen”, maar niet voor dat van de "kleine Koppelsprengen”. Wat waren deze "nieuwe Moolsche” sprengen, die toen het water voor het molenrad van de Hamermolen leverden en waarom liepen de KoppeIsprengen in die tijd niet tevens op de molen? Het contract van 1815 is gesloten tussen de eigenaars van de navolgende papiermolens: Hamermolen (Nieuwe Molen), Altena, Windemolens, Bazemolens, Hattemse molens en Tiemensmolens. Het Voorslop had eigen beheer over zijn sprengen. Volgens de opstellers van het contract waren toen de genoemde drie sprengenstelsels in groot verval geraakt, hetgeen aanmerkelijke schade opleverde voor de gebruikers der betreffende molens. Voortaan zullen deze de kosten van ruimen en opmaken der sprengen gezamenlijk dragen. Eenmaal per jaar moeten de boven- en onderbeken geruimd worden en wel op twee dagen, namelijk op vrijdag en zaterdag, acht dagen voor "Deventer kermis. Het schouwen zal geschieden door daartoe aangewezen gecommitteerden. Het riet moet er "voor de voet” zijn uitgemaakt, het in ’t water hangende hout opgesnoeid en de zandplaten voor de raden en op andere plaatsen in de beek weggeruimd zijn.
Voor het schoonmaken der Roojansprengen behoefden de bezitters der bovengelegen molens geen bijdrage te betalen. Ze profiteerden immers niet van dit water, evenmin als kleine de Windemolen. Dit was wel het geval met de grote Windemolen, want hier liep het water van ’t Roojan op het "halve rad”. De kosten voor het ruimen der sprengen waren nog te betalen. Zo moest o.a. de Nieuwe Molen (Hamermolen) vier stuivers bijdragen. Altena zeven, de Grote Windemolen acht en ieder der Hattemse molens vier stuivers. Zoals we straks zullen zien, is het contract van 1815 nog in 1908 vernieuwd.
In 1828 richtten Arend Klaas van Asselt en Theunis Sanders een verzoek aan het markebestuur om een sloot te mogen graven langs de koppen van de sprengen bij de Bakenberg om het regenwater te kunnen afleiden. Op het van de hoogte stromende vuile regen- en sneeuwwater waren ze niet gesteld. Deze wal vormt daar nu nog de grens van de Blekers- of Koppelsprengen. De hier genoemde Theunis Sanders kwam uit Eerbeek en staat daar op een Franse lijst: "Registre de la population de la commune de Loenen” van 9 februari 1813 nog vermeld als "garcon papetier”, woonachtig te Eerbeek, oud 28 jaar.
Omstreeks 1854 komt het Hamermolentje nog steeds voor als "Nieuwe Molen” en is dan een tijdlang gedeeltelijk ingericht tot korenmolen. In 1854 kwam Jan Geerlings er als korenmolenaar. Hij was afkomstig uit Twello en vertrok in 1859 naar Wilp. Geerlings was gehuwd met Wilhelmina Hovens. Er worden twee zoons genoemd Elias en Willem. De laatste werkte in de maalderij, evenals de knecht Jan Willem va: Hondhorst. Allen verhuizen in 1859 naar Wilp.
In 1866 vinden we nog steeds de naam "Nieuwe Molen”. Dit blijkt uit een advertentie in de Apeld. Courant van 7 februari van dat jaar. Men is voornemens in de maand maart te veilen: "De Papierfabriek, ook ingerigt tot Koornmolen, genaamd de Nieuwe Molen, gelegen te Ugchelen. Is inmiddels uit de hand te koop of te huur. Franco te bevragen bij den Notaris Muller te Apeldoorn”. Een latere advertentie (14 april 1866 verschaft meer gegevens. We lezen, dat notaris Muller op zaterdag 21 april "bij inzaag” en zaterdag 5 mei "bij Toeslag” voor de heer P. Kok Ankersmit zal verkopen "de Papierfabriek de Nieuwe Molen met Huis, Bouw- en Weiland te Ugchelen." waaronder ook het houten gebouw op de rechterzijde der beek met hamerbak en waterkracht. Verder o.a. het stenen gebouw en 1 schuur aan dezelfde kant van de beek en de woning aan de grintweg met erf en tuin”. Op 1 december 1866 is er geen korenmolen meer in werking, want dan is er sprake van de verkoop van "23 eiken, 1 kersen- en 1 essenboom bij de vorige korenmolen te Ugchelen”.
Later doet het Hamermolentje weer uitsluitend dienst voor het maken van papierstof en is dan gezamenlijk bezit van een aantal papiermakers. Vandaar ook het in de advertentie van 7 oktober 1882 genoemde 1/ 7 gedeelte in het Hamermolentje bij de aangekondigde veiling van de papierfabriek de Windemolen. Tegen het eind der 19e eeuw brandt de Hamermolen af en gedurende lange ligt daar niets meer en blijft het verval onbenut. In een contract van 1908 – een vernieuwing van dat uit 1815 - en dat weer te maken heeft met het ruimen van dezelfde sprengen - lezen we dat de daarin met name genoemde blekers (dus geen papiermakers!) aandeelhouders en gezamenlijke eigenaren zijn van de "Nieuwe Molensche- en Koppelsprengen”. Het zijn:
1. Johann Gotlieb Preller (de molen Altena)
2. Arnoldus Pieters (de grote Windemolen of "de Hoop”)
3. Cornelis Quartel Leendertszoon (de kleine Windemolen); de aanduiding achter


Waterpapiermolens De Bazemolens met twee raden,
tekening uit 1869 door J. G. Smits (1823—1910).


h28


Merk op de riemkap van Gebrs. Berends, papierfabrikanten op de molen Steenbeek
(Hist. Museum Moerman).

h29

2 en 3 kloppen niet. Pieters zat op de Kleine Windemolen, toen "De Hoop” geheten, terwijl Quartel het wasbedrijf uitoefende op de voormalige grote Windemolen aan de linkerzijde van de beek.
4. Gerritje Berends van Loenen, wed. van Lammert Dijkgraaf (de Bazemolen, vooraan liggende)
5. Willem Uyt den Boogaard Gerrits zoon (de Bazemolen, achteraan liggende)
6. Dirk Kamphuis Senior (Hattem, de Koopmansmolen, d.i. Methusalem)
7. Elberta Geertruida van Tongeren, wed. van Rutger van Zeist (Hattum, de Schutsmolen)
8. Willem Uyt den Bogaard Evertszoon en Cornelis Uyt den Boogaard (Hattum, de Bouwhofmolen)
9. Albert Cornelissen (de Tiemensmolen, vooraanliggende)
10. Dirk Kamphuis Jr. (de Tiemensmolen, achteraanliggende).

Van alle kosten ten behoeve der Nieuwe Molensche- en der Kleine Koppelsprengen gedaan, betaalt ieder een gelijk tiende deel. We lezen verder, dat in de kosten van het ruimen en schoonhouden der sprengen van het Voorslop, eigenaar de heer A. van Houtum Jzn., zowel de eigenaar als een ieder "onderteekenaar dezer akte of opvolger van een gelijk deel” bijdraagt, Wat het Roojan betreft betalen alleen degenen, die van dit water profiteren. In een latere aantekening zonder jaartal staat dat de Roojansprengen zijn "dichtgemaakt”. Natuurlijk was de kleur van het ijzerhoudende water voor de wasbedrijven minder geschikt. Het is merkwaardig, dat in 1908 nog altijd gesproken wordt van de "Nieuwe Molensche” sprengen, hoewel op de plek van het voormalige Hamertje al sinds geruime tijd geen bedrijf meer lag. Pas na 1910 werd daar een wasserij gebouwd, "De Hamermolen”, Hoenderloseweg 155, die waterrecht moest betalen aan de eigenaren der bovengelegen sprengen. Tot voor enige jaren draaide er nog een klein ijzeren waterrad, dat dienst deed voor de compressor. De Hamermolen was toen de enige wasserij in de gemeente Apeldoorn, die van waterkracht gebruik maakte. De wasserij "De Hamermolen” is inmiddels opgeheven, doch het waterrad hangt thans (1967) nog altijd beneden de molengoot.

De Nieuwe of Bovenste Molen, later het Voorslop (kaart l nr. 37)

In 1644 zet de papiermaker Jacob Jacobs de kroon op het werk door dichtbij zijn twee reeds bestaande molens in Ugchelen nog een derde molen te timmeren, het latere Voorslop. Op 10 oktober 1644 tekenen Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijntgens een stuk, waarin zij verklaren van de geërfden van de Ugchelse mark in erfpacht ontvangen te hebben "een ledige plaetse van omtrent een mudde gesays landts opte Ugcheler beek boven onsen muelen gelegen, om aldaer enen nijewen doch gheen Coornmuelen te setten”. Bovendien nog "stijff twee mudden geseys landts tusschen ’t Uchgelensche beeksken ende ’t kleijne hull achter onsen camp genaemt Bartolts camp om tot landt aen te graeven”. Deze Bartolts kamp, geheten "Het Hoge Hull”, had Jacobs destijds gekocht van de erfgenamen van Anna Bartols. Jacob Jacobs en zijn vrouw verwijzen vervolgens naar de door de geërfden van Ugchelen op 23 februari 1641 uitgegeven erfpachtbrief. Daarin staat, dat door de mark aan hen in erfpacht was uitgedaan "een ledige plaetse van omtrent een mudde geseijts landts opte Uchgeller beeck, genaemt die Steenbeek, boven der Eheluyden muelen gelegen, om aldaer een nijeuwen pampieren off anderen muelen (doch gheenen koimmuelen) te mogen timmeren”. Dan nog "stijff twee mudden geseijs Iiggende tussen ’t Uchgeller beecksken ende ’t cleijne hull, achter Bartolts camp, die Jacobs voorss nu toebehoort om tot Land aen te graven”. De jaarlijkse pacht bedraagt 30 carolus gulden. Het eerste pachtjaar zal "vervallen en verschenen sijn opten iersten dach Meij inden jaer van XVIc twee ende veertich.” Om een ons niet bekende reden moet er echter een vertraging zijn opgetreden, want de ondertekende verklaring van Jacob Jacobs en Jenneken Reijntgens, waarvan het laatste gedeelte met de handtekeningen door een andere hand en met andere inkt is geschreven, staat gedateerd op 10 oktober 1644. Als datum voor de aanvang van het papierbedrijf op het Voorslop kan men derhalve 10 oktober 1644 aannemen.
Uit de handtekeningen onder de brief blijkt, dat Jacob Jacobs - in tegenstelling met zijn vrouw Jenneken - de schrijfkunst niet machtig was en met zijn huismerk tekende.
Op verzoek van het echtpaar wordt het stuk mede ondertekend door de oud rentmeester Huybert Henricks en de burgerhopman Henrick Wijnen. Voor het schrijven "van den erffpachtsbrief van den tweeden molen” van Jacob Jacobs betaalt de mark later een bedrag van 5 gulden aan Henrijck Wijnen. Feitelijk was het niet de tweede maar de derde molen. Voor de stichting van de derde molen (het latere Voorslop) moest natuurlijk de opzet van de Oude Molen (Altena), aangelegd op verval en bijbehorend dijkwerk vanaf de kant van de nieuw te bouwen molen, grondig worden gewijzigd.
Toch wist Jacobs het zo in te richten, dat het water van de nieuwe molen niet ongebruikt in de onderbeek van zijn Oude Molen liep, maar eerst nog op halve hoogte een aantal schoepen van het rad -— nu draaiend op het water van het Hamermolentje - hielp vullen en daardoor de capaciteit van het waterrad deed toenemen. Deze toestand, het lopen op het halve rad, is daar eeuwenlang zo gebleven.
In 1646 heeft Jacob Jacobs blijkbaar de bouwkosten van de molen nog niet betaald, want op 25 juni wordt voor de Bank van Apeldoorn een kwestie behandeld tussen Pouwel Peelen en Jonas Pauwels - vermoedelijk vader en zoon - contra Jacob Jacobs "pampiermaeker”, die voor zichzelf en namens zijn huisvrouw Jenneken Reijners optreedt. Het gaat over "het leveren en doen van opdracht nae Landtrecht” tegen ontvangst van 1000 gulden voor de eerste termijn en betaling van de resterende 2300 gl. "van de pampiermuelen tot Uchelen Iiggende met desselves toebehoren, recht und gerechtigheit”. De hier genoemde Pouwel Peelen zal wel dezelfde zijn, die in het Verpondingsregister van 1648/ 49 vermeld staat als eigenaar en gebruiker van een huis en hof Apeldoorn, waarschijnlijk de boerderij bij Holthuizen. De Mr. Pauwel Peelen, die in 1658 te maken heeft met de pacht van de molen van de papiermaker Cornelis Hendricks in Loenen, is zo goed als zeker identiek met bovenstaande Peelen.
Op 26 juni 1646 - een dag na de kwestie met Peelen - verschijnt Jacob Jacobs opnieuw voor het gericht. Nu is het de timmerman Hermen Henricksz., die van hem betaling eist van 8O gulden en 13 stuivers wegens dagloon "met timmeren verdient aenden meulen ende andersins”. De eis wordt toegewezen. Ook met de geërfden der mark ligt Jacob Jacobs voortdurend overhoop. Hij heeft in 1646 de beek weer opgestouwd en "den elst” (= het elzenhout) daar langs afgehouwen, waartoe hij niet gerechtigd was. De boswaarder der Ugchelse mark krijgt opdracht de verhoogde wallen "in te slichten” en het weer "opmaken” der dijken wordt hem bij boete van 50 gulden verboden. Maar Jacobs trekt zich van dit alles niet veel aan en heeft in 1651 het beekje "uyt de buerschap Uchelen komende” alweer geleid en opgestuwd. De mark treedt nu krachtdadig op en laat de beekdijk op drie plaatsen doorsteken, omdat "door ’t selve graven principaelick het groene velt ten eenenmale bedorven wierdt”. In een request aan het Hof schrijft een verontwaardigde Jacobs, dat het niemand betaamt hem in de "vredige possissie” van de "beeckskens ende stranckskens off well”, in 1639 en 1646 van de rekenkamer verkregen, te "turbeeren”, de dijk van het beekje op vier plaatsen door te steken en het beekwater "tot sijnen grooten schaede” op zijn mestvaalt te laten lopen. We zien, dat Jacob Jacobs - ondanks zijn gerentenier - zelfs in 1651 nog bezig blijft met het verboden opstuwen en omleiden van het beekwater.
De derde molen van Jacob Jacobs komt tot in de eerste helft der 18e eeuw meestal voor als de "Nieuwe Molen”. In 1652 heet hij de "nieuwe pampier Muele”; in 1659 behoort hij tot de "beyde groote molens”, waarvoor jaarlijks 65 gulden erfpacht betaald moet worden aan de mark. De andere grote molen is de Oude Molen (Altena). Zelfs in 1717 lezen we over een stukje grond, gelegen voor de "nieuw molen”. Een tijd later (1736) heet hij de "bovenste molen”. Dan verschijnt langzamerhand de benaming "Voorslop”, die tot op heden gehandhaafd is. Deze - in de loop der tijden verbasterde - naam vinden we daar al veel eerder. In 1649 heeft Jacob Jacobs een morgen grond "int Vorschen Slot”; in 1652 is sprake van "het vorssen slot”. Derck Daniels Schut woont in 1691 op het "Voorslodt”. Met "slot” of "slat” werd vroeger een drassig terrein aangeduid. Vorssen slot betekent dus zoiets als "kikkerpoel”. Later, toen men de juiste betekenis niet meer kende, ontstond daaruit de naam Voorslop.
Omstreeks 1646 komt de nieuwe molen van 4 bakken in ’t bezit van Daniel Jacobs, de zoon van Jacob Jacobs. Zoals we reeds zagen, noemde hij zich naar zijn moeder Daniel Jacobsen Schut. Daniel, die gehuwd was met Geertje Jans (Janssen), fabriceerde wit papier van uitstekende kwaliteit. Op een bewaard gebleven dekblad van een riem papier uit zijn bedrijf - met jaartal 1663 - vermeldt hij: "Dese Fiene Papieren worden gemaekt op de molens van Mr. Daniel Jacobsen Schut”.
In 1668 wil Daniel Jacobsen een schaapschot zetten en schapen gaan houden, doch bij monde van de bosbewaarder Derk Jurriens wordt hem zulks door de mark verboden.
Op 31 augustus van het volgend jaar komt er echter een akkoord tot stand tussen de geërfden van Ugchelen en Daniel Jacobsen Schut, waarbij de laatste vergunning krijgt om op het goed, dat door Geerligh Willems bewoond wordt, drie vierdel schapen (= 75 stuks) te houden. Hij mag een "schot” (= kooi) zetten op eigen grond, maar niet op terrein van de mark. Latere eigenaars van het Voorslop blijven pachters van het goed, want in 1737 betaalt Daniel Schut 10 gulden voor "Jan Geerlighs hofstede”.
Blijkbaar wordt het goed bezit van het Burgerweeshuis te Arnhem, want op 6 augustus 1791 verkopen de huismeesters van dit weeshuis aan Beemt Berghorst en Maria Wassink "het Erf en goed Geerlings hofstede en Veenhuijsen genaemd, bestaande in " Huijs, Schaepschot, Schuur met circa 11 1/2 molder bouwland met de Eijke hegge daerom staende, en een aengemaekte weijde als meede het regt van schaepsdrift, zoo ten aenzien van Geerlings hofstede als Vheenhuijsen”. De koopprijs bedraagt 1450 gulden, benevens de kosten der "reparaties, die thans aan het huijs en de berg geschieden.” Enige jaren geleden is de bezitting Geerlings hofstede eigendom geworden van de fa. Van Houtum, die de daarop staande gebouwen verhuurd heeft aan de "Marba Apeldoorn N.V.”, Hoenderloseweg 78. Door deze aankoop is de‘ geschiedenis van Geerlings hofstede opnieuw verweven met die van het Voorslop. Het stemt tot verheuging, dat de oude benaming daar weer in ere is hersteld. Bij de ingang van het terrein aan de Hoenderloseweg lezen we op een bordje de woorden "Geerlings hofstede”. Een dergelijke handelwijze verdient navolging. Daniel Jacobsen Schut overlijdt omstreeks 1682 en dan vindt in 1698 de al eerder vermelde verdeling der molens onder zijn vijf zoons plaats. Zoon Derk woonde in 1695 al op "het Voorslodt”; diens broer Jan vermoedelijk ook, want de mark stond in 1703 toe de schuur tegenover zijn voordeur "een gebint langer nae sijn huys aen te maken, omdat hij qualyk plaetse hadt in syn schuer, die te klyn was om het voer voor syn vee en syn brant in te leggen”.
In 1708 maakt de papiermaker Dirk Daniels Schut aan de beek boven de molen een "tuyn” (= omheining) om de beesten van de beek te "keren”. Daar er echter op die plek "voor desen nooyt een tuyn gestaen hadt” en deze nu buiten consent der geërfden was gezet, moet Dirk Daniels de omheining "aenstonts wegh breken” en nog bovendien boete aan de mark betalen. De weduwe van Jan Daniels Schut krijgt op 6 april 1717 vergunning om op een stukje grond, gelegen voor de nieuwe molen, "een kamer te setten tot een woninge”.
Op een bijeenkomst der Uchgeler mark van 8 april 1732 verklaarde burgemeester Brantsen van Arnhem en Jan Aerts Sprenkeler, dat door het "excessest” afgraven van de beek "gehele sandtbergen werden opgesmeten”, waardoor niet alleen de markegronden, maar in het bijzonder hun eigen erven veel schade zouden oplopen. Want het was "binnen korten” te vrezen, dat het zand "daer in soude storten”. De geërfden besluiten in de "beecken off graven”, die het water brengen op de molen van Jan Gerrits Hissingh, in tegenwoordigheid van genoemde persoon enige palen te plaatsen en hem te gelasten daar niet voorbij te graven of "enige ingestorte aerde op te smijten”.
De gezworenen en boswaarders der mark krijgen opdracht nauwlettend toe te zien dat de palen niet worden "versedt, verandert off wegh gehaelt”. Om een ons onbekende reden is genoemde Jan Gerrits Hissingh gedurende korte tijd eigenaar geweest van ’t Voorslop. Twee jaar later (30 maart 1734) blijkt de papiermolen in ’t bezit te zijn van Jan Derksen Schut, een zoon van Derk Daniels Schut. Want op die datum vermeldt het markeboek, dat de palen wel op enkele plaatsen zijn gezet, maar niet "in de graven, die het naest aan de erven van de Heer Brantsen en Jan Aerts Sprenkeler waren”. Men besluit dan in de beken bij deze erven eveneens palen te plaatsen en er op te laten letten, dat "niet verder werde gegraven”. Ook zal Jan Derks Schut, "die thans bezitter van de papiermolen is”, in kennis gesteld worden van het besluit van 8 april 1732.
Enig resultaat levert dit niet op, want op 10 april 1736 klaagt burgemeester Brantsen, dat Jan Dirksen, papiermaker op de bovenste molen, nog steeds doorgaat met zijn ongeoorloofd graven. Hem wordt aangezegd, dat hij voor het beekruimen de gezworenen der mark en ook de meiers op de erven van Brantsen, St. Peter en Jan Aerts Sprenkeler eerst daarvan op de hoogte moet brengen. Deze personen zullen dan bij het ruimen aanwezig zijn en erop toezien, dat het werk "ordentelijk geschiedt”. Het Burgerweeshuis en het St. Petersgasthuis te Arnhem hadden aanzienlijke bezittingen in de Ugcheler mark, terwijl burgemeester Brantsen er ook enkele terreinen bezat.
Vandaar dat steeds enige Arnhemmers zitting hadden in het markebestuur, waarvan in die tijd ook burgemeester Brantsen deel uitmaakte.
Jan Derksen Schut blijft de voetsporen volgen van zijn vader en grootvader. Hij trekt zich van alle "resolutien” niets aan en gaat (1738) doodgewoon verder met z’n verboden graverij, waardoor het water "uyt de marckt werde getapt” en de "vaerwegh” naar de naastgelegen erven "seer benauwt” wordt. Bovendien graaft hij tot ver "agter de palen”. De geërfden besluiten, dat - onder toezicht der gezworenen - de boswaarders, al hetgeen achter de palen gegraven is, zullen "insligten en toemaken”. Ze moeten er streng op toezien, dat Jan Derksen (Schut) zich "in toekomende” gedraagt naar de voorschriften der mark.
Op de holtspraak van 28 maart 1738 beloven de gezworenen zich nauwgezet van hun opdracht te kwijten. Deze keer zijn het echter laatstgenoemden, die zich nalatig tonen.
Want op 6 maart 1740 vernemen we, dat "bij oculaire inspectie” was gebleken, dat ze zulks niet hadden gedaan. Hun wordt uitdrukkelijk gelast daarin niet langer "in gebreke te blijven, maar ten spoedigste hetgeen agter de palen te verre is gegraven geweest door de boswaarders onder haar opsigt te doen sligten en behoorlijk toe dempen”. De werkzaamheden van Jacob Jacobs en zijn nazaten aan de Ugchelse sprengen, voornamelijk aan die van het Voorslop, zijn over een tijdvak van ruim een eeuw te volgen. Dan is het sprengenstelsel gevormd, zoals het tot nu toe in hoofdzaak is gebleven. De gronden, waarin de gegraven koppen liggen, zijn van de mark verkregen, maar de erfpacht van het water is door de rekenkamer uitgegeven. Jan Derks Schut woonde in 1747 nog op het Voorslop met zijn zuster Cornelia Derks Schut. Vermoedelijk was hij vrijgezel. Hij had toen 3 knechts, evenals in 1749. Jan Derks Schut komt in de belastinglijsten voor tot 1765, dan verkoopt hij zijn papiermolen aan Harmen Kop, die in het volgend jaar op de molen zit. Harmen Kop was in 1747 papiermakersknecht op de Windemolen, daarna had hij in 1764 - samen met Hendrik Cornelis gedurende één jaar de Tepelenberg "bewerkt”, zoals men dat toen noemde. Harmen Kop vinden we in 1781 nog op het Voorslop, dan zet zijn weduwe Luitje Meijerink het bedrijf voort. Er worden in 1808 vijf soorten papier gemaakt. Gunning noemt omstreeks 1813 nog de weduwe Kop op het Voorslop. De erfgenamen van de wed. Kop verkopen in 1822 de 4 baks papiermolen voor f 2571 aan Lipman van Rees, die toen eigenaar en bewoner was van een der molens van Waterloo. Misschien zijn Jannes en Gerrit Kop, zoons van Harmen Kop, na de verkoop nog korte tijd werkzaam geweest op het Voorslop. Jannes Kop kreeg in 1834 van de mark in pacht een stuk grond van 42 Ned. roeden bij de Kerkbrug over de bovenbeek van de Hamermolen "ten westen en zuiden de beken, ten noorden de Kerkbrug, ten oosten de mark”. Hiermede werd het stuk land langs de beek aangeduid, dat vanaf die tijd als "Kops wei” bekend stond en dus naar Jannes Kop heette. In 1823 heeft Lipman van Rees op het Voorslop 4 knechts in dienst, er werden 6000 pond lompen verwerkt. In 1841 brandde het Voorslop af, waarna de restanten op 6 oktober 1842 door aankoop in het bezit kwamen van de Apeldoornse koopman Frans Dikschei. Op 19 augustus 1843 is sprake van de nieuw aangelegde papiermolen, die door Dikschei op 14 februari 1844 voor 4000 gulden verkocht wordt aan de papiermaker Jan van Houtum van de bovenste Bazemolen (kaart nr. 31). Reeds in 1843 had J. van Houtum grond bij de nieuwe molen gepacht van de Ugcheler mark en hamerbakken gekocht van Derk Boks, voormalig papiermaker op de Ruitersmolen te Beekbergen. Het Voorslop is vanaf het begin in het bezit gebleven van slechts enkele papiermakersfamilies en we vinden hier dan ook niet een komen en gaan van telkens weer andere eigenaars. In de ruim drie eeuwen van zijn bestaan hebben feitelijk maar drie families het Voorslop bewerkt, namelijk Schut, Kop en Van Houtum. De afstammelingen van Geertje Schut van 1644 - 1765, de Kops van 1765 - 1822 en de Van Houtums sinds 1844. Een "Lijst van Werklieden in de Fabriek van J. van Houtum Az. te Ugchelen over de Jaarre 1844” en verder doorlopende tot 1864, noemt over het eerste jaar een negental namen van papiermakersknechts, waaronder vier, die op 4 februari al in dienst gekomen waren, dus nog voor de aankoop van de molen. A. Dijkgraaf kwam 20 oktober 1845 als knecht, doch verdween reeds drie dagen later. Wel een bijzondere kortediensttijd. In een boekje, dat van 1860 dateert, vermeldt de "buurtmeester” J. van Houtum Azn de namen van al de ingezetenen van Wijk Ugchelen met die van hun gezinnen en dienstpersoneel. We lezen, dat de papierfabrikant Jan van Houtum gehuwd is met Sophia Sibilla van Dodeweerd en drie kinderen heeft: Arnoldus, Jacob en Aartjen Johanna. Er zijn 5 knechts en 2 fabriekarbeidsters (Antje Pannekoek en Mientjen Boekaart). Bij het doorbladeren van het geschrift zien we - het is reeds eerder vermeld - dat in mei 1858 bij de papierfabrikant Johannes van Delden op Steenbeek als papiermakersknecht in dienst is gekomen Willem Kramer uit Ootmarsum. De Kramers (Cramers) hadden daar in de buurschappen Hezinge en Mander een vijftal waterpapiermolens. Waarschijnlijk is deze Willem naar Ugchelen gekomen om zich op Steenbeek verder in het papiermakersvak te bekwamen. Bernardus Kremer (Cramer), advocaat te Ootmarsum, had in 1711 in de buurschap Mander de eerste waterpapiermolen in die omgeving gesticht. Het waren echter Apeldoornse papiermakers - en ook iemand uit Vaassen - die de kunst van het papiermaken naar Mander brachten. In 1844 kocht H. G. D. Cramer de Berghuizerpapierfabriek, gelegen op de Grift te Wapenveld. Dit bedrijf is in de loop der jaren uitgegroeid tot de Berghuizer Papierfabriek v.h. B. Cramer N.V.
Jan van Houtum, die ook aan de Tiendaagse Veldtocht van 1831 had deelgenomen en daarvoor het metalenkruis verwierf, was in 1872 president van de toenmalige "Vereeniging van handpapierfabrikanten genaamd Marten Orges”. In 1874 kocht hij te Loenen aan de Vecht een windmolen voor het in beweging brengen van een tweetal hollanders tot verhoging der produktie. De molen zou 1 november 1874 in werking komen. Het beekwater bleef echter de krachtbron vormen voor de hamerbakken. Een tijdlang was het Voorslop dus een gecombineerd bedrijf voor water- en windmolen, een zogenaamde watervluchtmolen. Op een schilderij van G. ten Pas uit 1896 komt de windmolen nog voor. Tevens zien we een fabrieksschoorsteen boven het geboomte uitsteken. Want toen had de stoom ook al zijn intrede gedaan op het Voorslop. Op 24 augustus 1891 was namelijk aan J. van Houtum en Zoon vergunning verleend tot het oprichten van een "horizontale locomobile” van 6 pk voor het maken en koken van grondstoffen en het drogen van papier. Binnen 6 maanden na dagtekening kwam de "Locomobile” in werking. De schoorsteen moest minstens 16m hoog zijn. Toch bleef de handpapiermakerij - naast de machinale papierbereiding - tot ongeveer 1921 in stand. Toen kwam de eerste eigenlijke stoommachine de hamerbakken verdrijven, waarvan er tot die tijd een zestal in werking waren gebleven.
Inmiddels had in 1880 een der belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van het Voorslop plaatsgevonden. De Firma J. van Houtum en Zoon - de zoon Arnoldus (1845 - 1921), gehuwd met Jacomina, dochter van Johannes van Delden op Steenbeek.
was in het bedrijf opgenomen kreeg 1 april 1880 opdracht tot het leveren van papier voor de vervaardiging van bankbiljetten. Sindsdien maakt men te Apeldoorn bankpapier, dat heden ten dage gerekend wordt tot het beste ter wereld. Toch was omstreeks 1840 reeds te Apeldoorn papier voor bankbiljetten gemaakt op de papierfabriek van J. H. Ameshoff, gelegen op de Grift (kaart nr. 12).
Op 31 maart 1928 vond op het Voorslop een niet alledaagse huldiging plaats. Toen waren Joh. Jonker (Hans Jonker) en H. Vels vijftig jaar in dienst der firma. Aan beide werknemers werden ’s morgen op de fabriek door de heren Van Houtum onder het uitspreken van enige "toepasselijke woorden” enveloppen met inhoud ter hand gesteld. Ook mevr. van Houtum-van Delden gaf blijk van haar belangstelling door "het aanbieden van een enveloppe met inhoud”. De Kamer van Koophandel vereerde de jubilarissen een diploma in lijst en een medaille, terwijl van "verschillende andere zijden taarten en bloemstukken werden aangeboden”. Voor H. Vels bleek de drukte al gauw te veel te zijn en men moest hem toen "maar stilletjes” naar huis laten gaan. De "altijd montere Joh. Jonker gaf echter geen kamp” en nodigde al zijn patroons en collega’s met hun vrouwen of meisjes in de zaal van U(ghelens) B(elang), om daar een genoeglijk avondje door te brengen. Van dit aanbod werd druk gebruik gemaakt en de zaal was ’s avonds geheel bezet. Tijdens de tractaties werd "een onuitputtelijke stroom van voordrachten, toneelstukjes, muziekstukken” ten beste gegeven. De jubilaris zat te midden der feestvierenden in "een met groen en bloemen versierde makkelijke stoel”, een geschenk van de werknemers op de fabriek. De muziekvereniging "Kunst na Arbeid” bracht voor het gebouw de heer Jonker een serenade. De voorzitter complimenteerde Jonker met zijn zeldzaam jubileum. Hij wenste patroons en werknemers geluk met dit feit "daar dit voor beiden een eer was”, voor de patroons doordat deze bewezen humane werkgevers te zijn, en voor de werknemers wegens hun "vijftig jaar lang volgehouden trouwen arbeid”. Zijn woorden werden met een "langzal hij leven” door de muziek onderstreept. Toen kwam een rijmelaar uit Ugchelen naar voren, die het volgende "liedje” ten beste gaf:

Heel ons dorpje staat op stelten,
Alles is in rep en roer,
En de lucht is zwaar bezwangerd
Door een prettig feestrumoer.
leder zingt "Lang zal hij leven
Iedereen is stapel dol.
Narigheid heeft men verbannen
Alle hoofden slaan op hol.

’t ls ter eer van Hannes Jonker,
’t Is vandaag zijn gouden feest,
Daar hij vijftig jaar in betrekking
Bij één firma is geweest.
Hulde voor zoo’n trouwe werker
Alle eerbied voor dien man.
Daar hij ons in ’t verder leven
Wel tot voorbeeld strekken kan.

De voorzitter van U.B., de heer J. W. Witteveen huldigde eveneens Jonker en Vels.
Vooral Jonker noemde hij een persoonlijkheid in Ugchelen. "Zonder Jonker was Ugchelen niet compleet”. Verder werd Jonker o.a. nog toegesproken door een diaken der Ned. Herv. Kerk, die hem schetste als een plichtsgetrouw lid zijner kerk. Precies 3 half twaallf maakte de ceremoniemeester een eind aan de feestvreugde "daar men op 1 verzoek van den jubilaris voér twaalf uur eindigen zou”.Een prettige avond was daarmede geéindigd en de "gulle royale wijze waarop ! Joh. Jonker als gastheer zijn gasten ontving, zal niet door hen worden vergeten”.
Deze avond had tevens "weer eens aan zoovelen getoond, dat men ook zonder sterken drank wel gezellig en pleizierig bijeen kan zijn”. Hans Jonker heeft later op een geheel eigen wijze en stijl onder de titel "Voorheen en thans” een bijzonder aardige beschrijving gegeven van het oude Voorslop en over het niet gemakkelijke leven op de vroegere papiermolen. Ik geef enkele gedeelten uit dit met beverige hand geschreven briefje in Jonkers eigen woorden weer.
"Het Vabrik was in planken opgetroken en had een strojen dak, het Woonhuis was van steen, en de Boerderij was weer van planken, het Woohuis was boers”. Onder de ouderwetse schoorsteen stookte men een vuur "dat wir aangeleg met plakken” (= plaggen). Om het vuur bevond zich een grote plaat, "daar konje op zetten en die weeren dan werm, en daar zat de baas met de knegs omheen.” Jonker spreekt steeds van de baas en vrouwe. De kinderen "Nolle en Aartje” hadden het niet gemakkelijk.
Ze moesten ook in het bedrijf werken en "kouw lyjen net zoo goed als het volk.” Nadat hij verteld heeft over de natpers zegt Jonker, dat de "kuipjongens” in zijn jeugd niet elke dag werk hadden wegens gebrek aan voldoende stof, want er was maar één stofbak. "Maar als die kuipjongens niet konden werken kreegens ook niet betaalt dan haddens 3 Gulden in week”. Later kwam er "uitkomst, in 1874 wier de Windmolen gebouw, toen ging het beter, maar toen moesten wij de stof dragen naar het beekhuisje, daar kwam het in een grote ton en als die vol was, dan werd toegemaak met twee grote dekzel”. In het midden zat een rond gat met een loden "pipe”, die van de stookpot kwam. In deze pot bevond zich bruinsteen met zoutzuur "en daar moest onder gestook worden, en moest ik doen met hui (= hooi). Een uur stoken was voldoende en de volgende dag was "de stov wit”.
Jonker gaat gezellig door met z’n verhaal en komt naar aanleiding van het strodak op de molen met de vraag: "Maar zal iemand vragen uw sprak van een strojen daak op de Vabriek, was dat niet gevaaluk, met brant”. De schrijver geeft een geruststellend antwoord. Men was 0p het Voorslop altijd heel voorzichtig. Doch toen de nieuwe molen (= Hamermolen) afbrandde, werd het "wel gevaarluk, het volk lij toen maar grote zijlen op het dak en wier nat gehouden en zoo bleven wij vrij.” Dan voert Jonker de geheimzinnige figuur van Wettink uit de legende van de achterste molen ten tonele, doch haspelt daarbij de zaken wel erg door elkaar.
"Maar zal iemad vragen hoe dat de Niewen avbrande, wel dat zal ik uw zeggen dat heev Wettik gedaan, want hij zat nog boven in de haannebalken toen Molen nog brande, hij was te gevaaluk en toen hebben hem maar weg gebrag, maar hij kwam zo weer en dan haalde hij de menschen het spek uit de pot en dan dan dee een stuk turf weer in”. Het zal wel waar zijn, schrijft Jonker, want ik heb het in een boekje gelezen.
"We behoeven echter niet bang meer voor Wettik te zijn”, zo gaat hij verder "want een pastoor uit Loenen heev hem begraven in de Ucheluse bos van daar de naam Wettikbusje”.
We laten Wettink daar maar rustig liggen en luisteren nog even naar het verhaal van Jonker over het Voorslop. In plaats van een strodak kwamen er pannen op de fabriek; er werd een knopenmachine geplaatst, waarvan het ijzeren rad met de hand gedreven moest worden. Er zat een zeef in, die elke avond door Jonker buiten schoongemaakt werd "of het kouw was of niet moes gebeuren”. In de zomer hinderde dat niet, maar ’s winters "dan kreeg ik zulke kouwe handen”.
Later toen Jonker "al groot” was geworden, kwam hij bij de baas en vrouwe in de kost. Hij verdiende 65 gulden per jaar en had "een goed koshuus”.
Naast de deur van de molen bevonden zich twee bedsteden "een voor mij een voor de boerenkneg”. ’s Morgens was het voor Hans Jonker steeds om half vijf opstaan geblazen, want op dat uur diende hij de deur voor het volk ontsloten te hebben en "dan moest ik ook beginnen”.
De kuipjongens werkten tot 3 uur, doch voor Hans Jonker was de dagtaak lang niet ten einde. Het reinigen van de knopenmachine en van "dat zeev daar de stof op kwam”, dat in de buitenlucht geschiedde, lag nog op hem te wachten.
Over de vervaardiging van het "Geldpapier” wil hij zich niet uitlaten "dat blijv een gehiem voor degenen die het niet weet”. Hij eindigt zijn leuke verhaal over het Voorslop met de woorden: "nuw hebs vertelt van het ouw, het nuwe kunt uw alle dagen men .
Het merkwaardige stuk was getekend: "De ouwe papiermaaker J. Jonker.” Met het aanhalen van enkele gedeelten uit de huldiging van Jonker en Vels en het verhaal van Hans Jonker heb ik niet alleen iets willen mededelen over het Voorslop, maar is het tevens mijn bedoeling geweest de aandacht te vestigen op het "volk” in de Wasserij Altena te Ugchelen in 1938.

Op deze plek stichtte Jacob Jacobs in 1613 de eerste papiermolen in Ugchelen.
Op de voorgrond de beek van het Voorslop, waarvan het water vroeger tegen de onderste schoepen van het rad liep en zodoende het vermogen hielp vergroten.
Van dit lopen op het halve rad geeft de afbeelding een duidelijk beeld.







h31



Jacob Jacobs en zijn vrouw Jenneken Reijntgens verklaren op 10 oktober 1644, dat zij van de geerfden van Ugchelermark de erfpacht verkregen hadden van een "ledige plaetse . . . opte Uchgeler beeck” boven hun molen gelegen, teneinde daarop een nieuwe, doch geen korenmolen te timmeren.
Op deze plek is toen de Nieuwe Molen, later het Voorslop geheren, gesticht.



h32


Merk op de kap van een riem papier, die in 1663 vervaardigd werd op een der drie molens van Daniel Jacobsen Schut te Ugchelen.


h33

molens. Zij aan zij met de papiermakersbazen hebben deze werksters en werkers - vroeger knechts en meiden genoemd - in harde en nauwgezette arbeid het Veluwse handpapier gemaakt tot een alom in den lande en daarbuiten bekend en gevraagd produkt. Een aardige bijzonderheid is, dat het Veluwse papier ook bij uitstek geschikt bleek te zijn voor het maken van knipsels. De knipselkunst werd vooral in de 176 en 1 18e eeuw in ons land veel beoefend. Prachtige voorbeelden daarvan zijn nog in onze musea te zien. Bekend is o.a. het knipwerk van Johanna Koerten, huisvrouw van Adriaan Blok, die zo trots op de kunst van zijn vrouw was, dat hij in 1686 een bundeI lofuitingen, geschreven door haar vele klanten en bewonderaars, publiceerde. Johanna Koerten zelf vertelde dat men de knipsels het beste kon knippen uit "Veluws papier” en dat het verkregen werkstuk het meest tot zijn recht kwam op "blauw suikerbakkerspaplel‘ .
Op 8 mei 1967 bezocht koningin Juliana tijdens een werkbezoek aan de gemeente Apeldoorn ook het Voorslop te Ugchelen, waar zij tijdens een rondgang "veel belangstelling toonde voor het apparaat, dat de watermerken in het Nederlandse bankpapier aanbrengt”. De rondleiding in de fabriek werd voorafgegaan door "een korte theevisite in een knus vertrek”, waar de directeur Jac van Houtum "zonder enig spoor van verlegenheid of aarzeling een verhaal afstak over de fabricage van waardepapier. De Koningin onderbrak hem herhaaldelijk met geinteresseerde opmerkingen, die de heer Van Houtum geen moment van zijn stuk brachten.” Aldus de Nieuwe Apeld. Courant van 9 mei 1967.
Het wordt thans tijd ons verhaal over het Voorslop te beéindigen. De eenvoudige 4 baks papiermolen van Jacob Jacobs, waarop men vanaf 1644 tot op de huidige dag steeds papier heeft gemaakt, is - in combinatie van de papierindustrie Brouwersmolen der Fa. Gebr. Palm - onder de naam "Papierfabriek Van Houtum en Palm N.V.” uitgegroeid tot een der modernste machinale papierbedrijven hier ter plaatse. Het is thans het oudste papierbedrijf in de gemeente Apeldoorn.
Tegen een der muren van de fabriek in Ugchelen prijkt weer de oude naam "Voorslop”.
Hiermede heeft men de herinnering aan en de verbondenheid met een rijk verleden tot uiting willen brengen.

De oudste kern van Ugchelen

Bij het gedeelte van de buurt Ugchelen in de omgeving van de sprengen van het Voorslop moeten we even stilstaan. Want hier "achter in Ugchelen” lagen de oude boerderijen met de aangrenzende bouwlanden van de "grote enk”, het oudste deel en de eigenlijke kern van de buurschap. Op deze "hoek” niet ver van de tegenwoordige Cantharel gingen de vroegere wegen over Assel naar Harderwijk, langs en door de enk (Mettaweg) naar Apeldoorn, op Beekbergen (via Kerkbrug) en naar Otterlo (door de vallei). De huidige weg op Hoenderlo, met een dijk en duiker dwars over het diepe ravijn, is echter een verbinding uit de vorige eeuw die een eind langs en nergens door de oude nederzetting loopt. In april 1740 vervaardigde de landmeter G. Verbeek een kaart van de bezittingen van het St. Petershuis te Arnhem, die gelegen waren in de Ugchelse enk. Op deze kaart komt een groot deel voor van de oude kern van Ugchelen. Vergelijken we de tegenwoordige toestand van dit terrein met die van 1740, dan blijkt dat de kaart van Verbeek nu nog heel goed als wegwijzer gebruikt kan worden en dat bijna de gehele oude Ugchelse enk met zijn woonhuizen, bouwlanden, enkwallen en wegen daar ter plaatse is terug te vinden.

Laten we maar eens de Mettaweg te Ugchelen inslaan waar al gauw het huis "Prinsenberg” bereikt wordt, gelegen op de splitsing Mettaweg - Van Heeckerensweg. We blijven echter op de Mettaweg; gaan even een stukje bos door en zien dan plotseling de vroegere enk van Ugchelen voor ons liggen. De weg, waarop we staan, komt op de kaart van Verbeek voor als "den Apeldoornsen of plagh wegh” en is nu nog niet veel beter dan een plaggenweg. Deze "plagh wegh” vormt een overblijfsel van de oorspronkelijke oude weg, die van de buurschap Ugchelen naar Apeldoorn leidde. Links in de verte ligt het vroeger bezit van het St. Petersgasthuis, thans het landbouwbedrijf van Melissen. Op de achtergrond - tussen het bos en de bouwlanden - loopt de prachtige begroeide enkwal, die daar nog geheel intact is gebleven. De sprengen van het Voorslop zijn op de kaart niet ingetekend, het terrein wordt aangeduid met "de Sprengen”.
Een perceel grond ten westen van dit sprengengebied herkennen we als de Cantharel met omgeving. De tegenwoordige van Goldsteinlaan heet in 1740 "Den Bekbergsen Wegh”.
Het St. Petersgasthuis en het Burgerweeshuis te Arnhem bezaten ieder een boerderij in de Ugchelsemark. Het gasthuis was er eigenaar van het eerder genoemde goed St. Peter, binnen de enk gelegen. Reeds in de eerste helft der 16e eeuw komt het gasthuis door aankoop in het bezit van goederen binnen het ambt Apeldoorn o.a. in Beekbergen (Gasthuismolen) en eveneens in de buurschap Ugchelen. Zoals we al zagen, kocht in 1566 het St. Petersgasthuis een "saelweer” (= grond met huis) in Ugchelen, waarbij inbegrepen was een stuk land "streckende aan die beeck”.
Aan het Burgerweeshuis behoorde de "Wezenhof”, die buiten de eigenlijke enk lag, waar nu het huis Van Golsteinlaan 26 staat. Wel komt de naam Wezenhof tegenwoordig voor op een ander huis daar in de buurt, doch dit ligt helemaal niet op de plek, waar eens de Wezenhof stond. Deze bezittingen gaven ieder der bovengenoemde instellingen recht op een vol deel in de Ugchelse mark, die uit 5 delen bestond.
Vandaar dat we geregeld Arnhemmers aantreffen onder de geërfden van de mark van Ugchelen.
Het is vooral te danken aan de stichting der papiermolens (Altena, Windemolen, Bazemolen en Steenbeek), dat in Ugchelen nieuwe centra van bewoning zijn ontstaan en de bevolking zich heeft verplaatst en uitgebreid. Ugchelen groeide daardoor uit tot een echte papiermakersgemeenschap.
De naam Ugchelen komt het eerst voor in een schattinglijst van ca. 1326, waarin we lezen van een zekere Metta van Ugchelen. Naar deze vrouw, over wie verder niets meer vermeld wordt, is de Mettaweg genoemd.


Don't have an account yet?Register Now!

Sign in to your account