20 - 03 - 2019
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex

We have 52 guests and no members online

__Bezoekers teller vanaf 16 december 2018__
VandaagVandaag9
GisterenGisteren40
Deze weekDeze week99
Deze maandDeze maand810
Alle dagenAlle dagen4071
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Paragraaf index

frontpage
DE VERNIELDE FONTEINLEIDINGEN
VAN ORDEN EN ASSEL
NAAR HET PALEIS HET L00

DOOR  J. L. A. KREMER KAPITEIN DER INFANTERIE B/D
MET VERGUNNING VAN H.M. DE KONINGIN

UITGEGEVEN DOOR M. C. KROESEKLAAS
TE APELDOORN

DE WATERLEIDINGEN UIT ORDEN EN ASSEL
TEN BEHOEVE VAN DEN PARKAANLEG VAN HET PALEIS >>HET LOO<<

GESCHIEDKUNDIGE GEGEVENS.


 inn 1684 verwierf de Prins van Oranje, Stadhouder Willem III, door aankoop het oude slot Het Loo met zijn naaste omgeving. In de eerstvolgende jaren hadden niet alleen de  restauratie en verbouwing van het nieuw verworven bezit de aandacht van den vorst, maar ook breidde hij dit belangrijk uit. Zoo werden Wenum, Wiessel en een deel van het Soerensche bosch zijn eigendom, alsmede "twee papiermolens, die bij den korenmolen te Apeldoorn gelegen zijn, benevens alle wateren, welke deze molens aldaar mogen hebben” en verder "een particulier veen in Orden”.
Tot den bouw van het Nieuwe Paleis moet reeds spoedig besloten zijn. En het lijkt aannemelijk, dat de laatstvermelde aankoopen, die van de molens met hun waterrechten en van het veen in Orden, verband hielden met de plannen voor den aanleg van de waterwerken in den paleistuin, zooals die door den architect Jacob Roman waren ontworpen.
De watermolen te Apeldoorn was die, welke later Christiaan Geurtsmolen werd genoemd, en lag op de Orderbeek aan den weg welks naam de herinnering aan dien molenaar levend houdt. De twee papiermolens zullen waarschijnlijk verder stroomopwaarts hebben gelegen; de gegevens tot nadere identificeering ontbreken.
De Zweedsche architect Tessin, die in 1687 een kijkje kwam nemen op het bouwwerk, vertelt ervan. Aan den zuidkant verrezen de muren van het nieuwe paleis. Ofschoon dit nog niet voltooid was, had men met den aanleg der tuinen reeds een aanvang gemaakt. Tusschen den moestuin en de gebouwen, dus ten zuiden van de oprijlaan naar het oude slot, welke vandaar naar het oosten tot de tegenwoordige Tuinmanslaan voerde, lagen o.a. de reeds voltooide klosbaan, de oranjerie en de prieeltuin. Van de fonteinen, waarvan de bezoeker blijkbaar het ontwerp gezien heeft, zegt hij, dat zij niet hoog zouden kunnen spuiten want het water daarvoor zou worden aangevoerd uit den Hoogen vijver. We weten nu, dat deze vijver, om beter aan zijn bestemming van waterreservoir te kunnen beantwoorden, ruim twee Meter is op gezet. De korenmolen, welke vroeger aan de westzijde lag, moest verplaatst worden. Deze werd herbouwd op de beek, welke het water uit de tuinen afvoerde en kwam te liggen nabij den Zwolschen weg, waar de latere standplaats nog te herkennen is.
Thans is de waterspiegel van den Hoogen vijver weer tot het oorspronkelijk peil teruggebracht, zooals het voor de opstuwing geweest is.
Achter het paleis, waar nu het breede grasveld zich uitstrekt, werd de bodem tot onder de oppervlakte van het tegenwoordige maaiveld uitgegraven. Langs de buitenzijden van dit bekken, dat ongeveer 100 M. diepte besloeg en in breedte overeenkwam met de strekking der hoofdgebouwen, dus ruim 200 M., werden zware aarden dammen opgeworpen, welker kruin aansloot bij het terras achter het paleis.
Rekening houdende met den waterstand van den Hoogen vijver konden de daar ontworpen fonteinen een hoogte van omtrent twee Meter bereiken.
Het water, uit Orden afkomstig, waarvan het verval ongeveer tien Meter bedroeg, kon hoogere stralen leveren, welke intusschen niet veel meer dan vier Meter moeten hebben gespoten.
De Stadhouder kon in de eerstvolgende jaren slechts terloops aandacht wijden aan zijn geliefde project. De internationale zaken, meer in het bijzonder die van Engeland, eischten zijn aanwezigheid elders dan op de Veluwe. Maar in 1692, toen de  toestand zich had gewijzigd en de politieke wolken waren overgedreven, vond hij ook weer tijd voor particuliere belangen en vermaak. Toen richtte zijn belangstelling zich op de verbetering en uitbreiding van zijn bezittingen: omvangrijke plannen ter verfraaiing kwamen tot uitvoering.
De eerste opzet der gebouwen bleek te klein, om aan de hoogere eischen, welke de gewijzigde omstandigheden met zich brachten, te voldoen. Zoo verrezen de vleugels naast het hoofdgebouw, waartusschen de bassecour ontstond, in welks midden de Tritonfontein oprees.
En achter het paleis, ten noorden van de reeds vermelde allée van het Oude Loo, in den reeds bestaanden boventuin, vond een belangrijke vergrooting der waterwerken plaats, zoodat een geheel zou ontstaan, den Koning van Engeland en zijne Gemalin waardig, evenredig aan den roem van den vorst, die den machtigen Zonnekoning in zijn plannen weerstreefde en zelfs overwon.
Daartoe moest de aanleg van het lustverblijf en zijn park, waar mogelijk, dien van Lodewijk XIV te Versailles overtreffen. Op de teekening van Van Staden, betreffende het ontwerp van den tuin, komt de groote fontein nog niet voor (1686).
Dit streven te verwezenlijken moet heel wat overleg en berekening hebben gekost. Bezwaren van materieelen en financieelen aard bleken echter niet te groot om het gestelde doel te bereiken: zoo bleek het bestaanbaar, een fontein op te richten, welke het water hooger zou opstuwen, dan de krachtigste straal in Versailles vermocht! Daartoe was het bezit van hooggelegen bronnen noodzakelijk.
Die van Pomphul, gelegen nabij Hoog-Soeren, schijnt niet voldoende capaciteit te hebben gehad: in 1692 kocht de Prins Assel. Het welk "de twee gedesidereerde sources bevatte".
Zeker mocht de uitvoering van het werk destijds als een wonder gelden. De aanleg van waterleidingen was in die dagen een vrijwel onbekende kunst; zeker heeft die voor den grooten spuiter alles overtroffen, wat op het gebied van lustwaterwerken was tot stand gebracht het valt te betwijfelen, of ook in later dagen een arbeid van dergelijken omvang ooit is ondernomen met het uitsluitend doel, zich te kunnen verheugen in het bezit en den aanblik van een buitengewoon hooge fontein.
Toch hebben de tijdgenooten blijkbaar meer aandacht geschonken aan de tuinen met hun waterwerken, dan aan de moeilijkheden, welke bij den aanleg moesten worden overwonnen. Want sober zijn de berichten, welke over de leidingen zijn bewaard gebleven.
Dr. Walter Harris, de lijfarts des Konings, gaf in 1699, toen de werken pas voltooid waren, een beschrijving daarvan, waarin hij vertelt, dat het water voor de hoogste straal met groote kosten en moeiten werd aangevoerd van "een heuvel bij Assel,op twee uren van Het Loo gelegen”, terwijl de stralen van 12 voet het water uit Orden, over ongeveer een uur gaans betrokken.
De Duitsche architect Sturm, die in den aanvang der 18e eeuw een serie reisbrieven schreef betreffende zijn verblijf in de Nederlanden, maakte ook melding van zijn bezoek aan Het Loo voor 1716. Hij vertelt, dat het water voor de middelbare fonteinen afkomstig was uit een vijver, dicht bij het woud bewesten Apeldoorn gelegen en dat de middenstraal, welke bij zijn bezoek echter al sedert jaren niet meer spoot, gevoed werd uit dat bosch zelf.
Sturm betreurde het, dat er geen plattegrond van het werk is uitgegeven, maar maakt wel melding van de vele kopergravures, welke afbeeldingen van den tuinaanleg gaven.
Ook wij kennen nog die prenten, welke op bijna geen auctie van oude platen ontbreken. Die van Romeijn de Hooghe in de eerste plaats, waarop de ligging van den Hoogen Vijver eenigszins naar het noordoosten is verschoven en verdraaid, waarschijnlijk ter wille van de volledigheid. Evenzoo deed de teekenaar Scherm. De platen van Schenck, geteekend naar de gegevens van den architect Jacob Roman, komen de werkelijkheid het meest nabij.
De plattegrond welke Sturm, waarschijnlijk op zijn geheugen afgaande en aan de hand van afbeeldingen, van den tuin ontwierp, levert dan ook een verwrongen en onvolledig beeld en zoo gaat het ook met zijn beschrijving.
Intusschen was hij, evenals zijn tijdgenooten, vol bewondering voor de tuinen en het park. Talloozen kwamen van heinde en ver, om deze te bezoeken en de Magistraat van Arnhem moest zelfs orde stellen op de wagendiensten, ten gerieve van de vele reizigers ingesteld.

pagina7

Die vreemdelingen hebben de omgeving van Apeldoorn wel heel anders gekend, dan wij die nu zien. Afgaande op oude kaarten, mogen we aannemen, dat er vroeger veel minder opgaand hout en in het algemeen minder bosch stond, dan tegenwoordig het geval is. Bijna al het dennenhout is pas in de laatst verloopen eeuw gegroeid en wat er omstreeks het jaar 1700 aan bebossching bestond, zal wel grootendeels hakhout zijn geweest, ter plaatse waar nu nog loofhout voorkomt, evenals ook elders op de Veluwe het geval is.
Ten westen van Apeldoorn, langs de wegen naar Hoog Soeren en het Aardhuis, lagen toen nog uitgestrekte heidevelden. Op verschillende plaatsen moeten in de laagten watervoorraden zijn geweest en de bronnen leverden waarschijnlijk meer water, dan tegenwoordig het geval is, nu de begroeiing het regenwater vasthoudt.
De bosschen hebben hoofdzakelijk gediend voor de levering van brandhout. Dit moet ook in de steenbakkerijen gebruikt zijn; de turf uit het Orderveen bleek niet te voldoen. De steenen voor het paleis werden n.l. gebakken in ovens, nabij de Leemkuil aan den Asselschen weg gelegen. Mogelijk leverde een oven bij de bouwhoeve Assel, op de hoogte ten noordoosten daarvan gelegen, ook materiaal voor de waterleiding.  Het graafwerk voor de leidingen schijnt grootendeels door soldaten te zijn verricht: uit de Veluwsche garnizoenen werden de noodige werkkrachten getrokken. Vijf jaren lang, van 1692 tot 1697, is er gewerkt aan den nieuwen aanleg en de uitbreiding van het Paleis. De Koningin, die den eersten steen had gelegd, heeft de voltooiing van den arbeid niet mogen beleven: zij was in 1695 gestorven.
Toen het werk gereed was, telde het in het geheel een twintigtal stralen van 4M. hoogte en talrijke van minder afmeting, ongerekend de cascaden en de kleine stukken.

Men vindt nabij vele leemkuilen evenals bij die aan den Asselschen weg de stille getuigen van vroegere industrie in den vorm van roode puin. dikwjls bedolven onder humus en vegetatie. Zoo bij het Ruitersgat. bij de kuil tegenover de Echoput en bij die aan den  Amersfoortschen weg in den hoek tusschen dien weg en de traa van Berg-en-Bosch.

pagina9

Maar alles overheerschend drilde op ongeveer 250 M. afstand midden achter het paleis de Koningsspuiter zijn machtigen straal bijna veertien Meter omhoog!  En vergeefs zocht men elders zijn gelijke!  Ver boven de omgeving uit verhief zich de blanke zuil, schitterend als gepolijst staal en schijnbaar bewegingloos, den top bekroond door een zilveren krans van tintelend schuim, waarin de krachtige stuwing brak.
De wind voerde een ijlen nevel van fijnverdeelde waterdruppelen mee, waarin de zon tusschen banen van glanzend kristal, regenbogen weefde tot een veelkleurigen sluier. Vallend herwon het bedwongen element zijn vrijheid. Plassend en klaterend ontving het wijde, schotelvormige bekken de neerstortende watermassa. Schuimend en parelend bruisten de golven in het bassin, waarin nog twee en dertig andere stralen zich verhieven en wederkeerden.
 Zonder weerga was dit kunstwerk het levende bronwater overtrof de glorie van den Franschen aanleg niet alleen in kracht, maar ook de reukelooze zuiverheid van de onafgebroken  spuitende fonteinen trok de bewonderende aandacht van de beschrijvers.

pagina10

Een fonteinmaker, wiens woning aan den oostelijken Vleugel van het paleis was aangebouwd, hield met acht knechts de werken in orde. Bovendien woonde aan den ingang van het Orderbosch in het waardmanshuisje, ook watermanshuisje genoemd, een opzichter, belast met het toezicht op de bronnen.
 Slechts weinige jaren heeft het kunstwerk in zijn volle glorie geprijkt. Na het overlijden van den Koning-Stadhouder in 1702, ontstond een proces over diens nalatenschap en intusschen schijnt het onderhoud daarvan te zijn veronachtzaamd. Immers: reeds in 1704 is er sprake van herstellingen aan de leidingen.
 Toen Stadhouder Willem IV in 1734 Het Loo betrok, bleek na korten tijd ook het Orderwater niet meer te werken.
 In 1748, bij het herstel van de Hooge Heerlijkheid, ging men de limieten opmeten en in de kaart brengen. Twee kaarten zijn er uit dien tijd nog aanwezig, waarop de waterleidingen geteekend staan, maar die in enkele bijzonderheden van elkaar afwijken. Hoezeer reeds toen de herinnering aan het werk begon te vervagen, blijkt uit een zin in het bijbehoorend rapport, waarin sprake is van het aantreffen van de "rudera van de beek, waarop eenmaal de groote fontein sprong”, welke men meende aangetroffen te hebben nabij den Rauwenhul, op de grens van het Orderbosch en het tegenwoordig domein. Het bleek, dat van een beek geen sprake kon geweest zijn.
 In 1765 bleken de groote cascaden in het hooge terras te zijn verzakt, zoodat de globe's niet meer werkten. Kort daarna werd een aanvang gemaakt met grondige herstellingen, welke zich uitstrekten tot "het weder levend maken van de ten deele in het zand bedolven, geen water meer leverende bronnen en spruiten.”  Zoo trachtte Willem V den ouden luister te herstellen, maar hij ondervond krachtigen tegenstand van de watermolenaars in Orden, die klaagden over te sterke wateronttrekking aan de beken.
 Een bericht van het jaar 1775 meldt, dat het park met fonteinen, tritons, amphitheater en gaanderij weder geheel in orde zijn gebracht. Of echter de >>Fontaine royale<< hierbij moet worden inbegrepen, mag op goede gronden betwijfeld worden: waarschijnlijk zou men de vermelding van deze herstelling in de opsomming niet hebben weggelaten.
 Weer onderging het grootsche kunstwerk de vernedering der verwaarloozing na het vertrek van den Prins in 1795. De Bataafsche republiek nam de roerende en onroerende goederen in beheer. Erger nog werd het daarmee in het volgende jaar, 1796, toen de aftrekkende Engelsche troepen in het paleis huishielden, om het daarna aan de plunderzucht der Bataven over te laten. De beelden werden stuk geslagen, de tuinen vergraven, om het lood te bemachtigen. Het paleis en zijne omgeving verkeerden in een staat van ruïne, toen Koning Lodewijk Napoleon er zijn intrek nam, in het jaar 1806. De resten der verwoeste en vernielde kunstwerken, getuigen van het vandalisme der vroegere overheerschers, werden weer in bruikbaren staat gebracht voor zoover ze nog konden dienen. Veel werd er onder den grond bedolven of weggesleept en opgeruimd. Daarmede was het einde van den kostbaren en prachtigen aanleg van den Koning-Stadhouder bezegeld.

pagina12 De tuin, naar den toen heerschenden Franschen smaak vergraven en opnieuw aangelegd, bergt in zijn bodem de brokstukken van de verdwenen waterwerken. De plaats der bassins, terrassen, muren en leidingen laten zich thans nog op enkele plaatsen hervinden als een deuk in het gazon, een flauwe helling of een beekbedding.
 Toen Willem van Oranje als Koning van Holland in 1814 terugkeerde in het geliefde. tehuis, vond hij de omgeving tot onherkenbaar wordens toe veranderd. In een brief aan zijne Moeder schreef hij: “Quant aux jardins, ils ont été entierement gates et lorsque’on a le souvenir des anciens, il est impossible de se consoler de leur état actuel." (De tuinen zijn grondig bedorven en wanneer men er aan terugdenkt, hoe ze vroeger waren, is men ontroostbaar over den tegenwoordi gen toestand.)  Dit bericht vormt wel een sombere tegenstelling met de enthousiaste bewoordingen, waarin Dr. Harris zich eenmaal vol bewondering over het park uitte: >>These gardens in the whole are a work of wonderful magnificence, most worthy of so great a monarch; a work of prodigious expense, infinite curiosity and variety and after nine years labour, by abundance of workmen, they were some years ago enturely finished and brought to perfection in all respects”. (Deze tuinen vormen in hun geheel een werk van wonderbaarlijke pracht, een zoo groot vorst ten volle waardig; een werk van geweldigen omvang, eindelooze vindingrijkheid en afwisseling en na negen jaren van arbeid door tal van werklieden is het enkele jaren geleden geheel voltooid en in alle opzichten tot volmaaktheid gebracht).

HET ORDERWATER.

 De Orderbeek is ongetwijfeld een van de sprengen, welker boorden reeds in de oudste tijden tot het vestigen van een menschelijke nederzetting aanleiding hebben gegeven. Vlak ten westen van den Ordermolen liggen nu nog inzinkingen in het terrein, welke zich als oud brongebied laten onderkennen. In de nabijheid daarvan zijn vele urnen ontgraven en werd de leemen bodem van een woning uit den oertijd blootgelegd.
 Thans liggen de koppen van de sprengen een paar K.M. meer naar het zuidwesten in het Orderbosch nabij den spoorweg naar Amersfoort, terwijl bij den aanleg der baan een bron, welke meer zuidelijk lag, is afgesneden.
 Het nieuwe sprengengebied met zijn schilderachtige, steile hellingen vormt een der aantrekkelijkste wandel- en rustplaatsen in deze omgeving. De diep ingesneden spruiten doen hun water naar het Oosten afvloeien. Daar liggen de oevers der beek gedeeltelijk tusschen opgeworpen dammetjes, om op andere plaatsen, verderop, weer diep door den grond te voeren. Ze zijn dicht bezet met struikgewas, waartusschen krachtige eiken en beuken met hun zware stammen en weelderige kruinen getuigen van een welvarenden ouderdom. Velen dezer reuzen zijn zeker meer dan een eeuw oud; mogelijk stammen zij wel uit den tijd, toen de gronden in het bezit van het Huis van Oranje kwamen.
 Bij den Ordermolen stuwen dammetjes het water op boven het niveau van het omliggend terrein. Sporen van een vroeger bestaan hebbenden molenvijver doen zich nog onderkennen. De beek loopt langs den rand der heuvels, ongeveer op 30 M. + A. P.
Oostelijk daarvan ligt lager terrein. Eertijds was hier het Orderveen, waarvan Stadhouder Willem III zich het bezit verzekerde. Het moet een waterrijk moeras zijn geweest van eenige H.A. oppervlakte. Een beekje, ongeveer evenwijdig loopende aan den Waterlooschen weg en ten westen daarvan ter hoogte van den spoorweg aanvangende, waarvan oude bewoners het bestaan nog. hebben gekend, voerde het water naar het noordoosten. Mogelijk liep het uit in de Orderbeek, misschien in den molenvijver.
 Thans, vergraven en gedraineerd, levert dit terrein een heel anderen aanblik dan een paar eeuwen geleden het geval was. De Ordermolen is mogelijk een der papiermolens geweest, waarvan sprake is in de koop-acte van 1684. Op geen der kaarten van de Heerlijkheid uit het jaar 1748 staat deze molen aangegeven, ofschoon hij toen zeker reeds bestond. De kaarten van 1748 geven een verwarrend en onderling afwijkend beeld van deze omgeving, zoodat juiste gegevens voor den oorsprong van de waterleiding ontbreken.
 In verband met het feit, dat het vernieuwen van de leiding in het midden der achttiende eeuw tot conflicten met de molenaars aanleiding heeft gegeven, schijnt de veronderstelling niet gewaagd, dat oorspronkelijk de bedoeling heeft voorgezeten, het verzamelde water grootendeels voor de fonteinen te benutten, hetgeen temeer aannemelijk voorkomt, wanneer men nagaat, dat deze wel een paar ton per minuut moeten hebben verbruikt (20 spuiters van >>Middelbaren bogt<<).
 Een steenen buisleiding, waarvan bij den aanleg van wegen en vergraving van grond in de laatst verloopen jaren nog fragmenten zijn teruggevonden, voerde het water langs Polhout noordwaarts, onder het voetbalveld en het dennenboschje aan den Driehoek door naar de bocht van de Jachtlaan, om daarna, deze volgende, zich uit te storten in een reservoir, gelegen aan de noordzijde van den Soerenschenweg.
 Deze >>Com<<, met leem bekleed, ongeveer 35 M. in doorsnede en minstens 2 M. diep, is ten deele nog bewaard gebleven in den tuin van Villa Mary aan de Genistalaan. Het water uit Orden kon daarin weer op het oorspronkelijke peil van ongeveer 28 M. + A. P. oploopen.

pagina15

 Een greppel, thans gedeeltelijk vergraven, van de bocht in de Jachtlaan bij de Sumatralaan door en achter de tuinen der huizen en het Hotel Bellevue langs loopende, teekent daar het beloop der leiding, waarin nog stukken van de buizen bewaard zijn.
 Uit het reservoir, dat later den naam van >>Peerdenkuule<< zou krijgen, omdat een Apeldoornsche vilder er de resten van zijn kadavers in begroef, voerde waarschijnlijk een looden pijp van wijde doorsnede het water af.
 De greppel, ten deele nog aanwezig, wijst langs den Viersprong, door de zanderij bij Kamp Links, en den tuin van de Koninklijke Houtvesterij in rechte lijn naar den westelijken vleugel van het paleis. Die bleek geen stukje buis meer te bevatten; wel vertoont het beloop op onderlinge afstanden van 4 tot 5 M. kuilen, welke klaarblijkelijk hebben gediend, om de looden pijpen te verwijderen. Dergelijke gaten bleken ook elders voor te komen, waar het lood is weggehaald. Het was een welkome buit, toen het falende toezicht op de werken de instandhouding daarvan niet meer verzekerde.
 Door latere vergravingen binnen het hek van het Koninklijk park en bij het bouwen van de stallen is daar de juiste loop van de leiding niet meer na te gaan.
Mogelijk maakte eenmaal de tegenwoordige bedding van het beekje “de Witte graaf”, waar deze het dichtst de gebouwen nadert, een deel van de sleuf der leiding uit. Over hare geheele lengte besloeg deze 4 KM.
 De naam van de woning van den opzichter, het Waardmanshuisje, gelegen aan den ingang van bet Orderbosch en tusschen de beide beschreven beken, kan er op duiden, dat een westelijk deel, van bet Orderveen als >>waard<< afgedamd is geweest ter voorkoming van het afvloeien van bet water naar het Oosten. Van den Veenweg, welke thans dit gebied van west naar oost doorloopt, voert halverwege een dammetje naar bet noorden.
 Tenzij men de verwondering van enkele grondwerkers, die bij hun arbeid stieten op resten van de steenen buisleiding, maar die van elkanders vondsten geen kennis droegen, als wetenschap betreffende het bestaan van de Orderleiding wil aanmerken, bleek de herinnering daaraan volkomen uitgewischt. En de kaarten van 1748 gaven, als gezegd, tegenstrijdige en verkeerde voorsteliingen.
Een en ander bewijst, hoe snel het geschiedkundig geheugen van de massa verbleekt, tenminste wanneer het geen feiten betreft, welke het eigenbelang raken.

DE ASSELSCHE LEIDING.

Niet alleen vertoont de bodem aan de oppervlakte langs het beloop van de Asselsche leiding op vele plaatsen scherven van aarden buizen, welke bij het weghalen van het lood naar boven zijn gekomen en gebroken, ook wisten ouden van dagen nog te vertellen van verhalen hunner grootvaders, volgens welke "de soldaten van Napoleon" aan de leiding hadden gewerkt. Dat de Holle weg in het Orderbosch een deel van de leiding had bevat, was door overlevering bewaard gebleven, evenals het feit, dat de Ruetbron nabij den spoorweg naar Amersfoort, ten zuiden van den Asselschen weg gelegen, er mee te maken had gehad. Maar meer bijzonderheden omtrent de 13 KM. lange leiding waren niet bekend.
 Pomphul, het bekende en veelbezochte poeltje ten zuiden van Hoog-Soeren is zeker reeds van veel hooger ouderdom, dan waarop de schriftelijke bewijzen voor het bestaan van dit bewoonde oord teruggaan.
Is mogelijk de heuvel ten noorden van de bron eenmaal een versterkte nederzetting geweest? Dat in den omtrek grafheuvels zijn gevonden, doet zulks vermoeden. In ieder geval is de bron de aanleiding geweest tot het ontstaan van een nederzetting. En hoogstwaarschijnlijk heeft zij vroeger meer water geleverd, dan thans het geval is. Daarvoor pleit o.m. de omstandigheid, dat er eenmaal een ijskelder lag in den heuvel aan de noordzijde van het watertje en zeker zou de tegenwoordige opbrengst geen aanleiding kunnen geven tot het leggen van een lange en kostbare leiding. Eenmaal liep van hier naar het zuiden door de zool van het dal een looden buis tot afvoer van het water. De sporen van den opgravingsarbeid toonen aan, dat er alleen van lood als materiaal sprake kan zijn geweest.

pagina17

De hooge ligging van de bron, op bijna 80 M. +A.P., loonde de kosten en moeiten van den geweldigen arbeid, welke het vervoer van het water over grooten afstand vorderde, teneinde de gewenschte hooge fontein te laten spuiten.
 Waar de buis tot 50 M. + AF. was afgedaald, vereenigde zij zich met de uit het Veentje komende leiding. Het punt van samenkomst bereikte zij door het lichaam van een dijkje, dat het dal van het Veentje naar het westen afsloot. Daar werd de looden pijp opgenomen in de uit het oosten komende buisleiding, het punt van samenkomst bleek in een dikke prop leem te liggen, waarin de aanwezigheid van spijkers en houtresten op een bestaan hebbende bekisting wijzen.
pagina18

 Het Veentje vormt de zool van een dal, dat zich, bij een breedte van ongeveer 1 K.M., in noordoostelijke richting tot aan den tegenwoordigen grintweg naar Hoog-Soeren bij het Kruisjesdal uitstrekt. De bodem vertoont over een groot deel van het oppervlak sterke erosieverschijnselen: watergeulen van meer dan een halven Meter diep richten zich van alle zijden dalwaarts. De kiezels liggen er blootgespoeld aan de oppervlakte en de boomgroei vertoont er een betrekkelijke armetierigheid. Het laagste deel van dit dal is vergraven tot een ovaal bekken met walletjes en waterloopen. Het bevat een wel, waarin tijdens den drogen zomer van 1911, toen die van Pomphul geen water meer gaf, nog vocht opborrelde. Over een lengte van 80 bij een breedte van 40 M. liggen er watervangen en aan de westzijde sluit een dijkje, waar thans een doorgraving het verzamelde water vrij laat uitstroomen, het bekken af. Het greppeltje, waardoor de loozing geschiedt voert langs de hertenvoederplaats en bevatte eenmaal de steenen buisleiding waarin de looden buis van Pomphul werd opgenomen op ongeveer 100 M. ten westen van den tegenwoordigen telefoonweg.
Langs de westelijke helling van den, Asselschen berg, nauwkeurig de hoogtelijn van 50 M. +.A.P. volgende, ligt de sleuf, welke eenmaal de leiding bevatte. Ook hier is het lood verdwenen; tusschen de trekgaten lagen hier en daar nog aarden buizen ongeschonden in den grond.

pagina19

pagina20

  In het noordelijke talud van de zanderij, welke op den rand der heide is uitgegraven, komt de buis uit den bodem te voorschijn. Maar de zuidzijde van deze ingraving toonde geen spoor meer van de leiding, welker ligging echter met behulp van onze prikker naspeurbaar bleek.
 De prikker, een staaf beton-ijzer van omtrent anderhalven Meter lengte, waarop een houten handvat is bevestigd, ons in staat, op de onbewerkte gronden met groote zekerheid de plaatsen te vinden, waar de bodem vroeger vergraven was.

pagina21a

pagina21bDaar bleek de oerbank of grintlaag verbroken. En ook daar, waar de sleuf op grooter diepte lag, dan waarop de bodem bij het in cultuur brengen door schop of ploeg was omgeroerd, bewees dit instrument goede diensten, zoodat zelfs over belangrijke afstanden de aanwezigheid van aarden buizen in den grond kon worden vastgesteld door het verkrijgen van sporen aardewerk aan de punt van het ijzer.
 Ter controle werden herhaaldelijk proefgaten gegraven, welke de verkregen aanwijzingen bevestigden.
 Nabij den enkwal van de bouwhoeve Assel bleek de steenen leiding te zijn overgegaan in houten pijpen, waarschijnlijk uitgeholde boomstammen. Verderop in den akker kon, bij zorgvuldig nazoeken van de sleuf, het verpulverde hout worden aangetoond. Bovendien waren daar op onderlinge afstanden van 3 M. ijzeren ringen gebruikt, om de stukken hout in elkander te doen klemmen. Een paar looden plaatjes met spijkers, daarbij gevonden, doen vermoeden, dat deze hebben gediend, om wrakke plekken te dichten. Twee over elkander gespijkerde plaatjes wijzen mogelijk op een later aangebrachte herstelling.

pagina22

De leiding ging meer dan anderhalven Meter diep onder het oppervlak van den akker door; latere ophooging door het opbrengen van de mest kan deze diepe ligging verklaren: over het algemeen bedroeg de diepte der sleuven ruim één Meter.
De hier gevonden ijzeren ringen wisselden in doorsnede van 30 tot 50 c.M. en hadden een breedte van ongeveer 5 c.M.
Ten oosten van de bouwhoeve Assel liep de leiding langs den grooten beukenboom, stak den Asselschen weg over en bracht het water naar het groote reservoir ten zuiden van de Ruetbron.
Evenwijdig aan dit deel ligt nog een steenen buisleiding, welke blijkbaar het water van de bron bij de boerderij afvoerde naar het reservoir.

pagina23

Dit ligt aan de noordzijde tegen den spoorweg Apeldoorn Amersfoort, meet 100 M. van west naar oost en vertoont in de oostelijke helft de overblijfselen van een dam, welke waarschijnlijk eenmaal werd gelegd om het water uit de drie bronnen van het Veentje, bij Assel en uit het Ruet te verzamelen in het zuid-oostelijke deel van het bekken.

pagina24

te hebben Oorspronkelijk schijnen de bronnen elk hun afzonderlijk bassin gehad: de Ruetbron een noordoostelijk vak, waarin die bron ligt, de Asselsche leiding een zuidwestelijk, terwijl een noordwestelijk bassin diende voor het Veentjes-water. Er moet veel water in den zandbodem zijn teloor gegaan, waardoor men er toe kwam, de zuidoostelijke afdeeling met leem te bekleeden en deze alleen tot vergaarbekken voor het water der laatstgenoemde bronnen te benutten.
Herstellingen aan de leidingen boven en in het reservoir en verlegging van de sleuven wijzen tot deze gevolgtrekking.
De beide noordelijk gelegen bekkens zijn ten deele vergraven en met dennen en berken beplant; uit het noordoostelijke, het Ruetbekken, vloeit thans nog een beekje af, waarvan het water in den zandigen bodem verdwijnt. In den Rauwenhul doet de aanwezigheid van metselwerk vermoeden, dat hier eenmaal een zinkput moet hebben gelegen, zooals ook in het verdere deel der leiding er eenige voorkwamen. Waarschijnlijk dienden die, om het meegevoerde zand te doen bezinken. Dat deze aanleg niet doeltreffend was, blijkt uit de spoedige verzanding der buizen, waarvan bij later herstel sprake is. Uit den zuidoostelijken hoek van het met leem bekleede vak voert de sleuf, in verscheidene bochten den berm van den spoorweg volgende, naar het oosten. Hier bleek uit de talrijke, aan de oppervlakte liggende scherven, dat de opgraving tot bemachtiging van het lood over de geheele lengte heeft plaats gehad: de buizen hadden meer dan twee meter diep gelegen.

pagina25

Daaronder lag nog een onverstoorde steenen leiding, op een diepte vanongeveer 3 M. Verderop buigt de sleuf naar het noordoosten om; daar hebben de buizen naast elkaar gelegen. Zij behielden vrij nauwkeurig de hoogte van 40 M. + A.P., waartoe in een lager deel van het veld een dijk is opgeworpen.
Het spoor der scherven voert door het Willemsbosch en den reeds vermelden Hollen weg, waarin de sleuf belangrijk dieper moet hebben gelegen dan het tegenwoordige pad.
Aan het noordelijke einde van den Hollen weg lag weer een zinkput. Van daar laat de leiding zich volgen door een vlak terreingedeelte, waar sporen van metselwerk verspreid liggen.
pagina26

Daarna, vlak bij den Asselschen weg, op ongeveer 900 M. ten westen van de boschwachterswoning, ging de sleuf metersdiep door de heuvels en volgt in bijna rechte lijn de noordoostelijke richting.
Zij ging door de oostelijke helling van den Valkenberg, had weer een steenen put in den tuin van Villa Bella Sita aan den Soerenschen weg, liep op 50 M. ten westen van de 2e Beukenlaan onder den Amersfoortschenweg door en bereikte in de helling van den Kleiberg weer de hoogte van 30 M. + A.P.
Tot de put aan de noordzijde van den Hollen weg behield de leiding de hoogte van 40 M. + A.P. Na dit punt is geen spoor van aarden buizen meer te vinden: binnen het Koninklijk Park bleken weer ijzeren ringen in de sleuf te zijn achtergebleven; echter konden daar geen sporen van houten buizen worden aangetoond. Het bestaande verval en het voorkomen van >>trekgaten<< over dit deel van de leiding bekrachtigen het vermoeden, dat hier looden buizen gelegen moeten hebben. De ringen hadden ook hier een diameter van 30 c.M. en meer. Aan de binnenzijde vertoonden zij vastgeroeste stukjes eikenhout,  welke als wiggen moeten hebben dienst gedaan bij het opsluiten der buizen.

pagina27a

pagina27b

Van het steenen bekken op den Kleiberg is eenige jaren geleden de bodem ontgraven: dit was een met specie gladgestreken vloer van ongeveer 1 M. breed bij een lengte van circa 2 M. Zonder twijfel heeft hierin een wijde buis uitgemond, welke het water uit het groote reservoir aanvoerde en in deze buis zal een nauwere looden vervat zijn geweest, waardoor van Pomphul het water onder hoogeren druk werd ingevoerd, om de noodige stuwing te verschaffen voor den hoogen spuiter.
Het spoor van de leiding is te vervolgen tot op ongeveer 100 M. ten noorden van de Koningslaan; verderop wordt ook het naspeuren daarvan door later plaats gehad hebbende vergravingen onmogelijk.
Ter verzekering van de juiste richting voor het laatste deel der leiding stond aan den Wiesselschen weg, in de aslijn van het paleis, een hooge houten toren. De cirkel, waarvan deze het middelpunt uitmaakte, ligt er nog als slootje om de vroegere standplaats.

pagina28

pagina29

 DE MATERIALEN.
De gevonden aarden buizen, ten deele nog onverlet in den grond aanwezig bij de ontgraving, zijn gebakken uit ongeglazuurde leem, lang 75 c.M. en wijd 15 c.M. De oudste, die van de Orderleiding, zijn zonder versiering en blijkbaar uit de hand gedraaid.
In de Asselsche leiding lagen er, uit drie segmenten aaneengebakken, die in hoog-relief de emblemen dragen van de waardigheden van den Koning-Stadhouder. Achtereenvolgens lagen er buizen met de gekroonde letters W en R, omkranst door Oranjetakken, de Roos (Engeland), de Distel (Schotland), de Harp (Ierland) en de Lelie (Frankrijk). (Tot Napoleon’s tijd hebben de koningen van Engeland den titel van Koning van Frankrijk blijven voeren. Waarom de bloemsymbolen niet zijn volgehouden bij den Ierschen titel — Shamrock — schijnt onverklaarbaar. Of was dit het teeken der Katholieke Ieren?)  De buis met de drie opgelegde reepjes is een unicum. Is deze misschien aangebracht bij herstellingen in den tijd van Stadhouder Johan Willem Friso, in 1704? Stelt dit teken een riethalm voor en duidt het op Friesland? De omstandigheid, dat deze en de daarop volgende buizen in de leiding kleiner van maat waren en dus schijnen te zijn ingevoegd, geeft aanleiding tot het stellen van deze vragen.

pagina30

Ook uit de hand gedraaide buizen kwamen hier voor. De steenen buizen waren ondersteund door stukken baksteen. Bij het Veentje lagen ze ingebed in leem. Het gelukte, vier stel buizen vrijwel onverlet te voorschijn te brengen en bovendien nog enkele gave exemplaren met verschillende teekening.
Van de looden buizen is slechts een enkel fragment thans nog aanwezig op het Museum Felua. Het uitgeslagen stuk lood is te voorschijn gekomen bij ontginning van het veld ten westen van den Rauwenhul. De afmeting er van duidt er op, dat de buis, waarvan het afkomstig is, ongeveer 6 c.M. wijd geweest moet zijn.
Deze zal gediend hebben voor het water uit Pomphul.
De andere looden buizen zijn van veel zwaarder kaliber geweest.
Zij hebben een veel grootere capaciteit gehad, om het benoodigde water te kunnen aanvoeren en de wijdte der ijzeren ringen wijst dit uit.
Volgens de overlevering zouden deze gestempeld zijn geweest met de woorden >>William Rex<<, hetgeen op Engelsch fabrikaat kan wijzen.
De aansluiting der aarden buizen werd met leem, hennip (soms geteerd), bitumen of een op stopverf gelijkende stof verzekerd. Bij latere herstellingen is ook kalk gebruikt.
Hoezeer de aanleg van de waterwerken, in hooger mate nog dan die van de leidingen, bijdroeg tot den roem van den bouwheer. toch heeft deze door zijn levensarbeid op ander dan materieel gebied, grooter eer en bewondering verworven, dan een vergankelijk kunstwerk kon verschaffen.
Wie de steenen balustrade bekijkt, welke het plein voor bet paleis naar het zuiden afsluit, ziet daar Romulus en Remus spelend bij hun voedster, de wolvin en daarbij een paar sfinxen, aan wier zijde kinderfiguurtjes liggen. Op de tafels, welke de knaapjes den beschouwer voorhouden, is een oude symbolische voorstelling gegrift: de eene vertoont de woorden van het Oedipus-raadsel, de andere geeft de oplossing daarvan in de voorstelling van een kruipend kind aan de voeten van een tweetal mannen, waarvan de een, in de kracht des levens, een grijsaard ondersteunt, die zich met behulp van een staf  slechts moeilijk op de been houdt. Deze beelden maakten eenmaal deel uit van den siertuin.
Dat de in steen gehouwen les meer dan twee eeuwen den tand des tijds heeft weerstaan zal niemand bevreemden. Maar het feit, dat van de talrijke beelden, welke eenmaal den vorstelijken tuin opluisterden, juist deze zijn ontkomen aan het vandalisme, dat de andere vernielde, doet ons deze herinnering aan de menschelijke vergankelijkheid anders dan met nieuwsgierige oogen bezien, wekt diepere gevoelens, dan die van eenvoudige bewondering. .

pagina33

NASCHRIFT.

 In opdracht van den Heer Opperhoutvester van H. M. de Koningin, Jhr. van Suchtelen van de Haere, die daarbij een arbeider voor het graafwerk ter beschikking stelde, zijn bij de opsporingen in de jaren 1930 tot en met 1932 uitkomsten verkregen, waarvan het overzicht, naast de gegevens reeds door den Heer A. D. Muller verzameld, in vorensgaande bladzijden is neergelegd.
Aan dezen, die een en ander ter bewerking aan mij opdroeg, en die mij de gelegenheid gaf deel te nemen aan de nasporingen, betuig ik mijn welgemeenden dank, terwijl den Heer C. F. Kruisinga, eveneens oud-zeeofficier alhier, voor het maken der fraaie foto's een woord van warme hulde moge worden gewijd.
Met dankbaarheid gedenken we de hulp en medewerking van vele anderen; zoo de gul verleende toestemming der eigenaren van het Willemsbosch, van het Orderbosch en die van de Gemeente Apeldoorn voor wat Berg en Bosch betreft, om in hun terreinen te mogen graven.
De omstandigheid, dat het bestaan der kaarten van 1748 pas tot onze kennis kwam, nadat het beloop der leidingen vrijwel geheel was teruggevonden, heeft zeker den voortgang van de nasporingen niet alleen in langzamer tempo doen verloopen, dan anders mogelijk ware geweest, maar anderzijds waarschijnlijk de nauwkeurigheid daarvan verhoogd.
Desondanks kon geen volledig bevredigend antwoord op vele vragen worden verkregen. Maar we vleien ons met de gedachte, dat tenminste veel is verzameld, wat een denkbeeld kan geven omtrent het omvangrijke werk, hetgeen anders zeker binnen afzienbaren tijd, mede door de uitbreiding der bebouwing van de terreinen ten westen van Apeldoorn, geheel onnaspeurbaar zou worden.

 APELDOORN, 1932.