23 - 01 - 2019
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex

We have 26 guests and no members online

__Bezoekers teller vanaf 16 december 2018__
VandaagVandaag34
GisterenGisteren50
Deze weekDeze week117
Deze maandDeze maand1024
Alle dagenAlle dagen1691
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Article Index

Een vergeten waterwerk op de Veluwe

Paleis het Loo, gebouwd in opdracht van Koning Stadhouder Willem III, was mede beroemd om haar in 1693 aangelegde prachtige en vooral hoge fonteinen. Van heinde en ver kwamen de mensen er kijken en dat is ook tegenwoordig nog het geval. Hoe is het mogelijk dat men dat in die tijd, in slechts een enkel jaar, voor elkaar heeft gekregen en waarom wilde Willem III eigenlijk zulke hoge fonteinen?

a01

’t Koninklijk Lusthof door L. Scherm rond 1700

a02

Koning Stadhouder Willem III en Koningin Mary II Stuart


Lodewijk XIV had in Versailles al fonteinen laten aanleggen. Het water voor die fonteinen werd met man- en paardenkracht vanuit de Seine opgepompt naar hoger gelegen bassins en vandaar voedden ze de fonteinen. Een zeer kostbare geschiedenis vanwege de lange leidingen en vele pompen. Het water was daarnaast ook nog niet erg schoon.

Er is veel bekend over de bouw van paleis het Loo maar zeer weinig over de toevoer van het water voor de fonteinen. De Engelse lijfarts van Willem III, Harris, beschrijft in 1699 de fonteinen als volgt:

"een merkwaardige fontein met achtkant bekken waarvan elke zijde 16 schreden lang was, dus 128 schreden in omtrek (± 30 meter in diameter). In het midden spoot het water met een straal van 45 voet (13 meter) omhoog.
Daaromheen waren nog twee rijen stralen, elk van 16 stuks; deze gingen 12 en 6 voet hoog. Het water voor de middelste straal kwam van een heuvel bij Assel, twee uren gaans (leagues) van het Loo, voor de 16 van 12 voet kwam het van Orden, ongeveer een uur gaans (league) verwijderd, terwijl de overige 16 (van 6 voet) werden gevoed door het water uit den vijver.”

a03

Recente kaart van de twee tracés (Asselt en Orderbeek) naar een kaart uit 1748 Bron Bekenstichting

Willem III wilde zijn fonteinen nog hoger laten spuiten dan die in Versailles en had water nodig dat van hoger gelegen gebieden kwam. De oostelijke flank van de Veluwe bij Apeldoorn bleek daar zeer geschikt voor te zijn en levert een constante stroom zeer schoon water uit de sprengen. Willem III kende het gebied rond Hoog Soeren al goed omdat hij er in zijn jeugd regelmatig vanuit het oude jachtslot Het Loo op jacht ging. Hij kocht grote gebieden bij Hoog Soeren onder andere landerijen bij de Asselse mark. Willem III kwam als kind regelmatig in Kleef op familiebezoek en nam de aanleg van de daar aanwezige fonteinen waarschijnlijk als voorbeeld.

In eerste instantie leverden de sprengen van de Orderbeek niet genoeg water met de juiste druk om de fonteinen hoog genoeg te laten spuiten. Daarom werd er een tweede tracé ontwikkeld dat gebruik maakte van de bronnen bij de Pomphul, de Veentjes, de Hasloo fles en de Ruetbron.

a04

Boerderij Hasloo voorheen Assel. Foto Henk Weltje

Tegenwoordig heet dat gebied het Kroondomein en het is nog steeds het jachtterrein van de Oranjes. Het bevat uitgebreide bossen en heide waar edelherten, reeën, moeflons, adders en wilde varkens het voor het zeggen hebben. Bewoning vindt men er nauwelijks en men kan er tijden lopen zonder een sterveling tegen te komen.

Waar tegenwoordig hoge oude bomen groeien was er tot 1900 voornamelijk heide en zandverstuivingen waar in de middeleeuwen enorme kuddes schapen werden gehouden. Het gebrek aan begroeiing zal het voor de toenmalige landmeters ongetwijfeld eenvoudiger hebben gemaakt om het landschap te “lezen” en zo optimaal gebruik te maken van het terrein om de leidingen te kunnen leggen.


 a05

Schaapskudde bij boerderij Hasloo Foto Henk Weltje

Om beter te kunnen begrijpen waar het water voor het Asselt tracé vandaan kwam volgt eerst een korte beschrijving van de Pomphul, de Veentjes, de Hasloo fles en de Ruetbron.

De vennen op de Asselse heide zijn plassen met regenwater op plekken waar de bodem ondoorlatend is. Die ondoorlatendheid is onder andere ontstaan door opgestuwde leemlagen uit de ijstijd het Saalien. Een voorbeeld van zo’n plek is de op ca. 80 meter+NAP gelegen Pomphul in Hoog Soeren. Dit dorp is ontstaan dankzij de aanwezigheid van dat ven, dat tot in de 20ste eeuw de enige watervoorziening in het dorp was. Vlak ernaast zijn nog steeds vele grafheuvels aanwezig, die getuigen van prehistorische bewoning. Aangezien het ven uitsluitend regenwater bevat, levert de Pomphul maar beperkte hoeveelheden water.

a06

De Pomphul in Hoog Soeren. Op de achtergrond de sleuf waar fonteinleidingen lagen. Foto Henk Weltje

De Veentjes, dat halverwege de Pomphul en boerderij Hasloo ligt, bevindt zich in een lang smeltwaterdal en dient al eeuwenlang als rust- en drinkplaats voor het roodwild. Het water wordt vanuit de hoogste punten van het gebied langs het dal afgevoerd. Het gebied is ten behoeve van het Asselt tracé enorm vergraven en er bevinden zich diverse dammen in het gebied.

a07

De Veentjes in het smelwaterdal bij Hoog Soeren Foto Henk Weltje

Andere bronnen van water waren de flessen. De naam zegt het al. Voor ons verhaal is de Hasloo fles van belang. Bij de boerderij Hasloo ontspringt op 43 meter+NAP een natuurlijke bron die ook alweer gevoed wordt door het regenwater dat ooit in de Veluwe is opgevangen.

Op boerderij Hasloo is er een steen in de stal geplaatst, die op dezelfde hoogte is als de haan op de toren van de Grote Kerk in Apeldoorn.

De bron is sinds mensenheugenis gebruikt voor de talrijke reizigers die hier rusten op hun reis van Deventer naar Amersfoort en Harderwijk.

a08

Hasloo fles met op de achtergrond net zichtbaar boerderij Hasloo Foto Henk Weltje

Een eveneens oude bron in het Asselse gebied is de vlakbij de Hasloo boerderij gelegen Ruetbron. De naam Ruet is waarschijnlijk afkomstig van het oude woord reutelen. Water dat uit een zandige bodem ontspringt. In 1630 op een kaart van Nicolaes Geelkercken wordt de naam Rüijt gebruikt voor deze bron en er loopt dan ook een pad de Rüijt wegh langs van Asselt naar Apeldoorn.

ruijt 1630
Gedeelte van de kaart van Geelkercken met de Ruijt bron en Asselt.

Voor het Asselt tracé zijn er hier in een gebied van ca. 1 ha. 4 bekkens gegraven en van een bodem uit leem voorzien. De dammen zijn nog steeds goed herkenbaar.

a09

De Ruetbron met verschillende door mensen opgeworpen dammen Foto Henk Weltje

Een mooi filmpje van de Ruetbron ontdekte ik onlangs op Youtube.
Ongetwijfeld van iemand die dit artikel heeft gelezen en misschien daarom een bezoek aan de bron heeft gebracht.


Om het water via het Asselt tracé naar paleis Het Loo te leiden werd gebruik gemaakt van buizen, gebakken uit ongeglazuurde leem, 75 cm lang en met een diameter van 15 cm. De oudste, die van de Orderbeekleiding voor de lagere fonteinen, zijn zonder versiering en blijkbaar uit de hand gedraaid.

a10

Leidingen gebruikt bij de Orderbeek. Foto Henk Weltje

In de Asselse leiding lagen fraaie terracotta buizen met de tekens van de Koning-Stadhouder nl. de gekroonde letters W en R, omkranst door Oranjetakken, de Roos (Engeland), de Distel (Schotland), de Harp (Ierland) en de Lelie (Frankrijk).

a11

Versierde buizen van de Asselse leidingen. CODA museum Apeldoorn.

Vanaf de Pomphul stroomde water van ca. 80 meter +NAP naar een punt op ca. 43 meter +NAP waar het water van de Veentjes zich erbij voegde. In de buizen vanaf de Pomphul waren loden leidingen gebracht met vernauwingen waardoor een hogere snelheid verkregen werd. Tegenwoordig noemen we dat effect, dat ook bij brandweerspuiten bekend is, het Venturi effect. Venturi leefde echter van 1746 tot 1822 en dus ruim na de aanleg van de leidingen van het Loo. Het effect was blijkbaar al langer bekend.

a12

Schets van de buizen met loden binnenleiding Bron Ummels    

Het verzamelde water van de Veentjes en de Pomphul liep daarna door weer een ander smeltwaterdal via boerderij Hasloo in een van de vier bekkens van de Ruetbron.

a13

Loop van de leidingen vanaf de Veentjes. Op de achtergrond is boerderij Hasloo te zien. Foto Henk Weltje

Ook het water van de Hasloo fles werd in een andere leiding naar een tweede bekken in de Ruetbron getransporteerd. In een derde bekken ontsprong het bronwater van de Ruetbron. Daarna werd het verzamelde water met zo weinig mogelijk verval verder door buisleidingen naar de fontein geleid. Bij de Holle Weg in het Orderbos is enorm veel grondwerk verzet om de buizen op een hoogte van ca. 40 meter ÑAP te krijgen. De totale lengte van het Asselt tracé bedroeg 13 km. Een enorme prestatie! Willem III had daarvoor echter wel zijn hele leger ter beschikking dus er hebben heel wat 17de eeuwse soldaten in dat gebied moeten werken.

Lang heeft de fontein niet gewerkt. In 1702, na het overlijden van Willem III stopte de middenstraal. In 1717 werkten van de 16 middelste stralen er nog 8, terwijl in 1740 alleen nog de 16 kleinere stralen werkten.
In 1748 wist men al niet meer waar de leidingen gelegen hadden en heeft men de ligging gereconstrueerd. Pogingen om het leidingwerk te herstellen hebben gefaald.
In de Franse tijd in 1795 worden paleis en tuinen geplunderd en ook het lood uit de leidingen wordt systematisch gestolen.

Na de recente renovatie van de tuinen werken de fonteinen weer maar het water komt nu van elders.

In de gemeente Apeldoorn is in de 19de eeuw door een optimistisch raadslid het plan geopperd om van de leidingen gebruik te maken voor de drinkwatervoorziening van Apeldoorn maar dat idee was niet haalbaar en is naar de prullenmand verwezen. De leidingen waren er immers niet meer en de kosten zouden de pan uit rijzen.

Wat overblijft is een prachtig landschap waar veel sporen van het verleden te zien zijn. Je moet het alleen wel weten…


In dit artikel vindt u verder twee beschrijvingen uit 1932 over het onderzoek naar de fonteinleidingen van Paleis het Loo.

De eerste is het verhaal van Kremer en het tweede een verhaal van Moerman. Het is niet duidelijk hoe de relatie tussen deze twee heren was. Wel lijkt het waarschijnlijk dat Kremer de opgravingen heeft uitgevoerd en dat Moerman er zijn eigen verhaal van heeft gemaakt. Misschien hebben de beide heren ook wel samengewerkt. Sommige zinnen in beide documenten lijken gelijk te zijn..

In elk geval voegt het verhaal van Moerman essentiele informatie toe wat betreft het versterken van de waterstraal door de leidingen door middel van het venturi effect.
Wat niet door beiden genoemd werd, is het mogelijke gebruik van een sifon contructie. Deze methode is al door de Romeinen gebruikt om water via bergen en dalen met tussenliggende bekkens van hoog gelegen bronnen naar Rome te transporteren. Of er sprake was van een sifon constructie moet nog nader onderzocht worden.

Hieronder ziet u allereerst een uitwerking van een oud boekje uit de 30er jaren van de 20ste eeuw over de geschiedenis van de pijpleidingen die dienden om de fonteinen van Paleis het Loo van voldoende water te voorzien.

Het boekje is geschreven door Jan Leonard Arnold Kremer geb. 1-7-1877 te Arnhem ovl. 27-2-1937 te Apeldoorn, in 1932 gepensioneerd Kapitein der Infanterie en wonende Gardenierslaan 39 te Apeldoorn.
jlakremer

frontpage
DE VERNIELDE FONTEINLEIDINGEN
VAN ORDEN EN ASSEL
NAAR HET PALEIS HET L00

DOOR  J. L. A. KREMER KAPITEIN DER INFANTERIE B/D
MET VERGUNNING VAN H.M. DE KONINGIN

UITGEGEVEN DOOR M. C. KROESEKLAAS
TE APELDOORN

DE WATERLEIDINGEN UIT ORDEN EN ASSEL
TEN BEHOEVE VAN DEN PARKAANLEG VAN HET PALEIS >>HET LOO<<

GESCHIEDKUNDIGE GEGEVENS.


 inn 1684 verwierf de Prins van Oranje, Stadhouder Willem III, door aankoop het oude slot Het Loo met zijn naaste omgeving. In de eerstvolgende jaren hadden niet alleen de  restauratie en verbouwing van het nieuw verworven bezit de aandacht van den vorst, maar ook breidde hij dit belangrijk uit. Zoo werden Wenum, Wiessel en een deel van het Soerensche bosch zijn eigendom, alsmede "twee papiermolens, die bij den korenmolen te Apeldoorn gelegen zijn, benevens alle wateren, welke deze molens aldaar mogen hebben” en verder "een particulier veen in Orden”.
Tot den bouw van het Nieuwe Paleis moet reeds spoedig besloten zijn. En het lijkt aannemelijk, dat de laatstvermelde aankoopen, die van de molens met hun waterrechten en van het veen in Orden, verband hielden met de plannen voor den aanleg van de waterwerken in den paleistuin, zooals die door den architect Jacob Roman waren ontworpen.
De watermolen te Apeldoorn was die, welke later Christiaan Geurtsmolen werd genoemd, en lag op de Orderbeek aan den weg welks naam de herinnering aan dien molenaar levend houdt. De twee papiermolens zullen waarschijnlijk verder stroomopwaarts hebben gelegen; de gegevens tot nadere identificeering ontbreken.
De Zweedsche architect Tessin, die in 1687 een kijkje kwam nemen op het bouwwerk, vertelt ervan. Aan den zuidkant verrezen de muren van het nieuwe paleis. Ofschoon dit nog niet voltooid was, had men met den aanleg der tuinen reeds een aanvang gemaakt. Tusschen den moestuin en de gebouwen, dus ten zuiden van de oprijlaan naar het oude slot, welke vandaar naar het oosten tot de tegenwoordige Tuinmanslaan voerde, lagen o.a. de reeds voltooide klosbaan, de oranjerie en de prieeltuin. Van de fonteinen, waarvan de bezoeker blijkbaar het ontwerp gezien heeft, zegt hij, dat zij niet hoog zouden kunnen spuiten want het water daarvoor zou worden aangevoerd uit den Hoogen vijver. We weten nu, dat deze vijver, om beter aan zijn bestemming van waterreservoir te kunnen beantwoorden, ruim twee Meter is op gezet. De korenmolen, welke vroeger aan de westzijde lag, moest verplaatst worden. Deze werd herbouwd op de beek, welke het water uit de tuinen afvoerde en kwam te liggen nabij den Zwolschen weg, waar de latere standplaats nog te herkennen is.
Thans is de waterspiegel van den Hoogen vijver weer tot het oorspronkelijk peil teruggebracht, zooals het voor de opstuwing geweest is.
Achter het paleis, waar nu het breede grasveld zich uitstrekt, werd de bodem tot onder de oppervlakte van het tegenwoordige maaiveld uitgegraven. Langs de buitenzijden van dit bekken, dat ongeveer 100 M. diepte besloeg en in breedte overeenkwam met de strekking der hoofdgebouwen, dus ruim 200 M., werden zware aarden dammen opgeworpen, welker kruin aansloot bij het terras achter het paleis.
Rekening houdende met den waterstand van den Hoogen vijver konden de daar ontworpen fonteinen een hoogte van omtrent twee Meter bereiken.
Het water, uit Orden afkomstig, waarvan het verval ongeveer tien Meter bedroeg, kon hoogere stralen leveren, welke intusschen niet veel meer dan vier Meter moeten hebben gespoten.
De Stadhouder kon in de eerstvolgende jaren slechts terloops aandacht wijden aan zijn geliefde project. De internationale zaken, meer in het bijzonder die van Engeland, eischten zijn aanwezigheid elders dan op de Veluwe. Maar in 1692, toen de  toestand zich had gewijzigd en de politieke wolken waren overgedreven, vond hij ook weer tijd voor particuliere belangen en vermaak. Toen richtte zijn belangstelling zich op de verbetering en uitbreiding van zijn bezittingen: omvangrijke plannen ter verfraaiing kwamen tot uitvoering.
De eerste opzet der gebouwen bleek te klein, om aan de hoogere eischen, welke de gewijzigde omstandigheden met zich brachten, te voldoen. Zoo verrezen de vleugels naast het hoofdgebouw, waartusschen de bassecour ontstond, in welks midden de Tritonfontein oprees.
En achter het paleis, ten noorden van de reeds vermelde allée van het Oude Loo, in den reeds bestaanden boventuin, vond een belangrijke vergrooting der waterwerken plaats, zoodat een geheel zou ontstaan, den Koning van Engeland en zijne Gemalin waardig, evenredig aan den roem van den vorst, die den machtigen Zonnekoning in zijn plannen weerstreefde en zelfs overwon.
Daartoe moest de aanleg van het lustverblijf en zijn park, waar mogelijk, dien van Lodewijk XIV te Versailles overtreffen. Op de teekening van Van Staden, betreffende het ontwerp van den tuin, komt de groote fontein nog niet voor (1686).
Dit streven te verwezenlijken moet heel wat overleg en berekening hebben gekost. Bezwaren van materieelen en financieelen aard bleken echter niet te groot om het gestelde doel te bereiken: zoo bleek het bestaanbaar, een fontein op te richten, welke het water hooger zou opstuwen, dan de krachtigste straal in Versailles vermocht! Daartoe was het bezit van hooggelegen bronnen noodzakelijk.
Die van Pomphul, gelegen nabij Hoog-Soeren, schijnt niet voldoende capaciteit te hebben gehad: in 1692 kocht de Prins Assel. Het welk "de twee gedesidereerde sources bevatte".
Zeker mocht de uitvoering van het werk destijds als een wonder gelden. De aanleg van waterleidingen was in die dagen een vrijwel onbekende kunst; zeker heeft die voor den grooten spuiter alles overtroffen, wat op het gebied van lustwaterwerken was tot stand gebracht het valt te betwijfelen, of ook in later dagen een arbeid van dergelijken omvang ooit is ondernomen met het uitsluitend doel, zich te kunnen verheugen in het bezit en den aanblik van een buitengewoon hooge fontein.
Toch hebben de tijdgenooten blijkbaar meer aandacht geschonken aan de tuinen met hun waterwerken, dan aan de moeilijkheden, welke bij den aanleg moesten worden overwonnen. Want sober zijn de berichten, welke over de leidingen zijn bewaard gebleven.
Dr. Walter Harris, de lijfarts des Konings, gaf in 1699, toen de werken pas voltooid waren, een beschrijving daarvan, waarin hij vertelt, dat het water voor de hoogste straal met groote kosten en moeiten werd aangevoerd van "een heuvel bij Assel,op twee uren van Het Loo gelegen”, terwijl de stralen van 12 voet het water uit Orden, over ongeveer een uur gaans betrokken.
De Duitsche architect Sturm, die in den aanvang der 18e eeuw een serie reisbrieven schreef betreffende zijn verblijf in de Nederlanden, maakte ook melding van zijn bezoek aan Het Loo voor 1716. Hij vertelt, dat het water voor de middelbare fonteinen afkomstig was uit een vijver, dicht bij het woud bewesten Apeldoorn gelegen en dat de middenstraal, welke bij zijn bezoek echter al sedert jaren niet meer spoot, gevoed werd uit dat bosch zelf.
Sturm betreurde het, dat er geen plattegrond van het werk is uitgegeven, maar maakt wel melding van de vele kopergravures, welke afbeeldingen van den tuinaanleg gaven.
Ook wij kennen nog die prenten, welke op bijna geen auctie van oude platen ontbreken. Die van Romeijn de Hooghe in de eerste plaats, waarop de ligging van den Hoogen Vijver eenigszins naar het noordoosten is verschoven en verdraaid, waarschijnlijk ter wille van de volledigheid. Evenzoo deed de teekenaar Scherm. De platen van Schenck, geteekend naar de gegevens van den architect Jacob Roman, komen de werkelijkheid het meest nabij.
De plattegrond welke Sturm, waarschijnlijk op zijn geheugen afgaande en aan de hand van afbeeldingen, van den tuin ontwierp, levert dan ook een verwrongen en onvolledig beeld en zoo gaat het ook met zijn beschrijving.
Intusschen was hij, evenals zijn tijdgenooten, vol bewondering voor de tuinen en het park. Talloozen kwamen van heinde en ver, om deze te bezoeken en de Magistraat van Arnhem moest zelfs orde stellen op de wagendiensten, ten gerieve van de vele reizigers ingesteld.

pagina7

Die vreemdelingen hebben de omgeving van Apeldoorn wel heel anders gekend, dan wij die nu zien. Afgaande op oude kaarten, mogen we aannemen, dat er vroeger veel minder opgaand hout en in het algemeen minder bosch stond, dan tegenwoordig het geval is. Bijna al het dennenhout is pas in de laatst verloopen eeuw gegroeid en wat er omstreeks het jaar 1700 aan bebossching bestond, zal wel grootendeels hakhout zijn geweest, ter plaatse waar nu nog loofhout voorkomt, evenals ook elders op de Veluwe het geval is.
Ten westen van Apeldoorn, langs de wegen naar Hoog Soeren en het Aardhuis, lagen toen nog uitgestrekte heidevelden. Op verschillende plaatsen moeten in de laagten watervoorraden zijn geweest en de bronnen leverden waarschijnlijk meer water, dan tegenwoordig het geval is, nu de begroeiing het regenwater vasthoudt.
De bosschen hebben hoofdzakelijk gediend voor de levering van brandhout. Dit moet ook in de steenbakkerijen gebruikt zijn; de turf uit het Orderveen bleek niet te voldoen. De steenen voor het paleis werden n.l. gebakken in ovens, nabij de Leemkuil aan den Asselschen weg gelegen. Mogelijk leverde een oven bij de bouwhoeve Assel, op de hoogte ten noordoosten daarvan gelegen, ook materiaal voor de waterleiding.  Het graafwerk voor de leidingen schijnt grootendeels door soldaten te zijn verricht: uit de Veluwsche garnizoenen werden de noodige werkkrachten getrokken. Vijf jaren lang, van 1692 tot 1697, is er gewerkt aan den nieuwen aanleg en de uitbreiding van het Paleis. De Koningin, die den eersten steen had gelegd, heeft de voltooiing van den arbeid niet mogen beleven: zij was in 1695 gestorven.
Toen het werk gereed was, telde het in het geheel een twintigtal stralen van 4M. hoogte en talrijke van minder afmeting, ongerekend de cascaden en de kleine stukken.

Men vindt nabij vele leemkuilen evenals bij die aan den Asselschen weg de stille getuigen van vroegere industrie in den vorm van roode puin. dikwjls bedolven onder humus en vegetatie. Zoo bij het Ruitersgat. bij de kuil tegenover de Echoput en bij die aan den  Amersfoortschen weg in den hoek tusschen dien weg en de traa van Berg-en-Bosch.

pagina9

Maar alles overheerschend drilde op ongeveer 250 M. afstand midden achter het paleis de Koningsspuiter zijn machtigen straal bijna veertien Meter omhoog!  En vergeefs zocht men elders zijn gelijke!  Ver boven de omgeving uit verhief zich de blanke zuil, schitterend als gepolijst staal en schijnbaar bewegingloos, den top bekroond door een zilveren krans van tintelend schuim, waarin de krachtige stuwing brak.
De wind voerde een ijlen nevel van fijnverdeelde waterdruppelen mee, waarin de zon tusschen banen van glanzend kristal, regenbogen weefde tot een veelkleurigen sluier. Vallend herwon het bedwongen element zijn vrijheid. Plassend en klaterend ontving het wijde, schotelvormige bekken de neerstortende watermassa. Schuimend en parelend bruisten de golven in het bassin, waarin nog twee en dertig andere stralen zich verhieven en wederkeerden.
 Zonder weerga was dit kunstwerk het levende bronwater overtrof de glorie van den Franschen aanleg niet alleen in kracht, maar ook de reukelooze zuiverheid van de onafgebroken  spuitende fonteinen trok de bewonderende aandacht van de beschrijvers.

pagina10

Een fonteinmaker, wiens woning aan den oostelijken Vleugel van het paleis was aangebouwd, hield met acht knechts de werken in orde. Bovendien woonde aan den ingang van het Orderbosch in het waardmanshuisje, ook watermanshuisje genoemd, een opzichter, belast met het toezicht op de bronnen.
 Slechts weinige jaren heeft het kunstwerk in zijn volle glorie geprijkt. Na het overlijden van den Koning-Stadhouder in 1702, ontstond een proces over diens nalatenschap en intusschen schijnt het onderhoud daarvan te zijn veronachtzaamd. Immers: reeds in 1704 is er sprake van herstellingen aan de leidingen.
 Toen Stadhouder Willem IV in 1734 Het Loo betrok, bleek na korten tijd ook het Orderwater niet meer te werken.
 In 1748, bij het herstel van de Hooge Heerlijkheid, ging men de limieten opmeten en in de kaart brengen. Twee kaarten zijn er uit dien tijd nog aanwezig, waarop de waterleidingen geteekend staan, maar die in enkele bijzonderheden van elkaar afwijken. Hoezeer reeds toen de herinnering aan het werk begon te vervagen, blijkt uit een zin in het bijbehoorend rapport, waarin sprake is van het aantreffen van de "rudera van de beek, waarop eenmaal de groote fontein sprong”, welke men meende aangetroffen te hebben nabij den Rauwenhul, op de grens van het Orderbosch en het tegenwoordig domein. Het bleek, dat van een beek geen sprake kon geweest zijn.
 In 1765 bleken de groote cascaden in het hooge terras te zijn verzakt, zoodat de globe's niet meer werkten. Kort daarna werd een aanvang gemaakt met grondige herstellingen, welke zich uitstrekten tot "het weder levend maken van de ten deele in het zand bedolven, geen water meer leverende bronnen en spruiten.”  Zoo trachtte Willem V den ouden luister te herstellen, maar hij ondervond krachtigen tegenstand van de watermolenaars in Orden, die klaagden over te sterke wateronttrekking aan de beken.
 Een bericht van het jaar 1775 meldt, dat het park met fonteinen, tritons, amphitheater en gaanderij weder geheel in orde zijn gebracht. Of echter de >>Fontaine royale<< hierbij moet worden inbegrepen, mag op goede gronden betwijfeld worden: waarschijnlijk zou men de vermelding van deze herstelling in de opsomming niet hebben weggelaten.
 Weer onderging het grootsche kunstwerk de vernedering der verwaarloozing na het vertrek van den Prins in 1795. De Bataafsche republiek nam de roerende en onroerende goederen in beheer. Erger nog werd het daarmee in het volgende jaar, 1796, toen de aftrekkende Engelsche troepen in het paleis huishielden, om het daarna aan de plunderzucht der Bataven over te laten. De beelden werden stuk geslagen, de tuinen vergraven, om het lood te bemachtigen. Het paleis en zijne omgeving verkeerden in een staat van ruïne, toen Koning Lodewijk Napoleon er zijn intrek nam, in het jaar 1806. De resten der verwoeste en vernielde kunstwerken, getuigen van het vandalisme der vroegere overheerschers, werden weer in bruikbaren staat gebracht voor zoover ze nog konden dienen. Veel werd er onder den grond bedolven of weggesleept en opgeruimd. Daarmede was het einde van den kostbaren en prachtigen aanleg van den Koning-Stadhouder bezegeld.

pagina12 De tuin, naar den toen heerschenden Franschen smaak vergraven en opnieuw aangelegd, bergt in zijn bodem de brokstukken van de verdwenen waterwerken. De plaats der bassins, terrassen, muren en leidingen laten zich thans nog op enkele plaatsen hervinden als een deuk in het gazon, een flauwe helling of een beekbedding.
 Toen Willem van Oranje als Koning van Holland in 1814 terugkeerde in het geliefde. tehuis, vond hij de omgeving tot onherkenbaar wordens toe veranderd. In een brief aan zijne Moeder schreef hij: “Quant aux jardins, ils ont été entierement gates et lorsque’on a le souvenir des anciens, il est impossible de se consoler de leur état actuel." (De tuinen zijn grondig bedorven en wanneer men er aan terugdenkt, hoe ze vroeger waren, is men ontroostbaar over den tegenwoordi gen toestand.)  Dit bericht vormt wel een sombere tegenstelling met de enthousiaste bewoordingen, waarin Dr. Harris zich eenmaal vol bewondering over het park uitte: >>These gardens in the whole are a work of wonderful magnificence, most worthy of so great a monarch; a work of prodigious expense, infinite curiosity and variety and after nine years labour, by abundance of workmen, they were some years ago enturely finished and brought to perfection in all respects”. (Deze tuinen vormen in hun geheel een werk van wonderbaarlijke pracht, een zoo groot vorst ten volle waardig; een werk van geweldigen omvang, eindelooze vindingrijkheid en afwisseling en na negen jaren van arbeid door tal van werklieden is het enkele jaren geleden geheel voltooid en in alle opzichten tot volmaaktheid gebracht).

HET ORDERWATER.

 De Orderbeek is ongetwijfeld een van de sprengen, welker boorden reeds in de oudste tijden tot het vestigen van een menschelijke nederzetting aanleiding hebben gegeven. Vlak ten westen van den Ordermolen liggen nu nog inzinkingen in het terrein, welke zich als oud brongebied laten onderkennen. In de nabijheid daarvan zijn vele urnen ontgraven en werd de leemen bodem van een woning uit den oertijd blootgelegd.
 Thans liggen de koppen van de sprengen een paar K.M. meer naar het zuidwesten in het Orderbosch nabij den spoorweg naar Amersfoort, terwijl bij den aanleg der baan een bron, welke meer zuidelijk lag, is afgesneden.
 Het nieuwe sprengengebied met zijn schilderachtige, steile hellingen vormt een der aantrekkelijkste wandel- en rustplaatsen in deze omgeving. De diep ingesneden spruiten doen hun water naar het Oosten afvloeien. Daar liggen de oevers der beek gedeeltelijk tusschen opgeworpen dammetjes, om op andere plaatsen, verderop, weer diep door den grond te voeren. Ze zijn dicht bezet met struikgewas, waartusschen krachtige eiken en beuken met hun zware stammen en weelderige kruinen getuigen van een welvarenden ouderdom. Velen dezer reuzen zijn zeker meer dan een eeuw oud; mogelijk stammen zij wel uit den tijd, toen de gronden in het bezit van het Huis van Oranje kwamen.
 Bij den Ordermolen stuwen dammetjes het water op boven het niveau van het omliggend terrein. Sporen van een vroeger bestaan hebbenden molenvijver doen zich nog onderkennen. De beek loopt langs den rand der heuvels, ongeveer op 30 M. + A. P.
Oostelijk daarvan ligt lager terrein. Eertijds was hier het Orderveen, waarvan Stadhouder Willem III zich het bezit verzekerde. Het moet een waterrijk moeras zijn geweest van eenige H.A. oppervlakte. Een beekje, ongeveer evenwijdig loopende aan den Waterlooschen weg en ten westen daarvan ter hoogte van den spoorweg aanvangende, waarvan oude bewoners het bestaan nog. hebben gekend, voerde het water naar het noordoosten. Mogelijk liep het uit in de Orderbeek, misschien in den molenvijver.
 Thans, vergraven en gedraineerd, levert dit terrein een heel anderen aanblik dan een paar eeuwen geleden het geval was. De Ordermolen is mogelijk een der papiermolens geweest, waarvan sprake is in de koop-acte van 1684. Op geen der kaarten van de Heerlijkheid uit het jaar 1748 staat deze molen aangegeven, ofschoon hij toen zeker reeds bestond. De kaarten van 1748 geven een verwarrend en onderling afwijkend beeld van deze omgeving, zoodat juiste gegevens voor den oorsprong van de waterleiding ontbreken.
 In verband met het feit, dat het vernieuwen van de leiding in het midden der achttiende eeuw tot conflicten met de molenaars aanleiding heeft gegeven, schijnt de veronderstelling niet gewaagd, dat oorspronkelijk de bedoeling heeft voorgezeten, het verzamelde water grootendeels voor de fonteinen te benutten, hetgeen temeer aannemelijk voorkomt, wanneer men nagaat, dat deze wel een paar ton per minuut moeten hebben verbruikt (20 spuiters van >>Middelbaren bogt<<).
 Een steenen buisleiding, waarvan bij den aanleg van wegen en vergraving van grond in de laatst verloopen jaren nog fragmenten zijn teruggevonden, voerde het water langs Polhout noordwaarts, onder het voetbalveld en het dennenboschje aan den Driehoek door naar de bocht van de Jachtlaan, om daarna, deze volgende, zich uit te storten in een reservoir, gelegen aan de noordzijde van den Soerenschenweg.
 Deze >>Com<<, met leem bekleed, ongeveer 35 M. in doorsnede en minstens 2 M. diep, is ten deele nog bewaard gebleven in den tuin van Villa Mary aan de Genistalaan. Het water uit Orden kon daarin weer op het oorspronkelijke peil van ongeveer 28 M. + A. P. oploopen.

pagina15

 Een greppel, thans gedeeltelijk vergraven, van de bocht in de Jachtlaan bij de Sumatralaan door en achter de tuinen der huizen en het Hotel Bellevue langs loopende, teekent daar het beloop der leiding, waarin nog stukken van de buizen bewaard zijn.
 Uit het reservoir, dat later den naam van >>Peerdenkuule<< zou krijgen, omdat een Apeldoornsche vilder er de resten van zijn kadavers in begroef, voerde waarschijnlijk een looden pijp van wijde doorsnede het water af.
 De greppel, ten deele nog aanwezig, wijst langs den Viersprong, door de zanderij bij Kamp Links, en den tuin van de Koninklijke Houtvesterij in rechte lijn naar den westelijken vleugel van het paleis. Die bleek geen stukje buis meer te bevatten; wel vertoont het beloop op onderlinge afstanden van 4 tot 5 M. kuilen, welke klaarblijkelijk hebben gediend, om de looden pijpen te verwijderen. Dergelijke gaten bleken ook elders voor te komen, waar het lood is weggehaald. Het was een welkome buit, toen het falende toezicht op de werken de instandhouding daarvan niet meer verzekerde.
 Door latere vergravingen binnen het hek van het Koninklijk park en bij het bouwen van de stallen is daar de juiste loop van de leiding niet meer na te gaan.
Mogelijk maakte eenmaal de tegenwoordige bedding van het beekje “de Witte graaf”, waar deze het dichtst de gebouwen nadert, een deel van de sleuf der leiding uit. Over hare geheele lengte besloeg deze 4 KM.
 De naam van de woning van den opzichter, het Waardmanshuisje, gelegen aan den ingang van bet Orderbosch en tusschen de beide beschreven beken, kan er op duiden, dat een westelijk deel, van bet Orderveen als >>waard<< afgedamd is geweest ter voorkoming van het afvloeien van bet water naar het Oosten. Van den Veenweg, welke thans dit gebied van west naar oost doorloopt, voert halverwege een dammetje naar bet noorden.
 Tenzij men de verwondering van enkele grondwerkers, die bij hun arbeid stieten op resten van de steenen buisleiding, maar die van elkanders vondsten geen kennis droegen, als wetenschap betreffende het bestaan van de Orderleiding wil aanmerken, bleek de herinnering daaraan volkomen uitgewischt. En de kaarten van 1748 gaven, als gezegd, tegenstrijdige en verkeerde voorsteliingen.
Een en ander bewijst, hoe snel het geschiedkundig geheugen van de massa verbleekt, tenminste wanneer het geen feiten betreft, welke het eigenbelang raken.

DE ASSELSCHE LEIDING.

Niet alleen vertoont de bodem aan de oppervlakte langs het beloop van de Asselsche leiding op vele plaatsen scherven van aarden buizen, welke bij het weghalen van het lood naar boven zijn gekomen en gebroken, ook wisten ouden van dagen nog te vertellen van verhalen hunner grootvaders, volgens welke "de soldaten van Napoleon" aan de leiding hadden gewerkt. Dat de Holle weg in het Orderbosch een deel van de leiding had bevat, was door overlevering bewaard gebleven, evenals het feit, dat de Ruetbron nabij den spoorweg naar Amersfoort, ten zuiden van den Asselschen weg gelegen, er mee te maken had gehad. Maar meer bijzonderheden omtrent de 13 KM. lange leiding waren niet bekend.
 Pomphul, het bekende en veelbezochte poeltje ten zuiden van Hoog-Soeren is zeker reeds van veel hooger ouderdom, dan waarop de schriftelijke bewijzen voor het bestaan van dit bewoonde oord teruggaan.
Is mogelijk de heuvel ten noorden van de bron eenmaal een versterkte nederzetting geweest? Dat in den omtrek grafheuvels zijn gevonden, doet zulks vermoeden. In ieder geval is de bron de aanleiding geweest tot het ontstaan van een nederzetting. En hoogstwaarschijnlijk heeft zij vroeger meer water geleverd, dan thans het geval is. Daarvoor pleit o.m. de omstandigheid, dat er eenmaal een ijskelder lag in den heuvel aan de noordzijde van het watertje en zeker zou de tegenwoordige opbrengst geen aanleiding kunnen geven tot het leggen van een lange en kostbare leiding. Eenmaal liep van hier naar het zuiden door de zool van het dal een looden buis tot afvoer van het water. De sporen van den opgravingsarbeid toonen aan, dat er alleen van lood als materiaal sprake kan zijn geweest.

pagina17

De hooge ligging van de bron, op bijna 80 M. +A.P., loonde de kosten en moeiten van den geweldigen arbeid, welke het vervoer van het water over grooten afstand vorderde, teneinde de gewenschte hooge fontein te laten spuiten.
 Waar de buis tot 50 M. + AF. was afgedaald, vereenigde zij zich met de uit het Veentje komende leiding. Het punt van samenkomst bereikte zij door het lichaam van een dijkje, dat het dal van het Veentje naar het westen afsloot. Daar werd de looden pijp opgenomen in de uit het oosten komende buisleiding, het punt van samenkomst bleek in een dikke prop leem te liggen, waarin de aanwezigheid van spijkers en houtresten op een bestaan hebbende bekisting wijzen.
pagina18

 Het Veentje vormt de zool van een dal, dat zich, bij een breedte van ongeveer 1 K.M., in noordoostelijke richting tot aan den tegenwoordigen grintweg naar Hoog-Soeren bij het Kruisjesdal uitstrekt. De bodem vertoont over een groot deel van het oppervlak sterke erosieverschijnselen: watergeulen van meer dan een halven Meter diep richten zich van alle zijden dalwaarts. De kiezels liggen er blootgespoeld aan de oppervlakte en de boomgroei vertoont er een betrekkelijke armetierigheid. Het laagste deel van dit dal is vergraven tot een ovaal bekken met walletjes en waterloopen. Het bevat een wel, waarin tijdens den drogen zomer van 1911, toen die van Pomphul geen water meer gaf, nog vocht opborrelde. Over een lengte van 80 bij een breedte van 40 M. liggen er watervangen en aan de westzijde sluit een dijkje, waar thans een doorgraving het verzamelde water vrij laat uitstroomen, het bekken af. Het greppeltje, waardoor de loozing geschiedt voert langs de hertenvoederplaats en bevatte eenmaal de steenen buisleiding waarin de looden buis van Pomphul werd opgenomen op ongeveer 100 M. ten westen van den tegenwoordigen telefoonweg.
Langs de westelijke helling van den, Asselschen berg, nauwkeurig de hoogtelijn van 50 M. +.A.P. volgende, ligt de sleuf, welke eenmaal de leiding bevatte. Ook hier is het lood verdwenen; tusschen de trekgaten lagen hier en daar nog aarden buizen ongeschonden in den grond.

pagina19

pagina20

  In het noordelijke talud van de zanderij, welke op den rand der heide is uitgegraven, komt de buis uit den bodem te voorschijn. Maar de zuidzijde van deze ingraving toonde geen spoor meer van de leiding, welker ligging echter met behulp van onze prikker naspeurbaar bleek.
 De prikker, een staaf beton-ijzer van omtrent anderhalven Meter lengte, waarop een houten handvat is bevestigd, ons in staat, op de onbewerkte gronden met groote zekerheid de plaatsen te vinden, waar de bodem vroeger vergraven was.

pagina21a

pagina21bDaar bleek de oerbank of grintlaag verbroken. En ook daar, waar de sleuf op grooter diepte lag, dan waarop de bodem bij het in cultuur brengen door schop of ploeg was omgeroerd, bewees dit instrument goede diensten, zoodat zelfs over belangrijke afstanden de aanwezigheid van aarden buizen in den grond kon worden vastgesteld door het verkrijgen van sporen aardewerk aan de punt van het ijzer.
 Ter controle werden herhaaldelijk proefgaten gegraven, welke de verkregen aanwijzingen bevestigden.
 Nabij den enkwal van de bouwhoeve Assel bleek de steenen leiding te zijn overgegaan in houten pijpen, waarschijnlijk uitgeholde boomstammen. Verderop in den akker kon, bij zorgvuldig nazoeken van de sleuf, het verpulverde hout worden aangetoond. Bovendien waren daar op onderlinge afstanden van 3 M. ijzeren ringen gebruikt, om de stukken hout in elkander te doen klemmen. Een paar looden plaatjes met spijkers, daarbij gevonden, doen vermoeden, dat deze hebben gediend, om wrakke plekken te dichten. Twee over elkander gespijkerde plaatjes wijzen mogelijk op een later aangebrachte herstelling.

pagina22

De leiding ging meer dan anderhalven Meter diep onder het oppervlak van den akker door; latere ophooging door het opbrengen van de mest kan deze diepe ligging verklaren: over het algemeen bedroeg de diepte der sleuven ruim één Meter.
De hier gevonden ijzeren ringen wisselden in doorsnede van 30 tot 50 c.M. en hadden een breedte van ongeveer 5 c.M.
Ten oosten van de bouwhoeve Assel liep de leiding langs den grooten beukenboom, stak den Asselschen weg over en bracht het water naar het groote reservoir ten zuiden van de Ruetbron.
Evenwijdig aan dit deel ligt nog een steenen buisleiding, welke blijkbaar het water van de bron bij de boerderij afvoerde naar het reservoir.

pagina23

Dit ligt aan de noordzijde tegen den spoorweg Apeldoorn Amersfoort, meet 100 M. van west naar oost en vertoont in de oostelijke helft de overblijfselen van een dam, welke waarschijnlijk eenmaal werd gelegd om het water uit de drie bronnen van het Veentje, bij Assel en uit het Ruet te verzamelen in het zuid-oostelijke deel van het bekken.

pagina24

te hebben Oorspronkelijk schijnen de bronnen elk hun afzonderlijk bassin gehad: de Ruetbron een noordoostelijk vak, waarin die bron ligt, de Asselsche leiding een zuidwestelijk, terwijl een noordwestelijk bassin diende voor het Veentjes-water. Er moet veel water in den zandbodem zijn teloor gegaan, waardoor men er toe kwam, de zuidoostelijke afdeeling met leem te bekleeden en deze alleen tot vergaarbekken voor het water der laatstgenoemde bronnen te benutten.
Herstellingen aan de leidingen boven en in het reservoir en verlegging van de sleuven wijzen tot deze gevolgtrekking.
De beide noordelijk gelegen bekkens zijn ten deele vergraven en met dennen en berken beplant; uit het noordoostelijke, het Ruetbekken, vloeit thans nog een beekje af, waarvan het water in den zandigen bodem verdwijnt. In den Rauwenhul doet de aanwezigheid van metselwerk vermoeden, dat hier eenmaal een zinkput moet hebben gelegen, zooals ook in het verdere deel der leiding er eenige voorkwamen. Waarschijnlijk dienden die, om het meegevoerde zand te doen bezinken. Dat deze aanleg niet doeltreffend was, blijkt uit de spoedige verzanding der buizen, waarvan bij later herstel sprake is. Uit den zuidoostelijken hoek van het met leem bekleede vak voert de sleuf, in verscheidene bochten den berm van den spoorweg volgende, naar het oosten. Hier bleek uit de talrijke, aan de oppervlakte liggende scherven, dat de opgraving tot bemachtiging van het lood over de geheele lengte heeft plaats gehad: de buizen hadden meer dan twee meter diep gelegen.

pagina25

Daaronder lag nog een onverstoorde steenen leiding, op een diepte vanongeveer 3 M. Verderop buigt de sleuf naar het noordoosten om; daar hebben de buizen naast elkaar gelegen. Zij behielden vrij nauwkeurig de hoogte van 40 M. + A.P., waartoe in een lager deel van het veld een dijk is opgeworpen.
Het spoor der scherven voert door het Willemsbosch en den reeds vermelden Hollen weg, waarin de sleuf belangrijk dieper moet hebben gelegen dan het tegenwoordige pad.
Aan het noordelijke einde van den Hollen weg lag weer een zinkput. Van daar laat de leiding zich volgen door een vlak terreingedeelte, waar sporen van metselwerk verspreid liggen.
pagina26

Daarna, vlak bij den Asselschen weg, op ongeveer 900 M. ten westen van de boschwachterswoning, ging de sleuf metersdiep door de heuvels en volgt in bijna rechte lijn de noordoostelijke richting.
Zij ging door de oostelijke helling van den Valkenberg, had weer een steenen put in den tuin van Villa Bella Sita aan den Soerenschen weg, liep op 50 M. ten westen van de 2e Beukenlaan onder den Amersfoortschenweg door en bereikte in de helling van den Kleiberg weer de hoogte van 30 M. + A.P.
Tot de put aan de noordzijde van den Hollen weg behield de leiding de hoogte van 40 M. + A.P. Na dit punt is geen spoor van aarden buizen meer te vinden: binnen het Koninklijk Park bleken weer ijzeren ringen in de sleuf te zijn achtergebleven; echter konden daar geen sporen van houten buizen worden aangetoond. Het bestaande verval en het voorkomen van >>trekgaten<< over dit deel van de leiding bekrachtigen het vermoeden, dat hier looden buizen gelegen moeten hebben. De ringen hadden ook hier een diameter van 30 c.M. en meer. Aan de binnenzijde vertoonden zij vastgeroeste stukjes eikenhout,  welke als wiggen moeten hebben dienst gedaan bij het opsluiten der buizen.

pagina27a

pagina27b

Van het steenen bekken op den Kleiberg is eenige jaren geleden de bodem ontgraven: dit was een met specie gladgestreken vloer van ongeveer 1 M. breed bij een lengte van circa 2 M. Zonder twijfel heeft hierin een wijde buis uitgemond, welke het water uit het groote reservoir aanvoerde en in deze buis zal een nauwere looden vervat zijn geweest, waardoor van Pomphul het water onder hoogeren druk werd ingevoerd, om de noodige stuwing te verschaffen voor den hoogen spuiter.
Het spoor van de leiding is te vervolgen tot op ongeveer 100 M. ten noorden van de Koningslaan; verderop wordt ook het naspeuren daarvan door later plaats gehad hebbende vergravingen onmogelijk.
Ter verzekering van de juiste richting voor het laatste deel der leiding stond aan den Wiesselschen weg, in de aslijn van het paleis, een hooge houten toren. De cirkel, waarvan deze het middelpunt uitmaakte, ligt er nog als slootje om de vroegere standplaats.

pagina28

pagina29

 DE MATERIALEN.
De gevonden aarden buizen, ten deele nog onverlet in den grond aanwezig bij de ontgraving, zijn gebakken uit ongeglazuurde leem, lang 75 c.M. en wijd 15 c.M. De oudste, die van de Orderleiding, zijn zonder versiering en blijkbaar uit de hand gedraaid.
In de Asselsche leiding lagen er, uit drie segmenten aaneengebakken, die in hoog-relief de emblemen dragen van de waardigheden van den Koning-Stadhouder. Achtereenvolgens lagen er buizen met de gekroonde letters W en R, omkranst door Oranjetakken, de Roos (Engeland), de Distel (Schotland), de Harp (Ierland) en de Lelie (Frankrijk). (Tot Napoleon’s tijd hebben de koningen van Engeland den titel van Koning van Frankrijk blijven voeren. Waarom de bloemsymbolen niet zijn volgehouden bij den Ierschen titel — Shamrock — schijnt onverklaarbaar. Of was dit het teeken der Katholieke Ieren?)  De buis met de drie opgelegde reepjes is een unicum. Is deze misschien aangebracht bij herstellingen in den tijd van Stadhouder Johan Willem Friso, in 1704? Stelt dit teken een riethalm voor en duidt het op Friesland? De omstandigheid, dat deze en de daarop volgende buizen in de leiding kleiner van maat waren en dus schijnen te zijn ingevoegd, geeft aanleiding tot het stellen van deze vragen.

pagina30

Ook uit de hand gedraaide buizen kwamen hier voor. De steenen buizen waren ondersteund door stukken baksteen. Bij het Veentje lagen ze ingebed in leem. Het gelukte, vier stel buizen vrijwel onverlet te voorschijn te brengen en bovendien nog enkele gave exemplaren met verschillende teekening.
Van de looden buizen is slechts een enkel fragment thans nog aanwezig op het Museum Felua. Het uitgeslagen stuk lood is te voorschijn gekomen bij ontginning van het veld ten westen van den Rauwenhul. De afmeting er van duidt er op, dat de buis, waarvan het afkomstig is, ongeveer 6 c.M. wijd geweest moet zijn.
Deze zal gediend hebben voor het water uit Pomphul.
De andere looden buizen zijn van veel zwaarder kaliber geweest.
Zij hebben een veel grootere capaciteit gehad, om het benoodigde water te kunnen aanvoeren en de wijdte der ijzeren ringen wijst dit uit.
Volgens de overlevering zouden deze gestempeld zijn geweest met de woorden >>William Rex<<, hetgeen op Engelsch fabrikaat kan wijzen.
De aansluiting der aarden buizen werd met leem, hennip (soms geteerd), bitumen of een op stopverf gelijkende stof verzekerd. Bij latere herstellingen is ook kalk gebruikt.
Hoezeer de aanleg van de waterwerken, in hooger mate nog dan die van de leidingen, bijdroeg tot den roem van den bouwheer. toch heeft deze door zijn levensarbeid op ander dan materieel gebied, grooter eer en bewondering verworven, dan een vergankelijk kunstwerk kon verschaffen.
Wie de steenen balustrade bekijkt, welke het plein voor bet paleis naar het zuiden afsluit, ziet daar Romulus en Remus spelend bij hun voedster, de wolvin en daarbij een paar sfinxen, aan wier zijde kinderfiguurtjes liggen. Op de tafels, welke de knaapjes den beschouwer voorhouden, is een oude symbolische voorstelling gegrift: de eene vertoont de woorden van het Oedipus-raadsel, de andere geeft de oplossing daarvan in de voorstelling van een kruipend kind aan de voeten van een tweetal mannen, waarvan de een, in de kracht des levens, een grijsaard ondersteunt, die zich met behulp van een staf  slechts moeilijk op de been houdt. Deze beelden maakten eenmaal deel uit van den siertuin.
Dat de in steen gehouwen les meer dan twee eeuwen den tand des tijds heeft weerstaan zal niemand bevreemden. Maar het feit, dat van de talrijke beelden, welke eenmaal den vorstelijken tuin opluisterden, juist deze zijn ontkomen aan het vandalisme, dat de andere vernielde, doet ons deze herinnering aan de menschelijke vergankelijkheid anders dan met nieuwsgierige oogen bezien, wekt diepere gevoelens, dan die van eenvoudige bewondering. .

pagina33

NASCHRIFT.

 In opdracht van den Heer Opperhoutvester van H. M. de Koningin, Jhr. van Suchtelen van de Haere, die daarbij een arbeider voor het graafwerk ter beschikking stelde, zijn bij de opsporingen in de jaren 1930 tot en met 1932 uitkomsten verkregen, waarvan het overzicht, naast de gegevens reeds door den Heer A. D. Muller verzameld, in vorensgaande bladzijden is neergelegd.
Aan dezen, die een en ander ter bewerking aan mij opdroeg, en die mij de gelegenheid gaf deel te nemen aan de nasporingen, betuig ik mijn welgemeenden dank, terwijl den Heer C. F. Kruisinga, eveneens oud-zeeofficier alhier, voor het maken der fraaie foto's een woord van warme hulde moge worden gewijd.
Met dankbaarheid gedenken we de hulp en medewerking van vele anderen; zoo de gul verleende toestemming der eigenaren van het Willemsbosch, van het Orderbosch en die van de Gemeente Apeldoorn voor wat Berg en Bosch betreft, om in hun terreinen te mogen graven.
De omstandigheid, dat het bestaan der kaarten van 1748 pas tot onze kennis kwam, nadat het beloop der leidingen vrijwel geheel was teruggevonden, heeft zeker den voortgang van de nasporingen niet alleen in langzamer tempo doen verloopen, dan anders mogelijk ware geweest, maar anderzijds waarschijnlijk de nauwkeurigheid daarvan verhoogd.
Desondanks kon geen volledig bevredigend antwoord op vele vragen worden verkregen. Maar we vleien ons met de gedachte, dat tenminste veel is verzameld, wat een denkbeeld kan geven omtrent het omvangrijke werk, hetgeen anders zeker binnen afzienbaren tijd, mede door de uitbreiding der bebouwing van de terreinen ten westen van Apeldoorn, geheel onnaspeurbaar zou worden.

 APELDOORN, 1932.



In 1981 heeft de afdeling Gemeentewerken van Apeldoorn een nieuwe kaart gemaakt van de situatie van 1748. Alleen de leidingen in het noorden bij paleis het Loo zelf staan niet ingetekend. Dat geldt ook voor de leidingen vanaf de Pomphul in Hoog Soeren.
Deze watertoevoer had achteraf weinig nut omdat de Pomphul geen echte bron was maar uit een hoog gelegen leemlaag bestaat waarin regenwater opgevangen wordt. Dat is niet echt een continue watertoevoer voor de leidingen.

fontijn leidingen 1748













































Verder is er nog te melden dat er meer te vertellen is over de loden binnenvoering van de fontijnleidingen. De loden binnenvoering is in de loop der tijd voor het grootste gedeelte geroofd. Het doel van de binnenvoering was om meer snelheid te genereren d.m.v. het Venturi effect. De heer Ummels, die zelf ooit bij de brandweer heeft gewerkt en dit effect kende, tekende het onderstaande plaatje om e.e.a. te verduidelijken.

venturi



















Wat verder interessant bij dit verhaal is, is dat Venturi leefde van 1746 tot 1822 en dus ruim na de aanleg van de leidingen. Het effect was dus al lang bekend al droeg het uiteraard niet die naam.

Een ander gebruikte constructie is waarschijnlijk ook het gebruik van het sifon systeem dat al door de Romeinen gebruikt werd om water over grote afstanden over bergen en dalen van bekken naar bekken te transporteren. Een bekkensysteem bij de Haslo fles en de Ruetbron is misschien gebruikt om tussentijds water op een telkens iets lager gelegen bekken op te slaan, zo te bufferen en dan via verdere leidingen naar het paleis te transporteren. Vanuit de bronnen bij de Veentjes liepen de buisleidingen ook door lager gelegen gebieden maar als er gebruik gemaakt is van het sifon effect was dit geen probleem. In het algemeen heeft men echter de leidingen van hoog naar laag laten lopen en het terrein zoveel mogelijk gebruikt. De leidingen lagen op somigeplaatsen 3 meter diep en ze doorsneden heuvels. Vanuit de Veentjes (46m +NAP)tot aan het Orderbos (ca. 43 m +NAP) is het hoogteverschil slechts enkele meters. De leidingen kunen in die tijd niet luchtdicht afgesloten geweest zijn maar aangezien de druk in de leidingen hoger was dan daarbuiten moet dat geen bezwaar geweest zijn voor het effect.

In de holle weg zijn nog steeds restanten te vinden van de zinkputten die in het verslag van Kremer genoemd zijn en bakstenen en restanten teer zijn de getuigen van hun aanwezigheid. Dat er in die tijd teer was is niet zo vreemd. Al in de vroege middeleeuwen was het gebruik van pekpotten bekend om aanvallen op kastelen af te slaan en pek werd ook gebruikt om scheepsrompen te dichten.

De leidingen waren waarschijnlijk aangelegd door Rutger van Kleef uit Nijmegen die alles van deze leidingen afwist. Het grote voorbeeld waren de fontijnen uit Kleve waarbij Pieter van Post en Jacob van Kampen als architect een rol hebben gespeeld.



Ook de bekende Apeldoornse archeoloog Moerman heeft in 1932 een artikel over de leidingen geschreven waarbij hij ook de loden leidingen beschrijft.

Jacob Diederik Moerman geboren te Apeldoorn op 4 juli 1885 en overleden te Apeldoorn op 24 mei 1965 was een zeer bekend Apeldoornse archeoloog en historicus. Hij was de oprichter van het voormalige Moerman museum en kan gezien worden als een belangrijke grondlegger van de Apeldoornse geschiedschrijving.
jdmoerman
DE WATERLEIDINGEN UIT ASSEL EN ORDEN
DIENENDE VOOR VOEDING VAN
DE VOORMALIGE “GROOTE- OF KONINGSFONTEIN“
OP HET LOO.
--------------

ALGEMEEN.

     Onder de vele lustwaterwerken, welke den door den Stadhouder-Koning Willem den Derden in de jaren 1688-1697 aangelegden tuin achter het Koninklijk Paleis het Loo versierden, nam de zelfs in het buitenland beroemde zoogenaamde Groote- of Koningsfontein wel de allereerste plaats in. Niet alleen wegens de afmetingen en inrichting van deze fontein zelf, doch meer nog wegens de buitengewoon omvangrijke werken welke ervoor moeten worden uitgevoerd.

     WALTER HARRIS, lijfarts des konings beschrijft in zijn in 1699 uitgegeven werkje over het Paleis het Loo deze fontein als volgt:

     "een merkwaardige fontein met achtkant bekken waarvan elke zijde 16 schreden lang was, dus 128 schreden in omtrek (± 30 M. diameter). In het midden spoot het water met een straal van 45 voet omhoog.

Daaromheen waren nog twee rijen stralen, elk van 16 stuks; deze gingen 12 en 6 voet hoog. Het water voor de middelste straal kwam van een heuvel bij Assel, twee uren gaans (leagues) van het Loo, voor de 16 van 12 voet kwam het van Orden, ongeveer een uur gaans (league) verwijderd, terwijl de overige 16 (van 6 voet) werden gevoed door het water uit den vijver.

     De fontein was gelegen in de salijn van het paleis, het bekken had een eikenhouten op leem gelegden vloer en een rand van blauwen hardsteen; het middelpunt - dus de groote straal - bevond zich juist in het midden van het pad hetwelk aan de voor(noord)-zijde om het gazon loopt.

In de ten Zuiden daarvan stroomende beek - de zoogenaamde "Witte Graaf" - kan men den gemetselden Zuid-West rand en den houten bodem van het fonteinbekken thans nog zien liggen.--

     Het water uit het fonteinbekken werd in eene beekbedding naar het Oosten afgevoerd, en diende als beweegkracht voor de molen, welke gelegen was nabij de tegenwoordige tuinmansloods aan de Tuinmanslaan. De beekbedding boven deze molen is nog zeer goed te zien, zij is kenbaar door een dubbele rij hooge oude boomen, welke Westelijk uiteinde tevens de vroegere grens van het Koninklijk park aan die zijde aangeeft. --

     Lang heeft de fontein niet gewerkt. In het jaar 1702, spoedig na het overlijden des konings stopte de middenstraal, en was dus het Asselsche water buiten werking. In 1717 werkten van de 16 middelbare stralen er nog slechts 8, terwijl in 1740 nog slechts de 16 kleinere stralen in actie waren.

     In 1748 stuitte de Commissie, welke de grenzen der Hooge Heerlijkheid opnieuw moest uitzetten in de buurt van Assel op de "ruders van de "beek" - daar voormaals de groote fontein van het Loo op sprong." Blijkbaar was de juiste inrichting toen al vergeten.--

     In 1767 werden op last van den Stadhouder Prins Willem den Vijfden omvangrijke herstellingen aan de waterwerken van het Loo uitgevoerd. Het is niet duidelijk of daarbij ook de Koningsfontein weder in haar volle glorie werd hersteld; op grond van tijdens het terreinonderzoek ontdekte herstellingen en veranderingen in den oorspronkelijken aanleg, mag dit worden betwijfeld.

     In 1795, na het vertrek van den Stadhouder, worden het paleis en de bijbehoorende tuinen grondig geplunderd en vernield; het lood uit beelden en leidingen verwijderd en gestolen, zoodat van de vroegere pracht slechts eene ruïne overbleef.

     In 1806 werden tuin en park op last van Koning Lodewijk Napoleon opnieuw aangelegd. In den toen gevolgden stijl was voor de oude waterwerken geen plaats; wellicht ook werden de kosten van herstel onder de bestaande tijdsomstandigheden te zwaar geacht. De overblijfselen der verschillende fonteinbekkens en cascaden werden onder den grond gewerkt, en zoo geraakte de oude inrichting spoedig in totale vergetelheid.--

HET ASSELSCHE WATER

ALGEMEEN

     Zoals hierboven vermeld diende dit, volgens de tot ons gekomen berichten, uitsluitend voor den grooten middenstraal der fontein.

Het benoodigde water werd daartoe uit een drietal" sources" naar een reservoir geleid, en vandaar uit naar zijn bestemming. Het reservoir bevond zich - en bevindt zich nog - in rechte lijn op 6000 M. afstand Zuid-West van het Koninklijk Paleis. Het werd gevoed 1. door de ten Noorden van den Asselschen berg op 1250 M. Zuid-Zuid Oost van Hoog Soeren aanwezige bron, thans genaamd "het Veentje", 2. door de zich in onmiddelijke nabijheid van de bouwhoeve Assel bevindende bron, vroeger genaamd "de Ruet". De leiding uit het Veentje is met een wijden boog op vrijwel 80 M. + NAP, aan de Westzijde om den Asselschen berg heengeleid; die uit de bron te Assel loopt in rechte lijn Oost- Zuid-Oost naar hare bestemming, en het water uit de Ruet vulde uit zich zelf het daarvoor bestemde reservoirdeel, waarin deze bron gelegen was.

     De afvoerleiding volgt nauwkeurig de hoogte waarop het reservoir is gelegen (ongeveer 40 M. +NAP) in Oostelijke richting door het tegenwoordige Kroondomein, tot aan de grens daarvan op de scheiding tusschen het Orderbosch en het Willemsbosch; zij vervolgt daarna haar weg door het Willemsbosch om met de hoogtelijn van 40 M.+NAP ongeveer 750 M. verder Oostwaarts scherp naar het Noord Oosten om te buigen, waarna zij in het Orderbosch treedt. 400 Meter Noordelijker is zij over een afstand van ± 75 (correctie 750) M. gelegd in eene boogvormige terreininzinking, welke voor dit doel op aanzienlijke diepte werd uitgegraven en thans in een schilderachtigen hollen weg is veranderd. Vanaf het Noordelijk uiteinde van deze uitgraving loopt de leiding over ongeveer 1100 M. in rechte lijn Noord-ten Oostwaards. Dit gedeelte bevat in de Noordelijke helft eene tweede diepe uitgraving door het aldaar hooger gelegen terrein. De Asselsche weg snijdt deze laatste uitgraving vrijwel op het midden.

     300 Meter benoorden den Asselschen weg verlaat de leiding de tot dusver gevolgde terreinhoogte van 40 M. +NAP; vanaf dit punt loopt zij in een nagenoeg rechte lijn, geleidelijk dalende (gericht naar de plaats waar vroeger de houten toren (1) stond), naar het park.

(1) In de aslijn van het Paleis op den Wiesselschen weg.

Zij kruist den straatweg naar Amersfoort op 120M. afstand beoosten den grintweg naar de voormalige Jachtopzienerswoning en de Koningslaan op 500 M. afstand beoosten het parkhek; iets Oostelijker van het punt waar vroeger de grens van het Park was en waar de eikenallee eindigde.--

     Een blikop de kaart doet zien, dat het verderverloop van de gevolgde rechte lijn via de Westzijde van den hoogen vijver gericht is naar het kruispunt der wegen nabij de kopvan de schietbaan; dat van daar een half cirkelvormig pad- gedeeltelijk dubbel- Oostwaarts ombuigt naar het "Zaadhuisje" (vroeger Waschhuisje) en zodoende be-Noordoosten de plaats der fontein uitkomt op de grens van den voormaligen Koningstuin en zoo dicht mogelijk bij de fontein gelegen.--

Hoewel tengevolge van de zeer belangrijke veranderingen welke de Park-aanleg heeft ondergaan in het terrein niet meer is na te gaan of de oude leiding inderdaad deze weg heeft gevolgd, ligt de veronderstelling toch voor de hand dat dit inderdaad het geval was. Ten eerste toch toont de topografische kaart aan, dat de terreinhoogte zich hiervoor leent, en ten tweede schijnt het logisch dat men de leiding zooveel mogelijk buiten den Koningstuin en het daar beNoorden liggende vroegere Sterrebosch omleidde, ten einde noodzakelijke herstellingen zooveel mogelijk te kunen verrichten zonder den siertuin met zijn vele kunst- en waterwerken of het Sterrebosch daarbij te moeten beschadigen. Deze veronderstelling wint aan waarschijnlijkheid door de vondst van eene sleuf-uitgraving, loopende van de fontein naar de tuinmuur.

     De bij deze beschrijving gevoegde topografische kaart geeft de plaats van het reservoir, alsmede de aanvoer- en afvoerleidingen in rood geteekend aan.--

     De hoogte waarop het reservoir gelegen is (ruim 40 M. +NAP); het verval van de afvoerleiding tot aan de fontein - 22 Meter - gepaard met den afstand tusschen beide inrichtingen doen twijfel rijzen of hierdoor alleen een straal van 45 Engelschen voeten in het leven kon worden geroepen; Zonder eene speciale inrichting schijnt zulks nauwelijks mogelijk. Inderdaad bestaan er sterke aanwijzingen, dat een of andere vernuftige inrichting hier als hulpmiddel toepassing vond.

     Bij het onderzoek is namelijk voldoende gebleken, dat de vernieling van aan- en afvoerleidingen niet is geschied met het doel de gebakken aarden leidingbuizen te bemachtigen; immers over groote afstanden vindt men deze onbeschadigd terug (2).

(2) o.a., vrijwel de geheele aanvoerleiding uit de Aselsche bron.

Veeleer moet die vernieling zijn geschied ter verkrijging van iets veel waardevollers, namelijk de looden buis, waarvan stukken nog tevoorschijn kwamen toen ongeveer 25 jaren geleden het Asselsche veld met den stoomploeg werd bewerkt.

     Deze buis had blijkens een fragment daarvan, aanwezig in het Museum Felua alhier, een diameter van slechts 6 cM.- Zoowel deze afmeting welke toeliet de buis inde 15 cM. wijde aarden buisleiding te leggen, als het materiaal - lood - bewijzen voldoende dat zij nietvoor afvoer van water uit het reservoir kan hebben gediend, doch voor een ander doeleinde, waarschijnlijk het kunstmatig opvoeren van den straal.

     Inderdaad is een gegraven sleuf gevonden, welke van de veel hooger gelegen bron bij Pomphul (75 M.+NAP) in vrijwel recht Zuidelijke richting naar de uit het Veentje komende leiding loopt, en zich daarmede vereenigt op ongeveer 100 M. bewesten den zoogenaamden Telefoonweg.-- Vanaf dat punt van samenkomst vertoont het spoor van laatstgenoemde leiding hetzelfde typische karakter als de (ledige) Pomphulleiding, namelijk op onderling gelijken afstand liggende gaten; terwijl in de Veentjes-leiding daartusschenin de aarden buizen onbeschadigd worden gevonden. Dit wijst op eene systematische opgraving en verwijdering van een buis, komdende van Pomphul en liggende in de Veentjes-leiding. De verwijdering moet dan geschied zijn door op afstanden van 4 a 5 Meter, de aarden buis te sloopen en de gewenschte binnenbuis er uit te trekken.-- Steller dezes is tot de conclusie gekomen, dat de op het Asselscheveld gevonden looden buisresten deel uitmaakten van eene doorlopende leiding, welke uit de bron bij Pomphul kwam, zoover mogelijk de toevoer- en afvoerleiding volgde en buiten het reservoir om, het van 75 M. hoogte komende Soerensche water aanvoerde, teneinde de doorstroming van het Asselsche water, en daardoor ook den fonteinstraal te versterken en dus te verhoogen.--

HET GROOTE RESERVOIR

     Dit reservoir is op 200 Meter beoosten den Asselschen weg, vlak ten Noorden van de spoorbaan gelegen. Hoewel, zowel door eene dichte dennenbeplanting als door verschillende af- en vergravingen, veel van de oorspronkelijke vorm en aanleg verloren ging, is toch in het algemeen de vroegere opzet nog goed te zien.--

     Het bestond uit vier bassins van verschillende grootte, waarvan de twee Noordelijkste op hooger niveau zijn gelegen dan de twee op elkander aansluitende Zuidelijkste.--

     Het Zuidwestelijke bassin werd gevuld met het van de Asselsche bron komende water, het Noordwestelijke was aangelegd om de Ruetbron heen en werd dus daardoor gevuld, terwijl het Zuidoostelijke bassin uit de drie andere werd gevuld en voor het eigenlijke fonteinwater diende.-- Van daaruit liep de afvoerleiding naar het Loo.--

     De twee Zuidelijke bassins zijn te samen oorspronkelijk als een aangelegd, waarbij een tusschendam voor afscheiding diende. Het Oostelijke werd vermoedelijk bij eene latere herstelling met gestampte leem bevloerd en van aan de binnenzijde der oorspronkelijke wanden opgeworpen , met leem bekleede damwanden voorzien. Deze constructie, zoomede de resten van een verdwenen tusschendam, schijnen er op te wijzen, dat de inrichting in haar aanvankelijken opzet niet voldeed, wellicht doordat te veel water in den grond verloren ging.

     De omstandigheden, dat de oorspronkelijke aanvoerleiding naar het Zuid-West bassin op circa 50 M. bewesten daarvan is opgebroken en vervangen door een rechtstreekschen toevoer naar het Zuid-Ooste bassin, versterkt deze veronderstelling.

     Het Zuidwestelijke bassin was 64 Meter lang en oorspronkelijk ongeveer 50 Meter breed; het Zuidoostelijke met ingebouwde leemwanden 37 bij 41 Meter; van het Noordwestelijke zijn de afmetingen moeilijk op te nemen - zij bedroegen ongeveer 50 bij 40 Meter; het Noordoostelijke of Ruetbassin, ietwat Noordelijker dan zijn buurman, is zoodanig afgegraven en daardoor verdwenen dat de oorspronkelijke afmetingen niet meer met eenige zekerheid zijn te noemen, slechts de Noordkant ervan is nog in het bosch terug te vinden. De waterhoogte kan in de Noordelijke bassins ongeveer 1 1/2 meter en in de Zuidelijke 2 meter hebben bedragen.--

DE BRONNEN EN AANVOERLEIDINGEN

     In het jaar 1692 kocht Koning Willem het landgoed Assel, omdat dit de twee "gedesidereerde sources" bevatte. Met deze twee werden ongetwijfeld de bron bij de bouwhoeve en de Ruet bedoeld. Het "Veentje" lag van ouds in het Soerensche, zoodat Zijne Majesteit daarover, evenals over de Pomphulbron reeds vroeger beschikken kon.

     Toch is blijkbaar de aanleg van het zoogenoemde Asselsche water, ook voozoover dit uit het Veentje kwam, eerst in of na 1692 begonnen; de in hoog-reliëf op de leidingbuizen uitgebeelde titels des Konings, duiden behalve Engeland, Schotland en Frankrijk ook Ierland aan.

     De aanleg der sprengen vertoont bij allen hetzelfde karakter; voorzoover nodig werd om de bron een aarden wal gelegd, en het water daardoor tot een vijver opgestuwd. Zoowel bij Pomphul en het Veentje, als bij de Asselsche bron is dit nog duidelijk te zien. Thans echter zijn de stuwdammen doorbroken en de bronnen in moerassige modderpoelen veranderd, waarvan het water verderop in den grond wegzakt. Alleen de Ruetbron is sinds ongeveer vijftien jaren,met vergraving van het oorspronkelijke bassin in een aardig vijvertje veranderd; hier stroomt het water als van ouds naar het Zuidelijke, lager gelegen reservoirbekken, doch verdwijnt daar in den bodem.--

DE LEIDING UIT HET VEENTJE is 2400 Meter lang; zij loopt als vermeld, in een wijden boog op ongeveer 50 M. +NAP Westelijk en Zuidelijk om den Asselschen berg; over 1600 Meter bestaat zij uit een aarden buisleiding, in gestampte leem gebed, en over de laatste 800 Meter, waar de leiding gedeeltelijk daalttot het niveau van het Noordwest bassin ± 45 M.+NAP in uitgeholde boomstammen welke in elkander gestoken, en met ijzeren ringen geklemd waren.-- Deze laschplaatsen waren weder in leem gelegd (3)

(3) In de bedding van dit leidinggedeelte werden een paar kleinen met spijkers bezette looden plaatjes gevonden. Waarschijnlijk dienden deze tot afsluiting van lekkende plaatsen.

De diepte onder het maaiveld bedroeg normaal 1,25 a 1,30 Meter, op plaatsen waar hooger terrein werd gekruist natuurlijk overeenkomstig meer; op lager gelegen gedeelten werd een dam gelegd.

     Op de plaats waar de aarden buisleiding in de boomstammen overging, bevindt zich thans een tamelijk uitgestrekten zandkuil, welke blijkbaar in later jaren gediend heeft voor de tot voor korten tijd nabij gelegen schaapskooi.-- In het gedeelte beoosten de bouwhoeve Assel werden geen klemringen gevonden.

DE LEIDING UIT DE BRON BIJ DE ASSLESCHE BOUWHOEVE is 800 Meter lang; zij loopt van uit de bron in een boog beZuiden de bouwhoeve om, en vandaar naast de Veentjes leiding naar het Zuid-West bassin. Op circa 50 Meter bewesten dit bassin is zij intusschen verlegd en naar het Zuid-Oost bassin geleid. Zij bestaat over de gansche lengte uit aarden buizen.

DE LEIDING UIT DE RUETBRON was slechts eenige tientallen meters lang.Zij liep uit het Ruetbassin rechtstreeks naar het Zuid-Oostelijke. Zij bestond waarschijnlijk uit aarden buizen;de thans aanwezige beekbedding bevat namelijk over de geheele lengte stukjes aardewerk.--

DE AFVOERLEIDING.

     De afvoerleiding is van het reservoir tot de Koningslaan 7200 Meter lang, en - indien de hiervoren reeds genoemde vermoedelijke ligging in 't Park als juist wordt aangenomen - van de Koningslaan tot de groote fontein 1500 Meter te samen 8700 Meter (4).

(4) De totale lengte van het Asselsche werk met inbegrip van de leiding uit Pomphul en van de afzonderlijke leiding uit de bron bij de bouwhoeve bedroeg alzoo niet minder dan 13 Kilometer!

Zij bestond voorzoover zij op gelijk niveau bleef uit ten minste twee aarden buisleidingen, terwijl als materiaal voor het van 40 tot 18 M.+NAP afdalende gedeelte lood moet zijn gebezigd. In het eerstbedoelde leidingdeel waren verschillende zinkputten aangebracht, op ongelijke afstanden van elkaar gelegen.--

     Tusschen het reservoir en de plaats waar deze leiding het domein verlaat vindt men twee afzonderlijke sleuven, waarvan de Noordelijke slechts op enkele sporen van aardewerk bevat. Waarschijnlijk hebben wij hier met ene verbetering van de oorspronkelijken aanleg te doen, en werd de Noordelijke bedding afgekeurd en door de Zuidelijke vervangen, met gebruikmaking van het nog deugdelijk buismateriaal.In de terreininzinking ten Westen van Rauwenhul heeft een hooge dam gelegen, waarvan de overblijfselen nog vrij goed zichtbaar zijn.-- Het hier bedoelde leidingdeel is bijzonder bochtig! blijkbaar heeft de terreingesteldheid aan de uitvoerders groote moeilijkheden in de weg gelegd.-- De groote massa puin en steenen op Rauwenhul aanwezig doen vermoeden dat zich hier ook een zinkput heeft bevonden.--

     Van hier loopt de leiding door het Willemsbos eerst over eenigen afstand Zuidoostelijk en daarna Oost-Zuid-Oostelijk,de hoogtelijn van 40 M. +NAP volgende. Op 700 M. afstand van Rauwenhul buigt zij rechthoekig naar het Noord-Noordoosten om en volgt in het Orderbosch den reeds hierboven genoemden "Hollen Weg" eene 7 a 800 M. lange diepe uitgraving. Zoowel in het Willemsbos als aan het Zuidelijke en aan 't Noordelijke uiteinde van den hollen weg bevonden zich zinkputten. Hierna volgt een recht gedeelte lang 1100 M. waarbij voor de laatste 600 M. wederom een diep breede doorgraving is gemaakt.

     Eindelijk - bij het Noordelijk uiteinde hiervan - wordt de hoogtelijn van 40 M. +NAP verlaten en daalt de leiding in vrijwel rechte lijn geledelijk 20 M. af. In dit gedeelte bevindt zich even benoorden den Soerenschen weg een ronde uitgraving, welke kalk, baksteenen en puin bevat, terwijl zich ter hoogte van den "Kleiberg", 500 M. benoorden den Amersfoortschen weg eveneens de resten van een put bevinden.Deze laatste, waarschijnlijk als gesloten drukput geconstrueerd,was ovaal van vorm en had een gemetselden bolvormigen bodem (5).

(5) Wellicht werd hier het water van Pomphul in het fonteinwater gebracht.--

In het gedeelte ten Noorden van den put aan den Soerenschen weg werden op regelmatige afstanden van ongeveer 3 Meter ijzeren ringen aangetroffen,met houtresten aan de binnenzijde. Klaarblijkelijk waren dit klemringen waarmede de in elkaar gestoken looden buizen door middel van houten keggen bevestigd werden.

     Op ongeveer 100 M. ten Noorden van de Koningslaan, op het punt waar de grintweg naar de boerderij wordt bereikt eindigt het tot dusverre overal aantoonbare en gevolgde spoor; van hieraf is het terrein op dusdanige wijze vergraven en veranderd, dat het verdere beloop van de leiding, zonder uitgebreid graafwerk, slechts te veronderstellen valt. Op de kaart is dit gedeelte gestippeld aangegeven.

DE DRUKLEIDING

     Op de gronden, reeds hierboven in 't kort vermeld, veronderstelt schrijver dezes, dat - ter verhooging van den straal - eene afzonderlijke, van groote hoogte komende, drukleiding aanwezig moet zijn geweest. Aanwijzingen hiertoe zijn de sleuf van Pomphul naar de Noord-Westelijke bocht van de Veentjesleiding, de op regelmatige afstanden voorkomende kuilen of sporen daarvan in die sleuf en in de Veentjesleiding van het punt van samentreffen tot het Noordwest-bassin, de afgraving in de Noordwesthoek van het Zuidwest-bassin, de aanwezigheid van een gebogen aarden buisleiding in den klaarblijkelijk later gelegden Zuidwal van het Zuidoost-bassin, de sporen van vergraving in den dam tusschen de twee Zuidelijke bassins, de omstandigheid, dat in de afvoerleiding een buisleiding volkomen onbeschadigd werd gevonden terwijl daarboven de fragmenten van een vernielde tweede leiding lagen, de ook op gedeelten van de afvoerleiding gevonden kuilen van denzelfden aard alsin de aanvoerleiding, en, last not least, het op de Asselsche veld gevonden buisfragment, thans in het museum Felua aanwezig.--

     Deze leiding moet hebben bestaan uit eene doorlopende gesoldeerde looden buis van 6 cM.diameter, dewelke, van Pomphul in Zuidelijke richting afdalende, waar nodig over een speciaal daarvoor gelegd dammetje, in de leiding uit het Veentje werd opgenomen. Bij de uitmonding van deze laatste in het Noordwest-bassin, werd de looden buis naar het Zuidoosten over den bodem van het Zuidwest-bassin door de scheidingsdam (NB. later vebeterd in scheidingsdam) naar den Zuidwal van het Zuid-Oost-bassin gevoerd, alwaar zij door een aarden buis beschermd tegen den zanddruk, in een bocht naar de afvoerleiding werd gevoerd. Vervolgens liep zij met deze mede tot op het thans niet meer vast te stelllen punt waar zij hare werking moest verrichten.

HET ORDENSCHE WATER.

ALGEMEEN.

     Het Ordensche water diende tot voeding van de 16 stralen van "middelbaren bogt" (12 voet) welke rond den hoogen middenstraal gegroepeerd lagen. Het water werd hiertoe vanuit het thans gedraineerde Orderveen (6) gelegen ten Zuid-oosten en Oosten van de hoeve Berghuis, naar "de com" het kleine reservoir geleid, en van daaruit naar zijne bestemming.

(6) Uit een afgedamd gedeelte van dit veen? De naam van het thans nog bestaande "Waardmanshuisje" zou dit doen veronderstellen.

Dit kleine reservoir" thans bekend als devoormalige "Peerdenkuule" lag, en ligt nog, op 1600 Meter Zuid Zuid-West van het Koninklijk Paleis, ongeveer 40Meter noordelijk van den Soerenschen weg. De Genistalaan is er doorheen gelegd waardoor het karakter van de oorspronkelijke "Com" jammer genoeg is verloren gegaan. Het niveau van het reservoir op ruim 27 Meter +NAP liep tot gelijke hoogte op met dat in het Orderveen. Het verval tusschen dit niveau en dat van den fontein, ruim 9 Meter, was voldoende voor de gewenschte straalhoogte van 12 voet.--

     Het reservoir was zuiver cirkelvormig met een diameter van ± Meter:het was gedeeltelijk uitgegraven in het toenmaals genaamde "bergje van La Montagne", en omringt door ± 2 Meter hooge aarden wallen, met leem bekleed. Aan- en afvoerleidingen lagen vrijwel diametraal tegenover elkander.

   De AANVOERLEIDING, lang 3000 M., nagenoeg horizontaal gelegd, liep vanaf het punt van kruising of samenkomst met de Orderbeek, alwaar een zinkput aanwezig was, oorspronkelijk beWesten en later beOosten langs het landgoed Polhout. Oude- en Nieuwe leiding kwamen te samen aan de Noordpunt van het dennnenboschje genaamd "De Driehoek", waarna de leiding langs de tegenwoordige Jachtlaan naar het reservoir liep. Zij bestond uit aarden buizen, in leem gebed en lag evenals de Asselsche leiding op een diepte van gemiddels 1.25 Meter.

     Of er meer dan een buisleiding heeft gelegen bleek niet meer na te gaan. Waarschijnlijk is dit intusschen wel, indien men ten minste de mededeling van Harris en anderen als juist aanneemt, dat de fonteinstralen van "middelbaren bogt" allen uit Orden kwamen. Deze toch moeten gezamenlijk belangrijk meer water hebben verbruikt dan de hooge middenstraal alleen. Ruw geschat verbruikte deze ongeveer 1 1/2 ton water per minuut en de 20 of 21 (7) middelbare stralen 5 a 6 ton.

(7) Behalve de 16 stralen in de Koningsfontein, schiijnen er nog 4 a 6 andere fonteinen van 12 voet elders in den siertuin geweest te zijn.

De AFVOERLEIDING,lang 2000 Meter liep nagenoeg evenwiijdig met de Jachtlaan tot in het terrein "Kamp Links" en boog daarna lichtelijk meer naar het Noorden,om door den tuin van den Houtvesterswoning, den Amersfoortschen weg op 300 Meter beWesten de gedenknaald te kruisen, en de Koningslaan ongeveer ter hoogte van de eikenallee naar de stallen. Wellicht is het naar het Noorden loopende gedeelte van de "Witte beek" nabij de kegelbaan de oorspronkelijke leiding van het Orderwater of wel lag deze tusschen Klosbaan en doolhof. Na tegaan is dit thans niet meer. Dit gedeelte heeft waarschijnlijk uit looden buizen bestaan. Het onderzoek heeft daaromtrent echter niets opgeleverd, de sleuf bleek ledig.--

HET MATERIAAL

     Als materialen voor de leidingbuizen werden gebakken leemaarde, boomstammen en lood gebezigd.

     De AARDEN BUIZEN waren 75 cM.lang en hadden een inwendigen diameter van 15 cM. Zij waren van hetzelfde model als tegenwoordig nog wordt gebruikt, doch ongeglazuurd. De oudste buizen bleken uit verschillende stukken, op elkander gebakken, te zijn samengesteld. Vele van deze waren in hoog reliëf voorzien van de titel des Konings, te weten de gekroonde letters W.R. omvat door eene versiering van oranjetakken, voorts de Roos (Engeland), Distel (Schotland) Harp (Ierland) en Lelie (Frankrijk). Zooals bekend voerden de Koningen van Engeland tot Napoleonstijd den titel Koning van Frankrijk. De reliëfs zijn sierlijk van vorm; eenige exemplaren van deze buisen bevinden zich ten Paleise Het loo.

     Vanaf het Veentje tot aan de zandkuil bij de Asselsche bouwhoeve bleken deze buizen door eene doorlopende leemen bedding te zijn beschermd. Deze wijze van verpakking wordt in de overige leidinggedeelten alleen aangetroffen in het vernieuwde gedeelte 't welk in de scheiding tusschen Noordwest- en Zuidwest bassin is gelegd. De afsluiting der buizen in de voegen werd verkregen door leem, en op andere plaatsen door witte of geteerde hennip met hetzij stopverf of bitumen. In vernieuwde gedeelten werd voor dit doel ook kalk aangetroffen.

     Op sommige plaatsen werden buizen van andere makelij en vorm aangetroffen, sommige korter, met minder wanddikte, of gedraaid. Klaarblijkelijk zijn deze van later tijd en bij herstellingen gebezigd. Op een buis van afwijkend model en geringere afmetingen werd een reliëf aangetroffen, vertoonende een takje of stokje bevattende twee smalle uitstaande bladeren, waarschijnlijk een stukje riet voorstellende.

     Elke buis was op den bodem der sleuf gesteund door een vijftal baksteenen, eronder tegen de kragen en in het midden aangebracht.

     de UITGEHOLDE BOOMSTAMMEN zijn uit den aard der maak in den loop der jaren, toen er geen water meer toestroomde, geheel verteerd. Echter is hunne vroegere aanwezigheid bij zorgvuldige uitgraving van de leidingsleuf nog zeer goed zichtbaar. Zij hadden eene lengte van ongeveer drie meter en waren klaarblijkelijk in elkander gestoken, waarbij dan om den buitensten stam een ijzeren ring was gelegd. Deze ijzeren ringen vertoonen dan ook onderling een verschillende diameter, natuurlijk verband houdende met den omvang van den gebruikten boomstam. Lekkage door kwastopeningen of anderszins werd verholpen door 't opspijkeren van een klein looden plaatje. Ook hiervan werden eenige exemplaren gevonden. Een ervan toont duidelijk eene latere herstelling, zijnde er namelijk een tweede plaatje van dezelfde afmetingen overheen gespijkerd, omdat in het oorspronkelijke een scheur was ontstaan.--

     Van de LOODEN BUIZEN is helaas - behoudens een fragment der "drukleiding" gevonden op het Asselsche veld - niets meer aangetroffen. Volgens de overlevering zouden zij van het opschrift "William Rex" voorzien zijn geweest. Dit is niet onwaarschijnlijk, waar zelfs de aarden buizen met reliëf waren getooid.

Mei 1932


Hier eindigt het verhaal van Kremer.


Inmiddels heb ik verschillende tochten langs de leidingen gemaakt. Bij de Holle weg, die nog geheel aanwezig is, zijn nog steeds restanten van de putten te vinden en ook bij de grenspol Rauwenhul zijn brokstukken te vinden. Onderweg kan men ook wel brokjes van de leidingen vinden en in het landschap zijn de sleuven ook nog te zien.