20 - 10 - 2017
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Willem Cornelis Lambertus Sanders was een voorloper van de Apeldoornse historici en ook de schoonvader van Moerman.
Moerman was getrouwd met Willemina Jacoba Sanders, die huisarts te Apeldoorn was.

Ongetwijfeld heeft Sanders zijn schoonzoon Moerman als voorbeeld gedient en hem geinspireerd tot het onderzoek naar de sprengen en sprengenbeken.
Daarna heeft Moerman Hardonk weer tot inspiratie gedient, dus heeft Sanders een cruciale rol gespeeld in de herontdekking van deze geschiedenis van Apeldoorn.

Sanders is overleden op 28 december 1934. Hieronder zijn in memorium:
"
Op 63-jarigen leeftijd overleed alhier nog vrij plotseling de heer W. C. L. Sanders.
De overledene, een geboren Apeldoorner, werd aan de Rijks-Normaalschool opgeleid tot onderwijzer.
Na het behalen der acte zette hij zijn studie voort voor de hoofdacte en werd inmiddels benoemd tot onderwijzer aan de openbare school te Ugchelen,
welke betrekking hij later verwisselde met die van onderwijzer aan de school te Zevenhuizen.
Zijn studie voortzettende behaalde hij, zonder eenige leiding, onderwijl de acte M.O. Geschiedenis en een paar jaar later de acte M.O. Aardrijkskunde en toonde zich dus volop een self-made man.
Hij zag zijn ijver beloond met de benoeming in 1909 tot leeraar aan de R. H. B. S. alhier; in 1911 volgde zijn benoeming tot leeraar in Aardrijkskunde en Geschiedenis aan een der H. B. S. te Amsterdam.
Later volgde aldaar zijn benoeming tot directeur van de Avondschool voor Volwassenen, welke laatste functie hij in 1928 neerlegde.
In 1930 moest hij wegens gezondheidsredenen ook zijn leeraarschap vaarwel zeggen en vestigde zich in zijne geboorteplaats.
Hier stond hij bekend als navorscher van de oude toestanden op de Veluwe en was enkele jaren een ijverig bestuurslid van „Felua", voor welke vereeniging hij pas 14 dagen geleden nog een lezing hield over de Reformatie op de Veluwe.
Hij was de feitelijke oprichter van de afdeeling „Apeldoorn" der Vereeniging voor Kinder-. herstellings- en Vacantiekolonies, welk werk hij met ambitie te Amsterdam heeft voortgezet.
In de hoofdstad fungeerde hij ook als huisbezoeker van de Vereeniging „Liefdadigheid naar Vermogen".
Een werkzaam leven is met zijn overlijden afgesloten.
"

Nog in het jaar van zijn overlijden, op 24 maart 1934 schreef hij een belangrijk document over de sprengen. De aanleiding was het plan van de gemeente voor het riool in Apeldoorn.
Dat rioolsysteem is inderdaad pas in de 30-er jaren van de 20ste eeuw aangelegd.

Het is nogal bijzonder om in het einde van het artikel te lezen dat Sanders het over de "heer Moerman" heeft als je weet dat hij eigenlijk reclame maakte voor het boekwerk van zijn schoonzoon.


Hieronder kunt u zijn artikel uit De Apeldoornse Courant van 24 maart 1934 lezen.

EEN EN ANDER UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE GRIFT EN HAAR „BRONRIVIERTJES".

De Heer Burgemeester onzer gemeente was zoo welwillend mij ter inzage en bestudeering af te staan het rapport betreffende het rioleeringsplan.

Wel verre, dat ik me vermeten zou eenige critiek uit te oefenen op het geweldig werk, dat de Overheid hier zal tot stand brengen, gaf het me aanleiding het hoofdstuk over de beken wat nader te bekijken — zoo kom ik er toe eenige mededeelingen te doen omtrent die beken, waaraan de gemeente zoo bijzonder veel te danken heeft.

Waar de Grift begint? Gewoonlijk past men den naam toe op de beek even boven de Kostersbrug, daar, waar de beek van het Slop, dus de onderbeek zich weer met de oude beek vereenigt. Dat is natuurlijk heel wat anders dan de „bron" van de beek; die zou ik willen bepalen in de Koppelsprengen enz. achter in Ugchelen in het veld bij den Bakenberg.

Ik bepaal me speciaal hiertoe, omdat naar het onderzoek tamelijk zeker aanwijst, de andere, bijkomende beken, gemaakt zijn, of althans vermaakt: trouwens dit is met de beek zelf in zoo sterke mate het geval, dat ze nauwelijks meer te herkennen is.

Wanneer die beek ontstaan is, dat weet natuurlijk niemand en een onderzoek naar het wezen der beek zou pas kunnen aanvangen bij het tijdstip, dat de aloude korenmolen van het dorp Apeldoorn gebouwd is. De oude heer Chr. Geurts placht, naar ik me goed herinner te zeggen: „Disse meule is van elfhonderd!" Jawel, maar daar bleef het dan ook bij en ik heb hem (dien molen) nooit zoo vroeg kunnen opsporen. Wel vind ik hem het eerst vermeld omstreeks 1400. Toen moest hij noodig gerepareerd worden: dus zal hij destijds zeker al een goeie honderd jaar bestaan hebben.

De Hertog van Gelderland verzocht de „Mark van Apeldoorn" hout te leveren voor die reparatie. De molen was van hem en de rechtsregel gold en geldt nog, dat het stroomende water den Landsheer toekomt; het behoort tot de z.g.n. „regaliën".

In ieder geval: De beek was er en die zal bij het dorp Apeldoorn geloopen hebben in de laagte tusschen den Brink en het plateau van de Worminger mark.

Toen eenmaal de plaats van den molen was vastgesteld, ging het er om het water zoodanig op een rad te brengen, dat het molenwerk in beweging kon worden gebracht. Laten we eens aannemen dat het rad een doorsnede moest hebben van 3 M., dan kon men volstaan met een punt op te zoeken in de beek, boven de „molenstede", waar het water zooveel hooger was. Heel ver was dat niet: in ieder geval beneden Holthuizen.

Er werd nu een nieuwe beekbedding naast de oude gemaakt en men had op het terrein het voordeel van het genoemde plateau van de Worminger mark, waardoor de beek dus enkel behoefde opgeschoven te worden tegen dat plateau aan en men hier en daar met het aanleggen van één beekdijk kon volstaan.

Aan het eind van die nieuwe beek werd nu het molenwerk gemaakt en als alles klaar was, had men eenvoudig bij Holthuizen de beek in zijn nieuwe bedding te leiden. Het verval tusschen die twee punten was nu niet meer verdeeld over een zekere lengte — het was als het ware teruggebracht op een punt — het molenhoofd — waarbij het water op het rad stortte en dit in beweging bracht.

Het zal nu een vraagstuk geworden zijn, of de aanvoer van water in de beek, voldoende was om den korenmolen te drijven en ook, hoe de afvoer naar beneden verder zou zijn. Ik heb nimmer eenige aanwijzing kunnen krijgen, dat de Hertog aan sprengen liet werken, maar ik vermoed wel, dat het niet zoo heel veel moeite zal gekost hebben om den molen op gang te houden. De afvoer geschiedde natuurlijk verder door de oude bedding en waarschijnlijk zal die tot boven de „Jonkerij" ongeveer zoo geweest zijn, als ze nu nog is.

Vandaar af moet de loop anders geweest zijn — althans tot in de 17e eeuw toen meerdere molens daar werden gesticht en nieuwe verlegging noodig was. Tot dien tijd zal het water zijn weg gezocht hebben in de lagere streken, westelijk van de tegenwoordige beek, zoo ongeveer door de landerijen, die wij nu kennen als „Sofia'shoeve", „Marialust" enz:
Alleen een serieus onderzoek van den bodem zou hieromtrent licht kunnen verschaffen.

Nu meene men niet, dat aan- en afvoer van het water door dat molenhoofd eenigermate belemmerd werden: de aanvoer kon gelijk blijven (of kunstmatig, door sprengen, wat versterkt worden) de afvoer bleef daaraan volkomen evenredig. Het molenhoofd werkte niet als een stuw: het had er in zooverre alleen het karakter van, dat het verval van de beek er door op één punt geconcentreerd werd. Het werd pas een stuw, als de molenaar er een plank bijzette om wat meer water op zijn rad te krijgen. Maar dat deed hij niet, omdat hij dan in de onmiddellijke nabijheid van den molen — dus op zijn eigen land — last van het water zou kunnen krijgen. En in latere tijden toen de papiermolens hun bedrijven “op de beek hadden liggen”, was er heelemaal geen sprake meer van opstuwen; daar hadden de naar boven liggende molens direct last en schade van en bij nog bestaande „onderlinge contracten" werd een en ander behoorlijk geregeld, zoodat die door het opgestuwde water niet mochten worden „gelampt", zooals de term luidde, („geremd" zouden wij zeggen!)
Toch komt de naam „stuw" voor en het werkwoord „stouwen" is bij de papiermakers en in hun paperassen zeer bekend, maar men dient er wat anders onder te verstaan dan de stuwen in de Berkel, in de Niers e.a. Vast staat wel, dat de molens langs de beken nimmer den afvoer van het stroomende water hebben belet.

Met opzet deel ik de stichtingswjjze van den korenmolen wat uitvoerig mee, omdat overal en te allen tijde de papiermolens (op beken n.l.) op geheel overeenkomstige wijze zijn tot stand gekomen.

Nu een enkele opmerking naar aanleiding van bovengenoemd rapport: Op blz. 49 staat, dat de Grift gevoed wordt uit dén door de omringende terreinen toevloeienden neerslag; de afvoer van het riviertje hangt derhalve geheel af van den regenval. Dit is niet heelemaal juist: De Grift ontstaat uit het grondwater, dat hier en daar aan de oppervlakte komt of door gegraven „sprengen" aan de oppervlakte gebracht wordt.

Hierbij stelle men zich voor, dat de terreinen aan den voet der heuvels (en ook het gebied van die heuvels en het daarachter gelegen veld) te beschouwen zijn als reusachtige spaarpotten, waarin in den loop der tijden het regenwater verzameld is en nog verzameld wordt. Waar de terreinen wat lager liggen, daar komt dat water bijna of soms geheel aan de oppervlakte — waar ze wat hooger liggen, daar werd het water opgespoord, dikwijls met behulp van gegraven putten, en in de beek gebracht. In het brongebied van de Grift zijn natuurlijk van die vlak aan de oppervlakte liggende watervoorraden geweest.

Ik denk hier bijv. aan de Zomp en aan het terrein bij de brug over den ouden Kerkweg achter in Ugchelen — door Bruchelen heen naar Beekbergen.
Ik denk hier bijv. aan het lage terrein op de grens van Orden, Ugchelen, Bruchelen en Wormen, bij het voormalige 's-Grevenbergje en meer dergeliike.
Maar, de eigenlijke watertoevoer is afkomstig uit de gegraven sprengen.

En dat het riviertje „geheel afhangt van den regenval", dat is toch een wel wat erg gewaagde bewering. Ja, van regenval op de hooger gelegen Veluwe (zie de spaarpot hier boven) maar anders... er komt bij manier van spreken geen druppel regenwater bij te pas! En eigenlijk toch wel: n.l. het regenwater, dat op de beek zelf neervalt; doch dat is natuurlijk maar een luttel beetje.

Stel den regenval op 700 m.M. per jaar, trek daar af, wat er van verdampt enz. dan schiet er wellicht ook nog iets over voor de vulling van de beek; van beteekenis is dat zeker niet. Dat de Grift geen regen, maar een grondwaterbeek is, is voor de bedrijven van het allerhoogste belang, want daardoor ontstaat een zoo regelmatige toevoer, van water op de molenhoofden, dat de papiermolens en de mulder allen tijde hun bedrijf konten gaande houden, wat bij een riviertje, dat „geheel door toevloeienden neerslag gevoed wordt" absoluut onmogelijk zou zijn.

Dat de stuwen benut werden voor het opwekken van kracht en dat die den afvoer van het water belemmeren zouden, daarover schreef ik hier boven al. Maar... er staat op blz. 50 van het rapport ook nog bij, dat ze oorzaak zijn geweest van een in den loop der jaren verhooging van den bodem der Grift: Het vuil zet zich voor de stuwen af, waardoor een geleidelijke aanslibbing van den bodem en der halve een verhooging van den waterspiegel ontstaat.

Dit nu is in zijn algemeenheid niet waar en het kan ook niet waar zijn. Denk eens een oogenblik, dat Tiemensmolen het water door verzuim etc. opstuwde, dan kreeg Bouwhofsmolen last van te hoogen waterstand, sloeg het rad door het opgestuwde water en ging kracht verloren: m.a.w. Bouwhof c.s. werden „gelamp". En daar werd zorgvuldig voor gewaakt.

De aloude onderlinge Overeenkomst van de papiermakers op dit punt werd in 1815 tot een „onderling contract" omgewerkt en nog in 1908 vernieuwd. Het zou natuurlijk veel te ver voeren om dit contract in zijn geheel hier te bespreken. Maar toch wil ik er op wijzen, dat de papiermakers verplicht worden om de onder- en bovenbeken te ruimen en dat in 2 dagen tijds, „Vridag en Zaterdag agt dagen voor Deventer kermis, zullende het water vridag 's morgéns voor ses uuren op alle de beeken moeten afgestoken worden en weeder doen opkomen". Dit wederopkomen was voor de Nieuwe Moolen" en „Altena" bepaald op saterdag voor de miedag of Elf uuren. „Bazemolen" 's avonds om ses uuren en de onderliggende moolens als 't water aankomt". Men had dus ruim 1 1/2 dag om de beken schoon te maken en dat dit inderdaad grondig gebeurde, daarvan kan men verzekerd zijn. Trouwens „drie gecommitteerde" schouwden daarna de beken en wie niet behoorlijk geruimd had, de dijken nagezien enz. die kreeg boete. Ieder mollegat moest zorgvuldig worden dichtgestopt, want er mocht geen water verloren gaan. Men was er zuinig op!

Dit contract gold voor: „de nieuwe Moolen", de mooie Altena, Groote Windemolen, Kleine Windemolen, Bazemoolen voorliggende, Bazemoolen agteraanliggende, hattem koopmansmoolen, hattem schutsmoolen, hattem de Bouwhofsmoolen, tiemens Moolen vooraanliggende en tiemens Moolen agteraanliggende". De onderteekenaars waren: Peter van Asselt. barend Klaas van Asselt, Janna Pol, Jacobus Schut als voogt van Maria Schut, Jan Jacob Berends als voogt van Jacomina Berends, de. wed. Zegers Zegers, Jan Zevenhuizen, H. J. Ploeg, L. Ploeg, Jan Jacob Berends, J. R. Reckleben, Jacobus ten hove, G. de Bruyn. R. de Bruyn, Zeger Schut, R. de Goeyen, Z. Zevenhuizen. De namen van die molens zijn in den loop der tijden veranderd. Hattem koopmansmoolen wordt in een koopacte van 1814 ook al de vijfbaksmolen Hattem genoemd en in een koopacte van 1828 de waterpapiermolen Methusalem.


Evenzoo is de groep „tiemensmoolen later bekend onder den naam „Olifant'. Jammer, dat het verschuiven van namen dikwijls zoo verwarrend werkte bij het historische onderzoek (voorb. „Nieuwe Olifant" voor „Windemolen").


Het wordt hoog tijd van die papiermakers iets naders te zeggen: In korten tijd na het jaar 1600, hebben zeer gewichtige gebeurtenissen en daarmee gepaard gaande veranderingen in die beek (en beken) plaats: de papiermakers begonnen hun bedrijf naar hier over te brengen. Daartoe moesten zij zich in de eerste plaats in verbinding stellen met de markevergaderingen. Heel begrijpelijk, want de beken liepen door de markegronden, moesten daarin worden verlegd en — wat het voornaamste was — daar moest van de Mark een terrein gehuurd worden om den molen te stichten.

En zoo zien we, dat Marten Orges zich al in 1060 tot de Lierdermark wendt om een „plaats of steede" voor een molen te pachten. Eenige jaren later, in 1613, is hij in onderhandeling met de mark Ugchelen en bijna gelijktijdig met hem Jan Jansen. In de tweede plaats moesten ze zich vervoegen bij de Hooge Overheid: Bij den korenmolen in het dorp, merkte ik al op, dat van ouds het water aan den Landsheer toekwam:

Die Landsheer was in den loop van de 16e eeuw vervangen door de Republiek en het beheer over de vroegere hertogelijke domeinen was opgedragen aan de Rekenkamer (te Arnhem als hoofdstad van het Kwartier Veluwe). Nu doet zich in het markewezen de eigenaardigheid voor, dat de geërfden in principe nooit gronden verkochten. Die werden in erfpacht gegeven: aan de papiermakers , in „eeuwigen doch versuymelicken" erfpacht, d.w.z. als de betaling van de pachtsom verzuimd werd, dan werd de pachter eenvoudig „vervallen ende onterft" verklaard. Alzoo had de papiermaker met twee machten te doen, die hij door richtige betaling van de verschuldigde pachten gemakkelijk tevreden stellen kon.

Het duurde niet lang, of er schoof zich nog een derde element tusschen — dit waren de papiermakers zelf. Ook heel begrijpelijk, want die verdedigden eenmaal verkregen rechten tegenover de nieuwe collega's en zoo zien we, dat ze door „onderlinge contracten" hun verhoudingen gaan regelen; maar ook komt het voor, dat zij bij de Rekenkamer bezwaren indienen tegen eventueele verontreiniging van het water en als in 1618 Daniël Martens consent krijgt om op een gepachte „molensteede" de Bazemolen te bouwen, dan krijgt hij dat voor een papiermolen maar niet voor een vol- of hennipmolen „daer door het waeter in die beecke onreynight soude connen worden".

Het is uiterst belangrijk na te gaan, hoe in luttel jaren een groot aantal molens gelegd is op de Ugchelsche en ook andere beken:

1606 Marten Orges in Lieren.
1613 Jan Jansen, Hattem in Worminger mark - Jacob Jacobsz, Altena in Uchelen.
1616 Thonis Thonisz (en zijn vrouw Merry Aarts) daar tusschen dus de Windemolen in Uchelen.
1618 Daniël Martenzs boven Jansensmolen, dus Bazemolen in Uchelen.
1624 Dezelfde consent op molen in Ordermark. gebouwd door Gaspar Weydeman; de Ordermolen, bestond dus al: is in 1619 gepacht en in '21 gemeld als „gancachtig".
1618 Jorrien en Roelof Jansz.Holthuizen in Wormingermark.
1619 Thyman Jacobsz. Tiemensmolen in Wormingermark.
1606 Beneden den korenmolen, toen bekend als „den olden Monnickhuiser moelen" was in 1606 al consent gegeven voor een volmolen. Hier waren bijzondere moeilijkheden op te lossen, want die oude korenmolen had als „dwancmolen" speciale privilegie, dat hij niet „gelampt" mocht worden en aan de molenaars van den Stinkmolen in mark Noord Apeldoorn (destijds Derick Warmers en Jan Bongerts) wordt bij proces van 28 Maart 1610 te verstaan gegeven, dat als de rechten van den korenmolen aangetast worden, hun moelen moeten afbreken.
1627 Thieman Jacobs op hét Heerengoed „den Pas" in de mark Apeldoorn, tusschen Stinkmolen en Moanickhuisen (dus tegenover „Vlijt").
1623 Wordt genoemd de Winckemerwyer" in Engelander mark. De sprengen ervan liggen even ten Oosten van het oude „Carhul".
1625 Jan en Roelof Jansen consent voor een papiermoelen getimmert achter Driehuisen", dus Waterloo in Ordermark.

Als men dit ziet dan moet men wel tot de conclusie komen, dat er in die tijden een geweldige energie ontwikkeld is en wanneer ooit eens een geschiedenis van Apeldoorn geschreven zal worden, dan kan men daarin zeker een zeer interessant hoofdstuk verwachten over het ontstaan en de ontwikkeling van de papiermakerij in de gemeente Apeldoorn gedurende de 17e eeuw.

Nu waren die molens klein. De papiermaker — de baas — werkte maar met enkele knechts — het volk —. Des te meer moet het bewondering wekken, dat men zooveel waterwerken kon aanleggen op een beek (of beken) al konden die toch betrekkelijk weinig beweegkracht leveren. Daardoor wordt het verklaarbaar dat het sprengenstelsel steeds werd uitgebreid en vergroot om den watertoevoer te versterken. Dat men hierbij wel succes moet gehad hebben blijkt bij den molen Altena waarbij in 1639, een klein molentje gelegd werd door Jacob Jacobsz., de de z.g.n. Hamermolen, vermoedelijk aanvankelijk alleen om stof te maken voor zijn andere molens. „Molens", want in 1644 heeft hij boven Altena nog een nieuwen molen gebouwd Achterste molen of Voorslop.


Hoe een beek gemaakt werd in die tijden, kan blijken uit de geschiedenis van de Schoolbeek. Omstreeks 1650 „zat op den Bazemolen" Hendrik Theunissen, die voor versterking van zijn molen het oog had laten vallen op een „becksken in Ugchelen". Hij vroeg en verkreeg van de Rekenkamer het recht dat beekje op zijn molen te brengen. (Waar dat beekje geweest kan zijn, is misschien nog wel op te sporen). In ieder geval Theunissen schijnt het genegeerd te hebben, want hij begon heel eigenmachtig een nieuwe beek te graven bij het Asseler hek en Leegschoten.

Nu ging het er om dit water te brengen op het molenhoofd van den Bazemolen. Wie zich een goed denkbeeld wil vormen van hetgeen er gebeuren moest, dient te gaan staan ergens in den „Noadzak" dicht bij het Hooge Vonder.

Die „Noadzak" heet ook wel Duiker en ligt achter het kerkje, maar ik noem met opzet den eersten naam, om aan te geven, hoe typisch prachtig de volksmond namen weet te geven: Het is n.l. een terrein, waar men van één kant gemakkelijk in kan komen, maar men kan er aan den anderen kant heel bezwaarlijk uit!

De waarnemer heeft het oog op de Veldekster en op den Bazemolen en ziet nu, dat Theunissen een aquaduct moest maken om het water over het lage terrein van den Noadzak te brengen. Nu is een aquaduct uit den Romeinschen tijd zeker een imposant monument van oude waterbouwkunst; dat werd aangelegd door machtige Romeinsche keizers, die én over geld én over menschen beschikten. Het Ugchelsche aquaduct moest evenwel aangelegd worden door een eenvoudigen boer-papiermaker met een paar knechts en heel simpel gereedschap.

Wie dat goed overweegt, moet wel een hoog idee krijgen van het doorzettingsvermogen dier eenvoudige lieden. Zij zijn de Veluwsche waterbouwkundigen van de 17e eeuw en het verwondert me niemendal, dat Theunissen speciaal genoemd werd met den naam „baas", want een baas in zijn bedrijf, dat was hij inderdaad! En het doet mijn historisch gevoel aangenaam aan. dat zijn bijnaam althans bewaard is gebleven in den naam Bazemolen. Maar.... toen hij het karwei zoo ongeveer klaar had, bleken zijn plannen heel anders te zijn, dan men dacht:

Hii ging op eigen gezag dus zonder verkregen consent, nu een nieuwen molen stichten, dien hii „Steenbeek ' noemde. Mij klinkt die naam een beetje misleidend, want de Steenbeek dat was eigenlijk de oude Uchelsche beek. Na eenig geharrewar blijft de toestand zoo bestaan en Theunissen betaalt aan de mark f 10 erfpacht voor de „molensteede". De markgenooten lieten Baas Theunissen daarmee nog niet los. Zij noodzaakten hem om bruggen te leggen over de beek en op zich te nemen de „nieuwe graven" te allen tijde als de geërfden het willen, weer dicht te maken.

Wat Theunissen probeerde ïn Uchelen, dat kon de papiermaker in Orden ook ondernemen Die deed n.l. ook een poging om zijn water te versterken en daartoe groef hij beneden het Gietelsche of Scharpenbergsken (de Leemberg) nieuwe sprengen. Hij ging wat te ver en kwam over de grens van Orden in het Uchelsche veld terecht. En als hij dan daarop attent gemaakt wordt, schrijft hij doodleuk, dat hij die „gruppen" gegraven heeft om zijn molen met water te benificeeren en hij verklaart, dat ,,'t selve geschiet is op hoop, dat de Geërfden van Uchelen het souden toelaten.... sonder dat ik vermeend ben geweest of nog ben eenige possessie aan het veld aan te matigen. Alzoo schreef Marten van Heyden op 2 Juli 1653. Het was wel aardig bedacht, maar de vlieger ging niet op.

De geërfden van de Marken lieten niet met zien spotten. In het Handelsblad van 30 Juni 1930 komt een artikel voor, onderteekend I. Kr., waarin te lezen staat, dat ,,de marken weinig of geen macht hadden en, door vriend- of maagschap niet vrij in doen en laten jegens de molenaars zich door dezen belangen hebben laten ontfutselen".

Wie zoo schrijft, weet van de marken en de geërfden niets; het geval Van Heyden bewijst het al. Zoo beweert de schrijver ook, dat de sprengen het eigendom waren van de marken — wat absoluut onjuist is. Wie de geschiedenis van de marken eenigszins kent, weet al te goed, dat de geërfden volstrekt geen sufferige Veluwsche boertjes waren, maar lieden, die hun man durfden en ook konden staan.

Eén voorbeeld, dat die geërfden zich niets lieten ontfutselen, wil ik hier toch nog even aanhalen. Omstreeks 1629 had de mark van Uchelen kwestie over de grens bij Asselt met niemand minder dan den Landdrost van Veluwe, Assueer van Apeldoorn. Ze laat de zaak tot een proces komen, dart door haar gewonnen wordt! Naar aanleiding van die hoogliggende Schoolbeek nog een opmerking in verband met het rioleeringsrapport. Op blz. 50 staat nog te lezen, dat de bodem van de Grift zóó gestegen is, dat die thans op vele plaatsen gelegen is boven de aangrenzende lanen. De geschiedenis van de Schoolbeek leert het anders en evenzoo het verleggen van de Grift bij de stichting van „de Vlijt".

Nu een beek, die gemaakt werd in de 18e eeuw. Vóór het midden van die eeuw is Pannekoeksmolen gebouwd op terrein van de Ordermark. Daarvoor werd een geheel nieuwe beek gegraven, die begonnen werd bij het „het Koffiekannetje", - een- voormalige herberg aan den Uchelschen weg bij de grens van Orden en Uchelen. De beek loopt langs den grindweg en het sprengenstelsel is uitgebreid met enkele zijtakken èn om den watertoevoer te verhoogen èn om de kleur van het water.
Later heet Pannekoeksmolen „de Eendracht". Brouwersmolen dagteekent misschien eenigen tijd vroeger (vermoedelijk 1723).

Dat openen van nieuwe sprengen had op den toevoer van water een grooten invloed en al in het midden van de 17e eeuw blijkt dat uit een stuk van 16 Februari 1660, waarin staat, dat „bij daggelickse experientie bevonden wordt, dat doer hett veelvoudigh graven in de veenen en leggen van pappiermolens die sprengen meer worden geopend, waardoor die beeck van den coornmeulen merckelich stercker wordt van water, als bij die voerige tijden geweest is", tengevolge waarvan een nieuwe vierbaks papiermolen gelegd wordt door den eigenaar (met den pachter-gebruiker) van het water, den heer van Indoorninck, 'heer van het Loo en Jan Gerrits, Muller van den Monnikhuizer molen. In 1660 was daar dus al een groep van molens: De korenmolen, een sedert een veertigtal jaren bestaande papiermolen en nu de nieuwe van 1660.


Nu nog een beek, die gemaakt is in de 19e eeuw, n.l. de Badhuisbeek — eertijds Dorpsbeek. Nadere mededeelingen behoef ik er niet over te doen. Omdat door de Omwenteling van 1795 de speciale rechten van den Monnikhuizer molen als „dwancmolen" waren opgeheven, kon men daar een concurreerende korenmolen stichten die door de familie Van den Broek tot in de tachtiger jaren gedreven is.

Aan het slot nog een enkele opmerking: Ik achtte het onnoodig een uitgebreide, ietwat pretentieuse lijst van litteratuur op te geven. Boeken, die over het onderwerp handelen, zijn er weinig.

De meeste gegevens zijn afkomstig uit aanteekeningen van mijzelf maar vooral ook uit archiefstukken van marken enz., enz. nageplozen door den heer J. D. Moerman alhier.

Wien wat naders lezen wil over een en ander, kan gerecommandeerd worden kennis te nemen van een zeer belangrijk artikel in het Tijdschrift van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap afl. Maart en April 1934, waarin de heer Moerman uitvoerig spreekt over Beken, Sprengen en Watermolens op de Veluwe.

In de Openbare Leeszaal is, naar ik hoor, een exemplaar van het artikel aanwezig.

Maart 1934. W. C. L. SANDERS.