20 - 10 - 2017
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Het taalgebruik van mensen die veel met het water van de sprengen, sprengenbeken en de watermolens te maken hebben is doorspekt met allerlei woorden waar menigeen zijn wenkbrouwen van zou fronsen. 

De "hel", "debiet", "kwel" en "rodolm" om er maar een paar te noemen. Ook is de spellingwijze niet altijd volgens de laatste dikke van Dale zoals bijv. eikehakhout i.p.v. eikenhakhout.
Het zij zo  ;-)

Hieronder treft u een aantal van die woorden met hun betekenis aan. Als er een uitdrukking blauw gekleurd is kunt u het met de muis selecteren en dan ziet u een popup schermje met een leuke foto van het onderwerp erbij verschijnen.

Weet u er nog een paar dan houd ik me van harte aanbevolen.


Woord Verklaring
Aquifer Een watervoerende laag in de ondergrond (bijvoorbeeld zand). Vanuit een aquifer kan water gewonnen worden via een bron.
Azobé Hardhoutsoort die als dunne planken gebruikt wordt om matten te vlechten voor beschoeiing. Zeer geschikt en duurzaam hout voor waterwerken. Tegenwoordig wordt ook wel het hout van de douglas spar gebruikt.
Bedrijfsbeek Beken met economisch belang en in eigendom van de gebruikers.
Beekprik

Zeer zeldzaam en beschermd kaakloos waterdier. Prikken zijn een soort levend fossiel en waren er 400 miljoen jaar geleden al en is de enige overlevende van alle kaakloze wezens op aarde. De beekprik is de enige tandenloze van de prikken (vegetarier). Hij gedijt alleen maar in zeer helder ijzerrijk en schoon water op de oostelijke Veluwe en in het bijzonder in Apeldoorn. Hij is door zijn aanwezigheid een bewijs voor de kwaliteit van sprengen en sprengenbeken. In die habitat heeft hij geen vijanden behalve de ijsvogel en de mens. Hij heeft zowel modderige (larven) als steenachtige (paaien) beekbodems nodig om te kunnen overleven en wordt ca. 6 jaar oud. Na het paaien sterft het diertje.
Beekruimer

Een persoon die de sprengenbeken en de kanten schoonhoudt. Tegenwoordig moet hij bij het schoonhouden ook rekening houden met het paaigebied van de beekprik en het gebied waar hij jaren nodig heeft om tot wasdom te komen.
Beekwal Oever van de sprengenbeek. Aangezien de sprengenbeken opgeleid zijn liggen er dijkjes naast de sprengenbeken.
Bekribben

Beschoeiing van de sprengkop en de sprengenbeek. Vroeger uitgevoerd met eiken paaltjes (wepen), waartussen eìkenhakhout, soms ook wilgentenen werd gevlochten. De takken werden achter de palen gelegd in plaats van eromheen gevlochten.
Bermpje Kleine (tot 20 cm) inheemse bodemvis met zes tasters in de onderbek. De vis is niet erg gevoelig voor vervuiling.
Beschoeiing Houten bescherming van de oevers van spreng en sprengenbeek. Deze kan bestaan uit eikehakhout of palen.
Big 4 Uitdrukking van natuurliefhebbers om aan te geven dat de beekprik, rivierdonderpad, bermpje en elrits gewenst zijn in de sprengenbeken.
Billen Het aanbrengen of scherpen van de groeven in de molenstenen.
Blusbeek Beek die aangelegd is om de aanvoer van bluswater mogelijk te maken (bijv. de Dorpsbeek in Apeldoorn).
Boekweit Boekweit, of ook wel grut, is geen graan maar de zaden, die eruit zien als kleine beukenootjes werden in korenmolens vermalen tot meel.
Bovenbeek Zie ook onderbeek. De naam bovenbeek werd vaak gebruikt voor de opgeleide nieuwe beek waar een molen aanwezig was.
Bovenslagrad Molenrad waarbij het water via een molengoot aan de bovenkant van het rad stroomde. Veelal gebruikt bij sprengenbeken met relatief weinig debiet.
Bolspil Ook wel molenspil genoemd.
Bronbeek Beken met een natuurlijke oorsprong. Het grondwater bij de oorsprong staat bij deze beken boven het maaiveld. De kwelzones zijn min of meer drassige laagten, vaak met elzenbroekbos‚ waarin handpalmbrede stroompjes ontstaan en samenvloeien tot grotere beken. Later vaak vergraven. Bron IJzerman.
Creosootolie Impregneermiddel voor beschoeiingshout.
Dalbodem Overgangsgebied van de kant van de spreng en het water. Dit kan uit een drijfzandzone bestaan maar soms is er geen dalbodem aanwezig en stroomt het water direct langs de kant.
Debiet Afgevoerde hoeveelheid water per tijdseenheid bijv. m3/h. Bij een sprengenbeek kan men bijv. een bak onder een molengoot plaatsen en de tijd meten dat de bak vol is. Ook kan men een sinaasappelschil of verzwaard pingpongballetje in de beek laten drijven en de tijd opnemen over een bepaalde afstand. Dan de oppervlakte van het beekprofiel opmeten en zo het debiet berekenen.
Dieptebron Gebruikt bij wateronttrekking op dieptes van meer dan 5 m met elektrische pompen onder in een boorgat. Bij dieptes tot 5 meter kan worden volstaan met vacuumpompen.
Doorhaalbeurt Het regelmatig uitdiepen en schonen van beekgedeelten waar geen kwel meer optreedt en zand en modder zich hebben opgehoopt.
Droogvallen

Uitdrukking voor beken die geen water meer voeren door bijv. slecht onderhoud, kleischotdoorboringen en/of een teveel aan wateronttrekkingen in de buurt van de sprengenkop. Sprengen hebben voortdurend onderhoud nodig om dit te voorkomen.
Drijfzandzone Zone net naast de sprengkop waar kwel drijfzand in de kop doet ontstaan. Dit dient voorkomen te worden door beschoeiing.
Duiker Buis of tunnel onder een weg of andere lokatie waar de sprengenbeek ondergronds (overkluisd) verder stroomt.
Eekmolen Zie runmolen.
Eekschillers In het voorjaar wanneer de sappen in de stammetjes van het eikenhakhout begonnen te werken, trokken de eekschillers erop uit om het hout te hakken en het door kloppen van de bast te ontdoen. Deze arbeiders, zowel mannen als vrouwen, verbleven met hun kinderen gedurende die tijd in het bos en woonden in de zogeheten eekschillershutten.
Dit waren kuilen van een halve meter diep, lang 2.50 m en ca. 1.25 m breed. Het dak bestond uit een geraamte van schuin tegen elkaar geplaatste stammetjes. Plaggen en hei vormden de dakbedekking. Aan een der zijkanten van de hut werd een zitbank uitgegraven; aan de ene zijde van het lange gedeelte bevond zich de stookplaats, terwijl daartegenover de slaapgelegenheid lag. Een eikenhouten kist voor het opbergen van de kleren en andere zaken maakte met een olielamp het enige meubilair uit. Een slijpsteen en een waterton buiten de hutten vormden de verdere onmisbare hulpmiddelen tijdens het verblijf in het bos.
Eikehakhout Geoogst hout van jonge eiken waarna er meerdere nieuwe uitlopers groeiden. Elke 10 tot 12 jaar werden deze opnieuw gehakt.
Elrits Klein (ca. 10 cm) beschermd en mooi kleurrijk visje dat stromend en schoon water nodig heeft. De vis past zijn kleur aan aan de omgeving.
Exoten

Planten of dieren die niet in een bepaalde omgeving thuishoren maar die door de mens of door vereenvoudigde toegangsmogelijkheden een plek in de nieuwe omgeving zoeken. Vaak verdrijven ze zeldzame inheemse soorten en ze zijn daarom ongewenst. Ook wel invasieve plaagsoorten genoemd.
Freatisch vlak Ander woord voor grondwaterspiegel.
Gecreosoteerd Uitdrukking voor het impregneren van beschoeiingshout (palen) met creosootolie om de levensduur van de palen tot 25 jaar te verlengen. Tegenwoordig is dit niet meer toegestaan.
Gelamd Zie ook Onderslag.
Gemaal Oude uitdrukking voor het exclusieve recht tot molendwang. D.w..z. dat de mensen in de buurt verplicht waren hun koren bij de betreffende molen te laten malen.
Gherwen Het billen of scherpen van de maalstenen.
Grut Ander woord voor boekweit.
Halve rad Het water wordt op de helft van de hoogte van het rad geleid. Meestal gebeurde dit in combinatie met een bovenslagrad om extra vermogen via een tweede bbek te verkrijgen.
Hamerbakken Dit zijn bakken waar houten hamers lompen tot pulp stampen om als grondstof voor de papierproductie te dienen.
De Hel Kleine ruimte onder de molenstenen waar de onderste molensteen bijgesteld kon worden.
Hollander Een Hollander is een apparaat waarmee lompen tot papierpulp konden worden verwerkt.
Kantstenen Molenstenen die als wagenwielen ronddraaien over een vlakke plaat van steen of metaal en daardoor zaden openbreken.
Keileem Slecht doorlatende klei die tijdens de ijstijd het Saalien onder het ijs werd gevormd.
Kleischot Leem of kleilaag die tijdens de ijstijd verticaal werd opgestuwd in de stuwwal. Verticale kleischotten zijn de belangrijkste reden voor de aanwezigheid van sprengkoppen.
Kollergang Het geheel van kantstenen en vlakke plaat waarin zaden gebroken worden.
Krag Een greep die loodrecht aan een lange steel zit om een beek te schonen.
Kwel Grondwater dat onder druk uit de grond komt.
Kwelzone Het gebied van de sprengkop en het eerste gedeelte van de sprengenbeek uit de sprengkop waar kwel voorkomt.
Leigraaf Een geleide en gegraven beektype.
Maaiveld De hoogte van het grondoppervlak. Vaak opgegeven ten oopzichte van het NAP.
Marken In de vroege Middeleeuwen ontstane bestuursinstelling, bestaande uit de eigenaren van wegen, grond en waterlopen, die onderling afspraken maakten over beheer, sancties etc. etc.
Molendwang Exclusieve recht van de eigenaar (bijv. de Hertog of Graaf) van een korenmolen om de inwoners van zijn rechtsgebied hun graan op de molen te laten malen.
Molengoot De meestal houten bak waardoor het water bij een molen op het bovenslagrad werd geleid.
Molenhoofd Het geheel van molengoot, houten staanders en horizontale balken.
Onderbeek

Zie ook bovenbeek. De naam onderbeek werd vaak gebruikt voor een oude loop van de opgeleide beek. Via de onderbeek kon met het water van de bovenbeek afleiden voor onderhoud aan de molen op de bovenbeek. Ook werd soms deze naam gebruikt voor het beekgedeelte stroomafwaarts van een molen.
Onderslag Effect waarbij een waterrad met de onderkant door het water slaat en daardoor geremd („gelamd") werd. Dit kwam met name voor als een stroomafwaarts gelegen molen het water opstuwde in de wijer en daardoor bij de molen stroomopwaarts de waterstand in de beek te hoog werd.
Onderslagrad Molenrad waarbij het water via de onderkant van het rad stroomde. Veelal gebruikt bij brede langzaam stromende beken met weinig verval.
Ontlasten Oud woord voor "uitkomen in". Een beek kan uitkomen in een andere beek, rivier of kanaal en zich daarin ontlasten.
Opleiden

Door middel van het leggen van dijkjes werd een sprengenbeek verlegd naar een hoger gedeelte op de stuwwal zodat er uiteindelijk een verval van ca. 4 meter ontstond ten opzichte van de oorspronkelijke loop. Hierdoor was er de mogelijkheid om een bovenslagrad bij een molen aan te leggen.
Overkluizing Meestal een gemetselde tunnel of buis waarin de sprengenbeek ondergronds verder kon stromen.
Overlaat

Zie ook Verlaatsluis. Een constructie (soms met een regelbare schuif erin) die voorkomt dat de sprengenbeek op een willekeurige plek overstroomd. Meestal is deze bij een weide of een zijtak naar een andere beek.
Parkbeek Beken zonder economisch belang die vaak gebruikt worden voor parken en buitenplaatsen.
Peilbuis Buis waarin de grondwaterstand kan worden gemeten.
Proceswater Water dat gebruikt wordt anders dan voor de aandrijving van een molenrad. Bijv water voor papier productie, wasserijen, koeling etc.
Pulsbuis

Een pulsbuis is een kunstmatig middel om het debiet van een beek te vergroten. De buis heeft aan de onderzijde een filter, waardoor wel water maar geen grond de buis in kan treden. Doordat het water een geringe weerstand ondervindt stroomt het via de buis in de spreng. Bron: IJzerman
Rijn Een rijn is een bevestigingsstuk tussen de bolspil en de bovenste molensteen. De rijn bestaat eigenlijk uit twee delen. Een binnenrijn en een buitenrijn. Er zijn vele varianten van een rijn.
Rivierdonderpad Beschermd visje met ruwe zijkant met stekeltjes. Hij is ca. 15 cm lang. Hij heeft geen zwemblaas waardoor hij schoksgewijs vooral via de bodem zwemt. Ziet er inderdaad uit als een pad.
Rode Beek Beek die rood gekleurd is door rodolm
Rodolm Ijzerhoudend water.
Rooster Om te voorkomen dat er takken en blad etc. in een duiker terecht komen kan men metalen roosters voor de ingang van een duiker plaatsen.
Runmolen Ook wel Eekmolen. Molens die bedoeld waren voor de leerlooierij waarbij eekschors (eikeschors) gebruikt werd voor het zuur t.b.v. de bewerking. De verkregen schors van de eekschillers werd hier tot run gemalen en geleverd aan de leerlooierijen, waar ze als looistof dienst deed. Alleen in de leermolens gebruikte men run; de huiden werden eerst in water geweekt, schoongemaakt en vervolgens met run vermengd in diepe putten gestopt om te looien.Dit leerlooien veroorzaakte een hoogst onaangename geur.
Op de zeemmolens waar men zeemleer bereidde, werd geen run gebruikt. De kalfs of schaapsvellen maakte men hier met behulp van olie of traan soepel. Deze molens werden stroomafwaarts van Apeldoorn geplaatst vanwege hun stankoverlast
Rijshout Dunne takken (tenen) van meestal wilgenhout bedoeld voor beschoeining. Ook vaak gebruikt voor zinkstukken in de dijkbouw.
Schijn-
grondwaterspiegel
Waterniveau op een hoger niveau dan het normale grondwater. Meestal veroorzaakt door ondoorlaatbare lagen.
Schonen Het schoonmaken van de sprengkop en de sprengenbeek door het verwijderen van zand, modder, takken en blad.
Schouwen Het door bevoegde instanties (marken of waterschappen) controleren of de verplichte schoning heeft plaatsgevonden.
Schouwpad

Pad langs de sprengenbeek om de schouw te kunnen uitvoeren. Soms grenzen er tuinen aan de beek waardoor schouwen niet mogelijk is. De verplichting van een schouwpad moet dan de mogelijkheid geven om dit af te dwingen.
Sifon Een duiker met een flauwe V-vorm waarbij de instroom- en uitstroomzijde geleidelijk af en op loopt. Dit maakt het mogelijk dat water onder bijv. een kanaal kan stromen.
Singel Houtwal of bomenrij. Vaak werd de sprengkop omgeven door een bosje of singel. Soms was dat een singel van eikehakhout.
Smeltwaterdal Dal uitgesleten door smelwater na de ijstijden. Deze dalen waren de plek van waaruit de sprengkoppen konden ontstaan en waarlangs de beken konden afvloeien.
Spreng De gegraven bron waar de sprengenbeek zijn oorsprong heeft. Vaak wordt het eerste ingegraven gedeelte van de sprengenbeek met kwel ook nog wel spreng genoemd.
Sprengenbeek De beek die het water van de spreng afvoert. De temperatuur en watergift zijn erg konstant.
Sprengkop Plek waar de spreng (de bron) ontspringt en is uitgegraven
Stuwvijver Zie Wijer
Stuwwal Door een ijstong gedurende de ijstijden opgestuwd materiaal.
Stijgbuis Zie Pulsbuis
Turbine

In plaats van een molenrad bestaan er ook turbine aandrijvingen. Water uit een wijer werd dan boven de turbine gevoerd, waarna enkele meters dieper het water er via de turbine weer uitstroomde.
Verlaatsluis Zie ook overlaat. Sluisje waar de overloop van de beek zijn water gecontroleeerd kwijt kan.
Verval Het hoogteverschil tussen twee punten in een beek of rivier.
Vistrap

Kunstmatige passage waar vissen stroomopwaarts langs een obstakel kunnen zwemmen. De passage strekt zich via enige tientallen meters uit en overbrugt trapsgewijs het hoogteverschil van een molenrad, een verlaatsluis etc.
Vloeiweide Door dijkjes omzoomde weide die regelmatig vanuit een beek onder water gezet werd om de weide beter als grasland te kunnen gebruiken.
Voedingssprengen De sprengkoppen van een sprengenbeek.
Vollen

Om wollen stoffen te verbeteren moesten ze vervilten d.w.z. de structuur moest verdicht worden door de stof met houten stampers te kneden. Hierbij werd ook wel urine aan de bakken met stof toegevoegd.
Volmolen Molen om wol te vollen.
Watermolen Molen die door een rad (onderslagrad, bovenslagrad of halve rad) of een turbine wordt aangedreven.
Wateronttrekking Meestal wordt hier onttrekking van water door drinkwaterbedrijven of de industrie door bedoeld.
Watervluchtmolen Een watervluchtmolen is een molen die zowel door water- als door windkracht wordt aangedreven.
Waterwerker Iemand die sprengen en sprengenbeken aanlegt en onderhoudt.
Weilandbeek

Beek met vaak ondiepe ligging,die ontspring in cultuurgronden zoals weilanden en vaak begint als een verzameling sloten. De watertemperatuur varieert met de luchttemperatuur en er kunnen geen molens op worden aangedreven.
Wepen Eiken paaltjes gebruikt voor bekribbing en beschoeing.
Wilgentenen Dit zijn lange rechte twijgen (waterloten) die aan wilgen groeien als ze geknot zijn en die door hun lengte en soepelheid geschikt zijn voor vlechtwerk van beschoeingen.
Wijer

Een vijver stroomopwaarts van een watermolen. De vijver is bedoeld voor de opslag van water om het rad van de molen ook in tijden van verminderde toevoer van water te kunnen voorzien. Ook konden de molenaars hier vis in uitzetten voor extra inkomsten.
Zandvanger Bij de aansluiting van een spreng bijv. in een kanaal kan er veel zand uit de spreng in het kanaal meekomen. Om te voorkomen dat het zand in het kanaal opgeruimd moet worden kan er een ondiepe bak in de spreng worden geplaatsts om de zanddeeltjes op te vangen. Dat vereenvoudigt het schoonmaakwerk aanzienlijk.
Zomp Een terrein, dat "zomp” heet, duidt op een zompige of drassige plek.