20 - 10 - 2017
Taal/ Language/ Langue /Sprache

Het oude boekje van H.C.J. te Loo "Oud Apeldoorn in woord en beeld" uit 1932 waarin hij uitvoerig allerlei oude gebouwen in Apeldoorn beschrijft is door mij ook op de website. Wat me hierbij opviel was het jaar. In 1932 zijn ook de boekjes van Moerman en Kremer over de paleisleidingen uitgebracht. Er was nogal wat te doen in dat jaar over de geschiedenis van Apeldoorn!

Herman Christiaan Johannes te Loo, de zoon van de bakker Harmen Jan te Loo, was schilder en leefde van 8-06-1864 tot 18-06-1945.
De tekeningen van zijn hand zijn vaak wel bekend maar de verhalen erbij meestal niet. Met deze digitale versie van zijn boekje uit 1932 poog ik om zijn nalatenschap meer bekendheid te geven.

Hier een schaarse, helaas nogal onduidelijke, foto van hem uit 1935 van de Nieuwe Apeldoornsche Courant. Naast zijn werkzaamheden als schilder was hij ook voorzitter van de Christen Unie en lid van de Provinciale Staten van Gelderland. Ook zat hij, als voorzitter, in diverse belangrijke comite's in Apeldoorn.

hcjteloo 1935

Hopelijk heeft u plezier bij het lezen van zijn verhalen.

Herman's vader was bakker op de hoek van de Sprengenweg en de Loolaan en dat verklaart wel waarom er veel verhalen over de Nieuwe Enk in dit boekje te vinden zijn. Voor mij persoonlijk ook erg leuk omdat ik vroeger boven radiozaak Olanda op de Badhuisweg (nu Beekstraat) heb gewoond en het gebied ook goed ken.

OUD-APELDOORN
in
WOORD EN BEELD
door
H. C. J. TE LOO

Premie-Uitgave van het Dagblad  Nieuwe Apeldoornse Courant Directeur : J.F. Wegener. -- 1932

INHOUD.

Een woord en een wensch van den burgemeester, Mr. W. Roosmale Nepveu
Oud Apeldoorn in Woord en Beeld door H. J. C.  te Loo
De Kapel
De Dorpskorenmolen
Welgelegen
Het Oude Voermanshuis
Oude kerk aan de Dorpsstraat
De Sint-Antonie Kapel
Oude kerk Loolaan
Pastorie aan de Loolaan
Ruïne van de afgebrande Kerk
Oude R.-Kath. Kerk
De Hoek van ’t Dorp
Poortje aan den Sprengenweg
Oude Schuur aan den Sprengenweg
Het huis „Te Loo"
Het oude Notarishuis
Het Doktershuis
Het oudste Gemeentehuis
Het oude Gemeentehuis
Van Huut's Huis
’t Klaphekke
Het oude Postkantoor aan de Deventerstraat
De Moriaan
De Brinklaan
De oude Dorpsstraat
Hennemans Meule
Het eerste Ziekenhuis
Houtjes Huis
Oude Armenhuizen
Boerderij van Prinses Marianne

Hij, die zich in de oude geschiedenis van Apeldoorn verdiept en de moeite neemt om ijverig na te speuren. ziet zijn moeite beloond als hij, zoals H. J. C. TE LOO een oud_Apeldoorner‚ dit deed, en de resultaten hiervan in dit boekwerk vergaderde. Met groote toewijding en kunstzin zijn de teekeningen vervaardigd en de tekst vertelt ons vele bizonderheden uit zijn stalen geheugen, die waard zijn aan de vergetelheid te worden ontrukt. Ik vertrouw, dat dit werk de belangstelling van zeer velen zal opwekken. Het zij mij vergund den vervaardiger mijne waardeering te betuigen en een ruime verspreiding van zijn werk toe te wenschen.
Apeldoorn. 31 Augustus 1932.

W. ROOSMALE NEPVEU,
burgemeester van Apeldoorn.

OUD APELDOORN IN WOORD EN BEELD

Onze Geldersche geschiedschrijver Arend van Slichtenhorst (17e eeuw) beschrijft de Veluwe als een „woest en bijster land", waarin „uitgestrekte heidevelden afwisselen met dichte bosschen als dikke hairvlechten op een kalen schedel".
En te midden van die woeste heerlijkheid lag het onaanzienlijke heidedorpje Apeldoorn als een oase in de woestijn.
Hoe het er in die dagen en nog veel later uitzag, vertelt ons het welbekende volksrijmpje:

Apeldoorn, spits van toren,
Groot van heide, schraal van weide,
Gebrek aan geld,
Zoo is ’t in Apeldoorn gesteld!

Sober en klaar, en naar waarheid gezegd, was dit het beeld van onze woonplaats in vroeger tijden. Het is nog niet zoo lang geleden dat dit de toestand in onze gemeente geheel karakteriseerde.
De hooge torenspits is reeds vóór de afbraak  aan de Dorpsstraat in 1842 verdwenen, toen zij in 1812 door de bliksem getroffen werd.
„Groot van heide”: deze is vooral in de nabijheid, voor een groot deel ontgonnen tot bouwland of bosch.
Vroeger, tot circa 1880. was de omgeving van de Galgenberg — thans Valkenberg — tot aan de Soerensche bosschen en tot  Apeldoorn enkel heide, met hier en daar een verdwaalde den. Daar was het toneel van de valkenjachten, door Koning Willem ll en later door Koning Willem III gehouden.
De tegenwoordige begraafplaats aan den Soerenscheweg was tot 1896 nog een heidevlakte, het z.g. Hoegensveld". waar tot dien tijd jaarlijks groote paaschvuren gestookt werden door bewoners van de Nieuwen Enk.  
Een nieuwe tijd brak voor Apeldoorn aan vooral voor den winkelstand toen hier in het dorp in 1872 de eerste spiegelruiten geplaatst werden en wel in het huis Hoofdstraat hoek Mariastraat, toenmaals een manufacturenwinkel van den heer Teunis Jan Boks, thans ijzerwinkel van den heer Van Delden.
Het was zoo iets bijzonders, dat de eerste weken des Zondagsmiddags heele groepen wandelaars daar kwamen kijken.
Bij het begin van een nieuwe Eeuw deed onze plaats ook een nieuwe sprong van den ouden in den nieuwen tijd, door de afschaffing van den aloude klepperman of nachtwacht.
Op Oudejaarsavond van 1899 heeft voor het laatst zijn stem door onze stille straten geklonken en werd zijn klepper voor altijd opgeborgen.

In Wiesel, Wenum, Ugchelen en Orden lagen uitgestrekte onverdeelde heidevelden, z.g. Markegronden, welke door de gezamenlijke bewoners of deelgerechtigden, gebruikt werden, voor het steken van plaggen turf en het houden van duizenden schapen. Die, door de wol, de mest en als slachtvee, een voorname bron van inkomsten voor den toenmaligen landbouw uitmaakten.
Tot circa 1880 was er geen boerenhuis hier in den omtrek. waar het spinnewiel niet gebruikt werd door de vrouwen en meisjes en de wol voor eigen gebruik tot grove, sterke sajet werd gesponnen.
Bij het schapenwasschen der geheele kudde, dat meestal in het Uddelermeer of in een plas bij Hoog Buurlo geschiedde, ging het er vroolijk toe. Dan was het schaapskermis en de geheele buurtschap kwam er aan te pas.
Behalve de schapenteelt was ook de bijenhouderij een van de bedrijven, door de boeren hier uitgeoefend. Vele imkers waren in het bezit van meer dan honderd korven.
De Apeldoornsche koek op de Apeldoomsche kermis werd van Apeldoornsche honing gemaakt en werd nog boven de beroemde Deventerkoek geprezen.
Een zeer geliefd product van de bijenhouderij was ook de mede of mee, een uit honing bereide, gegiste, zoete maar koppige drank, reeds bekend en veel gebruikt bij de Batavieren en Germanen hier te lande. Op Oudejaarsavond en bij het Nieuwjaarschìeten was dit de algemeen gebruikte drank bij de boeren.
Nog een ander gebruik werd er van de heide gemaakt. Zij werd met een kromme sikkel of heetmes gesneden, in bossen gebonden en als brandstof gebruikt in de bakkersovens. Bij heele karrevrachten werd deze heide zelfs naar de groote steden vervoerd.
De mooiste en langste heide werd gebruikt voor de bezembinderijen, van welke er hier ter plaatse vele groote, en nog meer kleine, bestonden.
Ook van bezems en boenders was er een groote uitvoer naar de Hollandsche plaatsen en „Boender-Hannes" was daar een bekend type.
Door de verdeeling der markgronden gingen de heidevelden als gemeenschappelijk bezit verloren en daarmede ook de verschillende bedrijven, doch er is in onze gemeente gelukkig nog genoeg van de schoone paarse hei, door den dichter bezongen, overgebleven, zoodat zij nog lange jaren een aantrekkelijkheid kan blijven voor de duizenden toeristen. Die onze plaats bezoeken.
„Schraal van weide". Ja, zóó was het in het verleden.
Klein en schraal was de weidegrond, vooral aan den hoogen kant, waar nauwelijks zooveel gras groeide, dat de magere koetjes, de z.g. Munstermennekes, er ’s zomers genoeg aan hadden. Voor dan winter werd het hooi gekocht aan de IJsseloevers en onder Harderwijk aan de Zuiderzee.
Vele boeren gingen van hier te voet, om daar te maaien en te hooien. En het was feest, als de laatste vracht behouden en droog op de balken kwam.
Dan prijkte de Meiboom. een groene tak, op den wagen en werd het volk door de boerin getrakteerd.
Waar de heide steeds minder werd, daar werd de weide, voorla in de laatste jaren, meer en beter, dank zij de betere manier van ontginning, bemesting en de landbouw-wetenschap.
Nu wordt waarlijk de woestijn in een paradijs herschapen waar de beesten, zelfs stamboekvee, er kostelijk uitzien. als in de Hollandsche weide, de „Munstermennekes" zijn verdwenen. Ook de Veluwsche ossekar en de Apeldoomsche veestapel, koeien en paarden, zijn een sieraad op de fokveedagen en de tentoonstellingen, hier en elders.
„Gebrek aan geld" was het kenmerk van het vroegere Apeldoorn. Ja, eerlijk maar arm waren wel de meeste bewoners. De bevolking bestond meest uit kleine boeren en daghuurders, papiermakers (allemaal handwerk en klein bedrijf van het eigen gezin en „het volk", waarmede het personeel bedoeld werd), voorts bezembinders, aan den hoogen kant, en klompenmakers aan de lage zijde. Weinig ambachts-bazen en nog minder knechts, en dan nog enkele kleine winkeliers, die van alles verkochten. Bakkerij, kruidenierswaren, manufacturen, klompen en aardewerk alles in één winkel en overal, in alle winkels, bier uit Epe en Elburg, likeur en sterke dranken.
Door de nabijheid der Soerensche en andere bosschen was een van de bronnen van bestaan in die dagen de houthandel, waardoor vele handen werk vonden. Vooral in het voorjaar, wanneer het geklop van de eekschillers reeds in de vroegte gehoord werd, en de Meibosschers in schelhutten woonden, werd vaak een extra cent verdiend.
En wanneer de schillersgezinnen uit Uddel, Elspeet en Vierhouten in hun eigenaardige kleederdracht Zaterdagsmiddags met den kruiwagen het dorp bezochten, was dat een schilderachtig gezicht, en een voordeel voor den Apeldoornschen winkelier.
En al die Apeldoornsche menschen, zoowel baas als knecht, hadden hun eigen stuk land, een koe of geit en varken, zoodat ze in hoofdzaak alles o.m. hun aardappelen zelf verbouwden, hun brood bakten en hun vee slachtten.
Onder deze omstandigheden hadden de menschen ook niet veel geld noodig en werd er, behoudens jaren van misgewas, weinig armoede geleden. Toen was het „geen Edelman. geen bedelman”.
Wel was er groote nood in het jaar 1847, toen door mislukking van den roggeoogst en de aardappelziekte de levensmiddelen zeer schaars waren. Toen kostte het roggebrood een dubbeltje het pond en in gewone tijden twee en een halve cent. Wittebrood was voor de meesten onbekende kost.
In dat jaar werd het landgoed „Hohenheim" door den heer Mr. P. G. Morees aan de Deventerstraat aangelegd en werden 150 Hectare  heidegrond ontgonnen. Daar kon een ieder die wilde, werk krijgen en verdiende een voor dien tijd hoog loon van 60 cent per dag van ’s morgens zes tot 's avonds acht uur. Toen was er groote armoede in de gezinnen der daglooners en gingen er velen met een hongerige maag naar bed.
Gelukkig was de geest van onderling hulpbetoon ook groot.
Vele schoolkinderen kregen thuis weinig of niets, doch ’s morgens van de meer-gegoeden 2 1/2 cent en de menschlievende bakkers gaven daar een half pond roggebrood voor. De bakkerin smeerde daar vaak in stilte nog een laagje boter op.
.la, gebrek aan geld en aan alles was er toen zeker.
Van armenzorg op groote schaal of werkverschaffing was toen nog geen sprake; zij waren zelfs niet bij name bekend.
Zoo was Apeldoorn, reeds sedert eeuwen, een eenvoudig heidedorpje, totdat het uit zijn slaap gewekt werd, eerst door het graven van het Kanaal naar Hattem (1827—1828). Verder door het stichten van de Groote Kerk aan de Loolaan (1840—1842), het geschenk van koning Willem I, den bouw van het Gemeentehuis en het bebouwen van de Loolaan o.a. de Koningschool in 1852.
Van toen aan werd Apeldoorn een plaats, die meetelde en de groote uitbreiding kwam toen op den dertienden Mei 1876 de spoorweg geopend werd en de verbinding met de groote plaatsen tot stand kwam.
Op dienzelfden dertienden Mei werd het Oranjepark feestelijk ingewijd door Z. M. Koning Willem III met de pas-aangelegde Stationsstraat en ’t Sophiapark.
Toen verrezen de groote villa's en kleine huizen als paddestoelen uit den grond en in 1877 werd de Hoogere Burgerschool gebouwd. Het was een tijd van groote welvaart en van ontplooiing van Apeldoorns kracht naar alle zijden.
Het verdient zeker vermelding, dat hier in Apeldoorn waarschijnlijk de eerste fiets, toen velocipède, in ons land gemaakt is door Mannus Looman, smid aan de Dorpsstraat en Frits te Loo,  timmerman in de Eierstreek, thans Beekstraat. Op den Tweeden Pinksterdag van het jaar 1873 reed laatstgenoemde er mee van Apeldoorn naar Winterswijk in één dag. In alle plaatsen. waar hij doorkwam, liep de geheele bevolking te hoop, om dit nooit-geziene wonder te aanschouwen.
Zelfs de Koning, Willem III bezocht de nederige smidse en was zóó voldaan over dit nieuwe vervoermiddel, dat hij er dadelijk eenige bestelde voor het personeel van het paleis en de hofhouding.
De groei van Apeldoorn is doorgegaan tot op heden en wel het sterkst onder het bestuur van onzen tegenwoordigen burgemeester Mr. W. Roosmale Nepveu en in zijn tijd (de laatste 22 jaar) gegroeid van een groot dorp van 36.000 inwoners, tot een tuinstad, of stad, die dorpsgewijze gebouwd en eenig in ons land is, van ruim 62.000 zielen, de derde plaats van Gelderland.
Apeldoorn heeft gelukkig zijn karakter van dorp nog behouden en hoewel er veel landelijks en schoons voor altijd is verloren gegaan, zoo is er ook veel bijgekomen, waar de bevolking met recht trotsch op mag zijn en dat onze plaats boven vele aantrekkelijk maakt.
Dichte bosschen, zooals nergens in den lande, uitgestrekte velden, heuvels en dalen, prachtige panorama's, schaduwrijke parken en lanen. Schitterende wandelingen en boven alles het Koninklijk Park en het Paleis der Oranjes. Er is maar een Veluwe en daar, temidden van een heerlijke omgeving, ligt ons eenig Apeldoorn, de parel aan haar kroon!
Wanneer wij den toestand in onze gemeente van een vijftig à zestig jaar geleden vergelijken met die van heden, dan is het net, of we in een andere wereld wonen.
We kunnen gerust zeggen, hier is al het oude voorbijgegaan, zie het is alles nieuw geworden! Van alle huizen en gebouwen uit dien tijd is er maar een enkele overgebleven.
Daarom zullen er velen zijn, die met groote belangstelling kennis zullen nemen van het leven in die dagen en die vragen: „Hoe zag Apeldoorn er toen uit?"   
Zooals we met eerbied en liefde zullen staren op de beeltenis onzer voorouders, die reeds zijn heengegaan, zoo zullen zij kennis nemen van de geschiedenis en de toestanden in Oud-Apeldoorn.
Apeldoorn heeft niet, gelijk zooveel oude steden, een grootsche historie of oude monumentale gebouwen. Neen! Maar wel een herinnering aan een gelukkig, landelijk bestaan, met een stoere bevolking, wier karaktertrekken: eenvoud, trouw en een gemoedelijke kalme levensbeschouwing, ook voor het hedendaagsche geslacht niet zonder waarde zijn.
Daartoe uitgenoodìgd van bevriende zijde, was het mij een taak‚ eenige herinneringen aan Oud-Apeldoorn in woord en beeld vast te leggen.
De teekeningen der oude kerk zijn gemaakt naar origineelen van Arie Lieman en Douwes Manvis. Vele naar eigen schetsen en potlood-krabbels naar de natuur, andere naar verbleekte foto's, welwillend door oud-Apeldoomsche families verstrekt.
Deze teekeningen zijn afbeeldingen van gebouwen, welke niet meer bestaan en welke een getrouw beeld geven van Apeldoorn vóór ruim een halve eeuw, en met de geschiedenis en opkomst ten nauwste verbonden zijn.

Schrijver dezer regelen had het voorrecht, om de opkomst en bloei dezer plaats geheel mee te leven en kan uit eigen herinnering, aangevuld met hetgeen hem door oude inwoners is verteld, een beschrijving geven van elk gebouw afzonderlijk, hetwelk, samengevat, ons een beeld geeft van Oud-Apeldoorn.
Moge er ook iets van den geest en het leven onzer voorouders in doorschemeren! Het was een stoer en krachtig geslacht, vaak stug en teruggetrokken en gehecht aan het oude, maar met een hart van goud en altijd klaar om elkander te helpen! Daaronder waren vele bijzondere typen, echte dorps-philosophen, met een grooten voorraad gezond verstand en tintelenden humor, zooals ze op de schilderijen van de oude meesters vaak voorkomen. De boeren op klompen, met een groot mes in de leeren scheede, dorschvlegel en tondeldoos; de boerinnen met wijde zelfgebreide rokken, de ambachtsbazen met pet en boezeroen, de deftige burgervrouwen met jak en muts, en aangesproken met den eerenaam „vrouwe”, en die allen sprekende het onvervalschte Apeldoomsche dialect.
Toen zong Van Zeggelen, de Geldersche volksdichter van Apeldoorn's bevolking:

lets Germaansch in Neerland's tonen,
Dat het oor bevallig trekt,
Klinkt U toe uit Gelder's zonen,
In hun Geldersch dialect.

APELDOORN!
Schoon waart gij in het verleden,
Schoon zijt gij in het heden,
En schoon zult gij blijven in de toekomst,


wanneer de geest van eenvoud, vroomheid en saamhoorigheid, de geest Uwer vaderen, zoowel den ingeborene als dan ingeburgerde, eendrachtig doet samenwerken aan den bloei en de grootheid van Apeldoorn en aan het geluk van al haar bewoners!

Apeldoorn, Bloeimaand 1932.     H. C. J. TE LOO.


DE KAPEL

Dit was geen bedehuis, maar een bekende herberg, aan de Dorpsstraat, hoek Kapelstraat, en was het laatste huis aan de Hoofdstraat met een strooien dak.
Behalve voor herberg diende dit huis nog aan een paar gezinnen tot woning. De tegenwoordige Kapelstraat was toen  een smal paadje dat tot scheiding diende van de naast-gelegen buitenplaats „Randerode”.
Ook bedreven de bewoners van de Kapel den  landbouw en werd er melk verkocht aan de weinigen, die zelf geen koe of geit hadden.
Het melkmeisje, dat in die dagen de klanten bediende, was een weduwe van omstreeks 99 jaren, de oude vrouw van Leiden en geheel Apeldoorn vond het jammer, dat zij haar honderdsten verjaardag niet mocht beleven. Want wel werden de menschen toen, gelijk nu nog, heel oud in onze gezonde gemeente, maar honderdjarigen waren er toen niet bekend. Dat was voor latere jaren bewaard, toen er in Apeldoorn zelfs drie honderdjarigen tegelijk mochten wonen.
De herberg had waarschijnlijk haar naam ontleend aan de St. Antoniekapel, welke er juist tegenover stond en welke dateerde van vóór de Hervorming.
De herberg, de Kapel, of een huis daar ter plaatse, was waarschijnlijk even oud. Ook de primitieve bouwstijl getuigde van een hoogen ouderdom. Het was daar, onder de lindeboomen, nog een rustig. landelijk zitje, en dat midden in het dorp.
Met Loosche Kermis of Pinkster Loo, altijd op den 2en Pinksterdag, reden (visa-versa) omnibussen en Jan Pleiziers van hier naar de herberg het Posthuis op het Loo.
Einde vorige eeuw verdween ook dit stukje oud-Apeldoorn, om plaats te maken voor een rij aaneengesloten winkelhuizen.
Het uithangbord berust nog in het Museum Felua.

l01 dekapel
DE KAPEL


DE DORPS-KORENMOLEN

Deze watermolen is gebouwd in de eerste jaren van de vorige eeuw door den heer A. van den Broek (één van zijn zoons was de eigenaar van logement „De Arend", later Hotel van der Burg).
Ook zijn door hem, ten behoeve van deze molen, de sprengen en de beek gegraven, nu bekend als de Badhuisbeek.
Dit werk werd uitgevoerd door zijn zwager Jakob Wolbrink Buitenhuis,meulenmaker en timmerman.
Deze korenmolen was daar in die dagen volkomen op zijn plaats en voorzag in een groote behoefte, want zoowel de burgermenschen als de arbeiders, verbouwden hun eigen boekweit voor de pannekoek, en de rogge voor hun brood. Zij bakten het brood zelf en lieten het verkopen bij den bakker in de buurt, tegen betaling van drie  cent groot of klein.
Het dorschen van het. koren was een bezigheid, welke meestal in de vroege morgenuren geschiedde, en het geklop van de dorsshvlegels, het ,,billen" of scherpen van de molensteenen, en het geknetter van het neervallende water op het molenrad, gaf heel wat schooner muziek dan het tegenwoordige getoeter van de auto's.
Het was een heerlijk, landelijk plekje, zooals die oude molen daar stond, onder de oude notenboomen, en omringd door bloeiende seringenstruiken. Dubbel heerlijk, wanneer in deze omgeving, in het tegenoverliggende Berkenstein, of het naastliggende Burgemeestersboschje, de nachtegalen in de Meimaand hun lied zongen‚
Ook was de „ouwe meule" een speelplaats voor de dorpsjeugd, zooals tegenwoordig tevergeefs één gezocht zal worden.
Hij stond aan de Hoofdstraat, hoek Sprengenweg, op de plaats, waar nu de Roskam staat, en werd in 1884 voor afbraak verkocht. De nachtegalen zijn, sindsdien, voor het moderne leven gevloden. Jammer, dubbel jammer, dat de „ouwe meule" weg is, maar gelukkig, dat Apeldoorn in zijn sprengen één van zijn schoonste wandelingen behouden heeft.

l02 dorpskorenmolen
DE DORPS-KORENMOLEN


WELGELEGEN

Oud-Apeldoorn en Welgelegen zijn twee namen, welke bij elkaar horen.

Hoewel geen oud-adelijk kasteel, zooals de Cannenburgh te Vaassen en het Oude Loo alhier, was het toch een deftige behuizinge op het aloudel landgoed, waar Admiraal van Kinsbergen de laatste jaren van zijn leven woonde en aldaar op den 22en Mei 1819 in den ouderdom van 84 jaar overleed.
Geboren te Doesburg uit een oud Geldersch adelijk geslacht had Gelderland, en Apeldoorn in het bijzonder, de liefde van zijn hart.
Hij was hier algemeen bekend als de held van Doggersbank uit den zeeslag tusschen de Engelsche en de Nederlandsche vloot op 5 Augustus 1781. Ook heette hij de vader van Apeldoorn, want aan hem had onze plaats veel te danken. Onder meer een Weeshuis en twee gemeente-pompen, zoo ook de eerste brandspuit op 14 October van het jaar 1813.
De Admiraal was een zeer-geliefde persoonlijkheid en werd meermalen door de burgerij gehuldigd, waarbij huize „Welgelegen" werd versierd en geillumineerd. Een marmeren borstbeeld, dat eerst op zijn graf in de oude kerk geplaatst was, prijkt nu nog in de vestibule van het tegenwoordige raadhuis en zijn stoffelijk overschot is, tijdens de afbraak van de kerk, overgebracht naar de Nieuwe Kerk te Amsterdam, waar ook Admiraal de Ruyter begraven is.
Koning Willem, de gever van de Nieuwe Kerk, had verzocht, om de opbrengst van den toren, welke voor afbraak verkocht werd. te besteden voor een monument ter eere van den Admiraal.
Daar deze som niet toereikend was. werd die op interest gezet en voor dit geld, dat inmiddels tot het dubbele bedrag was aangegroeid, werd in 1864 een school voor M.U.L.O. of middelbaar onderwijs gebouwd, als zijnde meer in den geest van den Admiraal dan een gedenkteeken.
Zijn naam staat tot heden in dan gevel van het gebouw aan de Nieuwstraat vermeld, en ook de Kinsbergenstraat houdt die in herinnering.
Ook was hij de man, die door het uitschrijven van een prijsvraag, aan ons land de twee bekende volksliederen schonk, het „Wien Neerlandsch bloed” van Tollens en „Wij leven vrij" van Brands.
Welgelegen was na den dood van den Admiraal nog eenige jaren de woonplaats van de drie Freules Schimmelpenninck, die, hoewel zeer rijk, zóó eenvoudig waren, dat ze 's Zondags met wit-geschuurde klompjes naar de kerk gingen.
Na het overlijden dezer Freules werd dit huis als dames-kostschool ingericht.
Hier werd ook in 1913 het grootsche feest gehouden ter herdenking van Neerland’s onafhankelijkheìd, waarbij was opgericht een oud-Hollandsch marktplein, met stadhuis en een echte burgemeester. Een schitterend feest met veel illuminatie van gebouw en omgeving.
Daarna stond het oude gebouw eenigen tijd leeg en geraakte in verval, totdat in 1917 het geheele landgoed, groot circa vijf Hectare, door de gemeente voor de som van f 75.000.— werd aangekocht.
Het huis werd gesloopt, de vijver gedempt, het prachtige geboomte gekapt en het geheel, met wegen doorsneden, voor industrie-terrein bestemd.
Veel schoons moest voor veel nuttigs wijken!

l03 welgelegen

WELGELEGEN


HET OUDE VOERMANSHUIS

Vroeger, vóór 1876, toen er nog geen spoorweg in Apeldoorn was, waren er diligences, wagens en vrachtwagens op Arnhem, Deventer en Zutphen, We kunnen wel zeggen: eerste, tweede en derde klas.
Zoo reed op Arnhem, op marktdagen, ’s Dinsdags en Vrijdags een soort diligence, „Hoegens Wagen", alleen bestemd voor passagiers.
En dat kostte vice versa ruim een gulden: een heele uitgave voor dien tijd. Ook reed er een vrachtwagen van Van Zeist en een reis hiermede kostte niet meer dan een paar kwartjes. Kinderen half geld en de kleintjes voor niemendal. Een reis naar Arnhem was toen een heele onderneming en de drukte begon reeds den vorigen dag met het klaar maken van de proviand, gekookte eieren, pannekoek en brood.
’s Morgens vroeg, of nog in den nacht, toog men op weg, want reeds om twee uur moest men bij den wagen zijn, ofschoon die eerst een uur later wegreed. Eerst werd bij den voerman koffie gedronken, gezeten om een groot haardvuur, dan werden in den winter voor de vrouwen stoven klaar gemaakt en kregen de jongens een paardedeken, Want er mochten bij Van Zeist altijd een paar jongens op den bok zitten en het kon ‘s morgens fel koud zijn. Zoo ging het vaak in gezelschap van varkens en kalveren op Arnhem aan, al maar stapvoets, zoodat er onderweg gelegenheid genoeg was, om eens uit te stappen en zich eens flink warm te loopen. Halverwege, aan de „Woeste Hoeve", werd een uur rust gehouden voor menschen en paarden, waar de leuningstoel bezichtigd werd, waarin Napoleon eens gezeten heeft en de Oud-Hollandsche kast, waar de Koning tevergeefs duizend gulden voor geboden heeft.
De tocht duurde vijf à zes uur, maar viel nooit lang daar de voerman allerprachtigst kon vertellen, van alles, wat in lang vervlogen tijden op dien eenzamen, woesten weg, gebeurd was‚
Het Voermanshuis stond aan de Hofstraat, naast het tegenwoordige Volksbadhuis.

l04 voermanshuis
HET OUDE VOERMANSHUIS


OUDE KERK AAN DE DORPSSTRAAT

Wanneer we schrijven ,‚oude", dan is dat zeker niet teveel gezegd, want van alle gebouwen van Apeldoorn was deze kerk zeker wel het oudste, omdat zij reeds bestond vóór het kasteel „Het Oude Loo".
Waarschijnlijk gesticht in het begin der dertiende eeuw, en gewijd aan Maria, de Moeder Gods, was zij van dezelfde bouworde, doch grooter dan de nog bestaande kerk te Beekbergen.
Deze kerk was, door de eeuwen heen, het middelpunt van het kerkelijk en maatschappelijk leven onzer voorouders. Zij lag, volgens één onzer schrijvers, als een kloekhen, in wier schaduw zich de lage huizen nestelden.
Het was een voor dien tijd groot en statig gebouw; de toren kenmerkte zich door een uitgebouwde kleine- of traptoren, zooals er nog enkele op de Veluwe. o.a. te Lunteren, voorkomt.
Het koor was er in een latere eeuw aangebouwd, en volgens J. Bertel I.zn., die in 1860 bovenmeester van de school aan het Kanaal was, geschonken door de zeven eigen boerderijen, waaruit van ouds de buurtschap Wormen bestond. Dit als voldoening eener gelofte, gedaan ten tijde, dat een zware pestziekte, „de zwarte dood", deze landen teisterde.
Wanneer hun buurtschap en het kerspel Apeldoorn gespaard bleven, dan zou het koor verrijzen. En zie…… de Engel des verderfs ging voorbij, en in deze landpalen werd geen enkel offer geëischt.
Het koor verrees in vollen luister, als een getuigenis van kinderlijk geloof en dankbare vervulling eener gedane belofte.
In 1354 stond de geheele Veluwe in vuur en vlam, tengevolge van de twisten tusschen de broeders Reinald en Eduard van Gelder om de Hertogskroon dezer landen.
Op een der dagen in Juni van dat jaar had er een groote volksvergadering bij de kerk te Apeldoorn plaats, waar de Iandslieden en dorpers van de geheele Veluwe samenkwamen en werden toegesproken door Karel Meinhards, onderbevelhebber van Frederik van Heeckeren, hoofdman van Reinald van Gelder, die alle dorpers, hofhoorigen en lijfeigenen vrijstelling
beloofde van schatting, tienden en heerendiensten, zoo zij wilden vechten voor Reinald tegen Eduard, welke laatste werd bijgestaan door alle Geldersche Edelen en ridders, onder aanvoering van Willem v. Bronkhorst.
Vol geestdrift liep het landvolk te zamen. Het werd een vrijheidsoorlog, die begon met de verovering van het aloude kasteel „De Horst" te Loenen en gevolgd werd door dan gedenkwaardigen slag op den Vrijenberg.
Op den morgen van den 19en Juni 1354 stonden duizenden Veluwnaren, ook uit Apeldoorn, in slagorde geschaard aan den voet van den heuvel, en op dien zelfden morgen trokken 300 geharnaste Edelen uit de poort van Arnhem, later gevolgd door de gilden en poorters uit die stad, die aan de zijde der Edelen streden.
Spoedig kwam het tot een treffen. De eerste aanval was een nederlaag voo de Edelen, maar op het verdere van den dag keerde de kans en waren de duizenden dorpers, slechts gewapend met zeisen, dorsschvlegels en hooivorken, niet bestand tegen den kleinen, doch welgewapenden troep Edelen. Aan den avond van dien dag bedekten 500 gesneuvelde dorpers en 100 Edelen het slagveld op den berg en was de nauwelijks

l05 oudekerk
OUDE KERK AAN DE DORPSSTRAAT


verrezen vrijheidszon weer ondergegaan in een zee van bloed en tranen, en dat voor eeuwen.
Wat al historische herinneringen zijn aan dezen grijs-bemesten toren en kerk verbonden! Met wat schrik en doodsangst in het hart zal deze zijn beklommen om te spieden en te melden de nadering van de bloeddorstige Spanjaarden, die, na den moord en de plundering van Zutphen onder Don Frederik in 1585, op hun terugkeer naar het Sticht, Apeldoorn geheel verbrandden. Toen bestond de kom van het dorp, behalve uit de kerk en de pastorie, uit slechts zeven steenen huizen.
Hier in deze kerk werd voor het eerst de „neye leere" gepredikt in het jaar 1590 door den eersten predikant, Dominé Theodori, die niet beroepen, maar gezonden was door de Staten van Gelderland en het Hof te Arnhem, ter vervanging van den afgezetten pastoor.
Dit kerkgebouw werd meermalen door brand geteisterd, waardoor helaas veel van het oude archief. dat in den toren bewaard werd., is verloren gegaan. Voor het laatst werd deze toren door den bliksem getroffen in 1812 en verbrandde toen de hooge spits‚ waaraan het rijmpje te danken was: ,‚Apeldoorn spits van toren".
In 1840 gaf Koning Willem I een nieuw kerkgebouw aan de Hervormde Gemeente en werden, nadat dit in gebruik was genomen, de oude kerk en toren voor afbraak verkocht.

l06 oudekerk2
OUDE KERK AAN DE DORPSSTRAAT II


Het orgel, door Prins Willem V en de door het volk zoo geliefde Prinses Willemijntje aan de kerk geschonken, werd door den Koning aan de kerk te Beekbergen gegeven, waar het nog altijd in gebruik is. De marmeren buste van Admiraal van Kinsbergen werd in de vestibule van het Raadhuis geplaatst. Zijn stoffelijk overschot werd overgebracht naar de Nieuwe Kerk te Amsterdam.
Hier in en om deze kerk werd, gedurende vele eeuwen, ons voorgeslacht begraven. Hier gold het van vele familiegraven: „stof, door eeuwen saamgelezen‚ houdt hetzelfde graf bewaard".
Het ruimen der eigen graven geschiedde des nachts onder toezicht van Burgemeester van Rhemen, en velen werden overgebracht naar de begraafplaats aan de Loolaan, welke door de gemeente in 1825 is aangelegd en in 1923, dus na bijna een eeuw, is gesloten.
Wonderlijke tegenstelling en beeld der vergankelijkheid van al het aardsche! Hier op deze zelfde plek, die eeuwenlang geheiligd was door kerk en kerhof‚ hier, op de graven van het voorgeslacht, dansten de nakomelingen met kermis en jaarmarkt!

„Dan woelde en krioelde het alles dooreen.

En aan lijden en sterven, daaraan dacht er geen!"

Met deze kerk verdween het oudste en schoonste gebouw uit het hart van Apeldoorn, en velen hebben het later betreurd en betreuren nog het verlies van dezen eersten tempel.

l07 oudekerk3

OUDE KERK AAN DE DORPSSTRAAT III


Daar, waar de Paschlaan op de Hoofdstraat komt, stond vroeger een oude kapel, aan Sint Antonie gewijd.
Deze kapel bestond reeds lang vóór de Reformatie hier ter plaatse, getuige ook de groote kruisen. welke dak en torentje versierden, en welke, dank zij de verdraagzaamheid der bevolking, door alle tijden zijn blijven staan.
Zij was gesticht door de vrome broeders van het Sint Antonie-Gasthuis te Arnhem. en diende voor het opnemen en verplegen van zieke en uitgeputte reizigers en pelgrims.
Dit gebouw ging in 1590, gelijk met de oude Mariakerk, over aan de Hervormden. In het begin der zeventiende eeuw was het waarschijnlijk eigendom der Diakonie.,want in het archief van dat college berust nog een instructie voor de ‚.dorpschoolmeister”, tevens koster der kerk, waarin hem wordt opgedragen het schoonhouden van de kapel, het maken der
glasruiten, die door de jongens nog al eens stuk werden gegooid, en het reinigen van de stoep en omgeving van den duivenmest, omdat deze vogels in groote vluchten den zolder bewoonden.
Vermoedelijk bracht dit eigendom niet veel voordeel aan de Diakonie, en werd het, wegens hoogen ouderdom, zoo bouwvallig, dat de kosten van onderhoud meer bedroegen dan de opbrengst.
In die dagen waren onze voorouders nog niet zoo zuinig op oude monumenten en de tegenwoordige subsidies van Rijk en Provincie bestonden nog niet. Dus werd dit schilderachtige gebouw, dat de eeuwen heugde, en een sieraad was voor de landelijke omgeving, in het laatst van 1700 afgebroken.
De herberg van denzelfden naam, welke er tegenover aan de Dorpsstraat stond, bleef nog een eeuw gespaard, en van beiden is de herinnering nog in de Kapelstraat bewaard gebleven.
Wat zou het in dezen tijd een kostelijk gebouw zijn geweest, om ons plaatselijk Museum Falua in te herbergen,  een waar juweeltje van bouwkunst en historie.

l08 sintantoniekapel
DE SINT-ANTONIE-KAPEL


OUDE KERK LOOLAAN
(Afgebrand in 1890)

Toen in de eerste helft van de vorige eeuw Z.M. Koning Willem I het besluit genomen werd, om aan de Nederl. Hervormde Gemeente te Apeldoorn en het Loo een nieuw kerkgebouw te schenken, werd de plaats waar dat gebouw zou verrijzen, lang niet door allen goedgekeurt, zoo geheel buiten het dorp, terwijl er in het dorp toch ruimte genoeg was.

Neen‚ dat was niet goed te praten. Alleen de reden, dat  zij voor de bewoners van het Loo beter gelegen kwam te staan, was te bllijken, want de naam der gemeente was toch van ouds: Ned. Hervormde Gemeente te Apeldoorn en het Loo. En ook daarom besloot de Koning tot die plek, en achteraf gezien, was er ook geen schooner en beter plaats te vinden.
De bouwgrond, toen nog woest en ledig, werd aangekocht, de plaats waar nu de kerk met beide pastoriën en Irene staan, met omliggende kerkeboschjes, kostte, alles te zamen, de luttele som van f 300,-, zegge drie honderd gulden, toen een hooge prijs, omdat het voor den Koning was.
De plannen werden ontworpen door den architect Springer van Amsterdam en de bouw werd opgedragen aan den aannemer G. van Berkum te Arnhem.
De eerste steen werd gelegd op dan tweeden Mei 1840 en de inwijding had plaats op den víjfden Juni 1842.
Ds. A. Roelofs, de eenige predikant toentertijd, hield de feestrede naar aanleiding van Mattheus 21 vers 13.
Koning Willem I, die intusschen den achtsten October 1840 afstand van de regeering had gedaan, was met zijn gemalin. Prinses Marianne, en Prins Albert van Pruisen, bij de inwijding tegenwoordig.
Deze kerk was een waarlijk vorstelijk en laatste geschenk van den eersten Koning aan zijn geliefd Apeldoorn.
Op 12 December 1844 overleed de grijze Vorst te Berlijn, waar hij vertoefde, en werd te Delft begraven.
De Hervormde Gemeente was blijde en trotsch met dit prachtige gebouw, hetwelk een sieraad was van ons dorp.
Van buiten was het eenvoudig, in eenigszins Griekschen stijl opgetrokken. De hoofdingang. naar de zijde van het Loo,  bestond uit een fronton. gedragen door vier kloeke pilaren; de ramen waren rondbogen en het dak werd in het midden gekroond door een houten toren met luidklok en uurwerk.
Van binnen was het een indrukwekkende ruimte in kruisvorm, zonder gaanderíjen. met ronde_ of tongewelven. Het dak werd gedragen door vier maal vier zware Corintische zuilen.
Een sieraad der kerk was het prachtige orgel, geheel in wit met goud, en versierd met reuzengroote bazuin-blazende engelen.
Van dit orgel werd beweerd (gelijk van meerdere orgels in ons land), dat het het schoonste was, behalve het beroemde orgel in Haarlem.
De Koningsbank en preekstoel weren deftig. doch eenvoudig, met sobere versiering, van eikenhout.

l09 oudekerkloolaan
OUDE KERK LOOLAAN


PASTORIE AAN DE LOOLAAN

Dit gebouw werd in 1852 gesticht en, zooals de gevelsteen vermeldt, door belangstellende christenen aan de Hervormde Gemeente aangeboden.
In de jaren 1863 tot 1867 woonde hier Ds. L. Schouten, een man, die zich tot levenstaak gesteld had, om de Joodsche tabernakel‚ zooals die in dan Bijbel beschreven wordt. natuurgetrouw, na te bootsen. Wat hem ook, ten koste van veel geld en inspanning‚ wonder goed gelukte.
Alles werd gemaakt op één tiende van de ware grootte. Zand liet hij komen van Sinai, kemelsharen weefsels van de Bedouînen uit die streken. Alle versierselen waren van zuiver goud. zelfs de twaalf edelsteenen In den borstlap van den Hoogepriester waren echt.
In dienzelfden tijd woonde hier in Apeldoorn een eenvoudig man, doch een kunstenaar, bedreeven in het houtsnijden en schilderen, de heer Arie Lieman. Aan deze werd opgedragen het teekenen en uit hout snijden van alle benoodigde figuren, zooals Priesters, Levieten, mannen en vrouwen uit het volk, de offerdieren, enz. Zoo ontstond een waar kunstwerk, waar men van heinde en ver, zelfs uit het buitenland, kwam zien.
In de pastorie werd een groote zaal gebouwd en ingericht voor de tentoonstelling van deze tabernakel, die, na het vertrek van Ds. Schouten, ook voor Apeldoorn verloren ging. Echter, na het overlijden van Ds. Schouten, werd dit kunstwerk aangekocht voor het Bijbelsch Museum te Amsterdam. waar het nog steeds het middelpunt is van vele Bijbelsche oudheden, jaarlijks door duizenden wordt bezichtigd.
Deze pastorie herinnert ook aan de episode uit den schoolstrijd, die in de jaren 1878, tengevolge van de Onderwijswet-Kappeyne‚ vele gemoederen van voor- en tegentanders in heftige beweging bracht.
Op voorstel van Dr. Kuyper, Jhr. Mr. de Savornin Lohman en Mr. Baron de Geer van Jutphaas, werd een volkspetionnement op touw gezet, dat in vijf dagen tijds door ruim 300.000 protestanten geteekend werd. De Roomschen hadden nog 164.000 handteekenlngen.
Dit petitionnement werd den Koning aangeboden door vertegenwoordigers van alle provinciën, onder voorzitterschap van Jhr. Elout van Soeterwoude.
Op 3 Augustus, 's middags om 2 uur, werd het gezelschap. bestaande uit 25 heeren, door den Koning in de blauwe kamer ontvangen.
Ieder van de leden droeg voor den eigen provincie een deel van het smeekschrift en keerde, na zijn taak volbracht te hebben, naar de pastorie terug.
Dien dag waren de oogen van duizenden op deze mannen gevestigd en stond de Apeldoornsche pastorie in de belangstelling van geheel Nederland.

RUINE VAN DE AFGEBRANDE KERK

Van 1842 tot 1890, dus bijna een halve eeuw, mocht dit gebouw der gemeente tot een bedehuis zijn.
Toen, als een donderslag uit helderen hemel, trof, op het onverwachtst, der gemeente een zware slag, door het geheel verbranden van deze kerk. Toentertijd werd bij brand de klok van het Gemeentehuis geluid, en bij brand in de nabijheid ook die van de kerk.
Op Zaterdag, 30 Maart 1890, des middags om half twee, worden de omwonenden opgeschrikt door klokgelui en liepen, zooals gewoonlijk, naar buiten, met de vraag: „Waar is de brand?"
Maar niemand wist het te zeggen. De klok bleef luiden, lang en luide, en eindelijk werd ontdekt, dat de brand in de kerk zelf woedde, en dat koster Geurts, die de klok geluid had, op het dertig-meter-hooge zinken dak was gevlucht, in gezelschap van den loodgieter A. Westerink. Beiden, hoewel goede klimmers, was het onmogelijk, naar beneden te komen, daar
de binnentrap, die naar den toren leidde, al in brand stond. Zij, en nog meerderen, hadden beproefd om het begin van brand met emmers water te blusschen, doch tevergeefs. Aan blusschen was, wegens de groote hoogte en het primitieve der spuiten, niet meer te denken. Toen volgden spannende en angstige oogenblikken, want er waren menschenlevens in gevaar. Allerlei ladders werden aangesleept, aangebonden, opgezet, maar alles tevergeefs. Geen was er lang of sterk genoeg om de dakgoot te bereiken. Tot dat eindelijk, toen de nood op het hoogst was, een paar ladders van het Paleis het Loo en den aannemer Geurden werden aangebracht, die door aanbinden de gewenschte hoogte bereikten, en waardoor de beide mannen uit hun hachelijke positie gered werden. Een juichkreet steeg op uit de duizendkoppige menigte, toen de redding volbracht was.
De brand was ontstaan door onvoorzichtigheid der loodgieters, die met het dak aan het repareeren waren en den vuurpot onbeheerd hadden laten staan. Alle werklieden, ook eenige timmerlieden, hadden hun werk verlaten, om getuige te zijn van de teraardebestelling van een werkman, die op gewelddadige wijze van het leven beroofd was.
Een leerling, de z.g. potjongen, was tot bewaking achtergelaten, maar was ook even later, gelijk al de anderen, naar beneden gegaan. De brand, zooals er in Apeldoorn nog nooit een geweest was, bleef intusschen, aangewakkerd door een noord-westen stormwind. met ontzettende kracht voortwoeden, en, kort na de redding der menschen. begon de klok, nu niet door menschenhand bewogen, maar door de geweldige luchtdruk van den wind in beweging gebracht, voor het laatst te luiden, en viel toen, met toren en al, met denderend geweld naar beneden.
Van de inmiddels gesmolten klok bleef niets over dan eenige stukjes vreemd gevormd metaal; van de kerk niets dan eenige kale muren en pilaren, welke, vooral bij maanlicht, een spookachtigen aanblik vertoonden.

l10 ruineafgebrandekerk
RUINE VAN DE AFGEBRANDE KERK


De dag daarop zou juist in deze kerk het Avondmaal gehouden worden, ook ten behoeve van een groot aantal nieuwe lidmaten.
Alles stond in gereedheid, behalve het zilveren avondmaalstel, hetwelk bij Ds. C. Hattink bewaard werd en daardoor gelukkig behouden bleef. Dit stel bestaat, behalve uit zilveren schotels. borden en kannen, uit vier zware bekers, waarvan twee prachtig geciseleerd en gedreven en geschonken door Jacobus Krajenhoff. predikant te Apeldoorn, Jacobus ten Hove en Jan Derksen Witteveen, Diakens, Anno 1738.
De andere bekers, schotel en borden zijn van gemeenteleden, uit de jaren 1825 en 1826.
Niet alleen om de waarde aan edel metaal, of de kunstwaarde, maar bovenal om de herinnering, aan deze bekers verbonden, was het tot groote blijdschap der gemeente, dat deze schat behouden bleef.
Hieruit toch hebben drie Koningen en Koninginnen, Vorsten, Stadhouders en Prinsen gedronken, aanzittende met de eenvoudigste broeder en zusters van ons volk.
Ruim een jaar later, op den zestienden Juli 1891, werd de eerste steen gelegd van het tegenwoordig kerkgebouw door de jeugdige Koningin Wilhelmina, en verrees de kerk, gelijk een phoenix uit haar asch, op dezelfde plaats.
Apeldoorn kwam, na vele jaren, weer in het bezit van een echten, steenen toren.

OUDE ROOMSCH-KATHOLIEKE KERK

Deze stond ter zelfder plaatse aan de Hoofdstraat, waar nu de Parochiekerk „Onze Lieve Vrouwe ten Hemel-Opneming" staat. De oude pastorie, bij deze kerk behoorende, staat er nog altijd.
Door uitbreiding ook van de Roomsch-Katholieke bevolking, ontstond er groote behoefte aan een eigen kerkgebouw, waar tot dien tijd (1846), de geloovigen in een klein lokaal, ook daar in de nabijheid, vergaderden, en ook velen uit deze gemeente naar Vaassen ter kerke gingen.
In genoemd jaar werd deze eerste kerk gesticht, vooral ook met steun van de Gravin van Nassau, de tweede gemalin van Koning Willem I.
Het was een eenvoudig, maar vriendelijk gebouw met houten toren, een echte dorpskerk.
Bij deze kerk liep de Wormenscheweg (toen er nog geen spoor of station was) op de Dorpsstraat en ging ook vandaar langs de Nagelpoel, de binnenweg naar Beekbergen.
Tegenover de kerk vond men toen meest eenvoudige boerenhuizen, waarvan een enkele zelfs nog met den achterkant naar den weg stond.
Hier ongeveer was wel het einde van het dorp naar die zijde, want vandaar tot Beekbergen stond maar een enkel huis, o.a. „de Kleppe", net voor den tegenwoordigen overweg, waar de menschen toen nog geen last van hadden.
Van de groote „voorstad“ Wormen was toen nog niet veel te zien.
Ruim een halve eeuw geleden, woonde daar, bij de kerk, een algemeen bekende persoonlijkheid, één van de drie Apeldoornsche oudgedienden, die de tocht van Napoleon naar Rusland hadden medegemaakt.
Het was een reuzengestalte, een eerwaardige grijsaard met langen, witten baard, gekleed in een langen kurassiersmantel, bij alle menschen en vooral bij de dorpsjeugd bekend als de „oude Parsie", een vriendelijk, maar zonderling man en een echt type van dien tijd.
Hij en de klok uit den houten toren, wanneer die luidde, trokken altijd als iets bijzonders, de aandacht van jong en oud.
Deze dorpskerk werd afgebroken in 1896, om plaats te maken voor de tegenwoordige, welke gebouwd werd onder Pastoor B. F. W. Terschouw, door den Apeldoornschen aannemer Chris Wegerif.
Architect was de heer Boermans uit Arnhem.
Reeds in1901 werd dit gebouw vergroot en verfraaid door niemand minder dan den beroemden bouwmeester Cuypers, terwijl de aannemers Pluim en van Gielien uit Leeuwarden voor de uitvoering zorgden.
l11 roomskatholiekekerk
OUDE ROOMSCH-KATHOLIEKE KERK


DE HOEK VAN ’T DERP

Zoo werd van ouds de plek genoemd, waar de hoofdwegen naar Deventer, Zutphen en Amersfoort elkander kruisten.
Hier stond de oude dorpsherberg „De Leeuw" onder den lindeboom, een echt, oud, Geldersch boerenhuis met rieten dak, van 1621.
Daarbij een houten schuur of doorrit, om de doorgaande wagens en rijtuigen te stallen. Het huis stond in een laagte, of de weg was in den loop der jaren zóó opgehoogd, dat het verschil ongeveer een meter bedroeg.
Vóór de afbraak werd dit huis lange jaren bewoond door de familie Schimmel en daarnaast stond een ander oud gebouw met vier woningen, waarvan het dak zoo laag was, dat de jongens de ijskegels met de hand van de pannen konden breken, terwijl een man van gewone lengte al bukkende de deur in moest.
Dit huis was bekend als het huis van Simon, waar de stamvader van de familie de Jong woonde, een van de eerste en weinige Israëlieten in deze gemeente.
Aan de andere zijde der straat, hoek Korenstraat, staat nog hetzelfde huis‚ hoewel geheel verbouwd, als voor een paar eeuwen.
in 1744 was het een van de weinige heerenhuizen, welke hier stonden, thans het winkelhuis door de familie Hardonk bewoond, gedurende ongeveer een halve eeuw.
Dit kruispunt was reeds sedert eeuwen het tooneel van druk verkeer, op marktdagen en vooral op de aloude kermisdagen, beginnende den derden Maandag in October. Dan stond en liep de straat vandaar tot aan de Kostersbrug zóó vol, dat er bijna niet door was te komen. Daar waren de liedjeszangers en kunstenmakers en daar dansten de boeren en boerinnen van de „heugte”. uit Uddel en Elspeet.
En toch liep de zaak ook zonder verkeersagent meestal zonder ongelukken af, Toen waren de menschen heel wat gemoedelijker en kalmer dan in den tegenwoordigen tijd. Het oude huis van Schimmel stond er tot het jaar 1895 en werd toen vervangen door het moderne winkelhuis van den heer ten Cate.

l12 hoekdorp
DE HOEK VAN ’T DERP


POORTJE AAN DEN SPRENGENWEG

Aan den Sprengenweg, ter hoogte waar deze nu door den Badhuisweg gesneden wordt, stond vroeger, een vijftig jaar geleden, een oud boerenhuis, met laag rieten dak‚ onder hooge beukenboomen. Zoo waren er vele in die dagen.
Om dat huis heen liep een hooge beukenheg‚ zooals er ook vele waren, en in die heg (en dat was een bijzonderheid), was een toegangspoortje. gevormd door een paar reuzen-beenderen of walvisch-kieuwen. zooals de menschen elkaar vertelden.
Ze waren zóó groot, dat de grootste mannen elkaar met gemak konden passeeren. De grijs-groene kleur was in volkomen harmonie met de oude heg‚ die deze beenderen als in knoestige armen omvatte. Het geheel deed in merkwaardigheid en schoonheid zeker niet onder voor menig stadspoortje in oud-Hollandschen stijl.
De vraag rees wel eens op: „Hoe kwamen die reuzenbeenderen daar terecht?" want voorheen was Apeldoorn noch door spoor, noch door water, met andere plaatsen verbonden, en moest alles per as vervoerd worden.
Wel is bekend, dat in de zeventiende eeuw de walvischvangst in Holland bloeide en dat de walvischvaarders wel eens van die groote beenderen meebrachten, maar die werden meest aan de zeekusten gelaten.
Dat die zoover het ‚.binnenland" werden ingevoerd zal wel zelden zijn voorgekomen.
Het was althans één van de merkwaardigheden uit die dagen, toen de Apeldoornsche menschen nog niet veel gewoon waren. Zelfs nú zou dit poortje nog veel bekijks hebben gehad.
Waar zijn die beenderen gebleven, toen omstreeks 1897 het oude huis werd afgebroken?

l13 poortjesprengenweg
POORTJE AAN DEN SPRENGENWEG


OUDE SCHUUR AAN DEN SPRENGENWEG

Deze schuur stond vooraan den Sprengenweg en was grooter dan de meeste woonhuizen. Zij was tevens bestemd voor bakkerij.
De groote inrij-deuren waren gemaakt van één der wijzerborden van de afgebroken oude kerk en toren aan de Dorpsstraat, thans Raadhuisplein.
De cijfers waren hierop zeer dik aangebracht en nog duidelijk zichtbaar.
Deze deuren waren zoo groot, dat een volle hooiwagen er gemakkelijk kan binnen rijden.
Behalve koeien, paarden en varkens, was in deze schuur ook jarenlang de postkar op Zutphen gestationeerd.
Het was nog in de dagen vóór 1876, toen er nog geen spoorweg in Apeldoorn bestond, dat de post met karren en bode naar verschillende plaatsen gezonden werd. Deze postkarren waren lichte voertuigen, enkel een sterke waterdichte bak, versierd met het koninklijke wapen tusschen twee wielen en daar bovenop de postiljon, geheel onbeschut tegen koude, regen en wind. Het was geen gemakkelijk baantje!
De postiljons waren over het algemeen sterke, vroolijke menschen en groote vrienden van het jonge volkje, dat vaak een eindje mee mocht rijden en zelfs wel eens op den posthoorn mocht blazen.
Op de postkar naar Amersfoort waren altijd twee personen. Welgewapend met geladen pistolen ging de reis de lange berg op en de bosschen in. Groote geldswaarden werden hiermede vaak verzonden.
Op den morgen van den Tweeden Kerstdag van het jaar 1862 was deze postkar vóór in de Soerensche bosschen ingesneeuwd en gingen honderd man uit Apeldoorn om kar en paard uit te graven.
De oude schuur werd in 1895 afgebroken en verrees daar ter plaatse een moderne stalhouderij.

l14 oudeschuursprengenweg
OUDE SCHUUR AAN DEN SPRENGENWEG


HET HUIS ,,TE LOO”
(Hoek Sprengenweg – Loolaan)

Dit huis, genoemd naar de familie, die er meer dan zestig jaren woonde en er eigenaar van was, werd gebouwd in het jaar 1842, toen op het Marktplein de oude Hervormde kerk werd afgebroken. Een deel der bouwstoffen waren van die kerk afkomstig.
Het was het type van een voor dien tijd moderne winkelbetimmering, waaraan men duidelijk zien kon, dat het een winkelhuis was. Wel geen spiegelruiten (die bestonden toen nog niet), maar toch al groote ramen en glazen deuren.
De Sprengenweg, een smalle zandweg, die toen nog geen naam had, was toch de toegangsweg naar den Nieuwen Enk, want de Badhuisweg was toen nog maar een eenvoudig pad. het z.g. „Kerkpad“, smal en bij avond zoo donker. dat het bijna onbegaanbaar was. En ten overvloede liep dat pad achter ,,burgemeisters bussien", het tegenwoordige Beekpark, waar het niet ‘’zuuver” was, en volgens geloofwaardig getuigenis wel eens aardig kon spoken. Een smal wegje liep, vanaf dit huis (aan de overzijde der straat) naar de Schapenmarkt, welke aan het einde van den tegenwoordigen Parkweg, op een open ruimte, onder zwaar geboomte, gehouden werd. Honderden, ja duizenden heideschapen, van de geheele Veluwe, in groote kudden tezamen gebracht, werden hier jaarlijks, vooral om kermistijd (October) verhandeld.
Terzijde van deze schapenmarkt stond een touwslagerij en een houten huisje of wapenmagazijn, waar Dupont, één van de oudstrijders van Napoleon, de geweren van de Koninklijke Scherpschutters van de Veluwe bewaarde en poetste. Vaak was daar een kinderschare om hem heen, want hij was, als vele oudgedienden, een kindervriend, en een goed verteller.
Op een morgen waren, helaas, de touwslagerij en het huisje afgebrand en de kinderen hebben hun Vriend Dupont nooit weergezien.
Ook de schapenmarkt is, na de verdeeling der markgronden‚ langzamerhand verloopen en opgeheven. In het huis Te Loo is, sedert den bouw, in l842‚ tot op heden, onafgebroken een bakkerij gevestigd.
Het is in 1893 afgebroken en geheel vernieuwd.

l15 huisteloo
HET HUIS ,,TE LOO”


HET OUDE NOTARISHUIS

Hiermede wordt niet bedoeld het tegenwoordig huis der Notarissen aan de Stationsstraat. maar het aloude huis, waar meer dan drie geslachten van dezelfde familie gewoond en gewerkt hebben.
Vóór meer dan honderd jaren woonde hier de dorpsdokter, de stamvader der familie, en na hem zoon en kleinzoon, de notarissen, welke sedert hun vestiging, van het toen nog kleine Apeldoorn zeker meer dan de helft gekocht en verkocht hebben.
Het Notarìshuis is zeker wel één van de bekendste en ook van de belangrijkste dorpshuizen. en stond meestal, vooral in die dagen. in het middelpunt der belangstelling van burgers en boeren.
Toen toch was de notaris niet allen verkooper van vaste en losse goederen, doch ook bankier en geldschieter, voorts financieel raadsman van klein en groot.
De notaris was toen „de bank" voor velen. Toen kenden de meeste menschen nog geen banken, dan alleen die om op te zitten.
Er werd nog heel wat geld in de bekende „oude kous" bewaard, liever dan het tegen rente uit te leenen.
Het oude Notarishuis was eenvoudig, maar daardoor schoon, in de toen nog landelijke omgeving. Het was de woonplaats van mannen, die de opkomst en bloei van Apeldoorn vanaf het begin hebben medegemaakt.
Toentertijd kenden de dominé,  de dokter en de notaris geheel Apeldoorn van binnen en van buiten en werden door allen gekend.
Het oude huis stond ter plaatse‚ waar nu nog de familie Walter woont en werd, vóór een halve eeuw, vervangen door de tegenwoordige villa.
l16 oudenotarishuis
HET OUDE NOTARISHUIS


HET DOKTERSHUIS

Tegenover het Notarishuis, daar waar nu de Paul Krugerstraat op de Hoofdstraat komt, stond vroeger „het Doktershuis".
Er waren, een halve eeuw geleden, al wel drie dokters in Apeldoorn, behalve een paar rustende geneesheeren, maar elk hunner was „de dokter", specialiteit in het behandelen van alle ziekten en kwalen, die de menschheid konden treffen.
Geen oog-, neus- of oorarts, zelfs geen tandarts, was er in deze landpalen woonachtig. Alleen „een dokter" was voldoende, omdat die, meestal met den besten uitslag, alle onderdeelen der geneeskunde beoefende, en die in de dagen van de „kruudmoes", zooals de menschen zeiden, zeer weinig te doen had.
In dit huis woonde lange jaren Dokter Vermeulen, die niet alleen dokter, maar ook het eerste en eenigste raadslid der rechterzijde in onze gemeente was. Zelden, en dan nog alleen voor groote afstanden en in spoedeischende gevallen, maakte hij gebruik van een dokterskoetsje.
Meestal ging hij zijn patiënten, al wandelende, bezoeken, een gezonde sport, die in onze dagen van snelverkeer, niet veel meer beoefend wordt, doch toen niet vreemd was, waar vele menschen niet alleen naar Deventer per voet ter markt gingen, maar zelfs wel naar Arnhem heen en terug liepen.
Het doktershuis moest plaats maken bij den aanleg van de Paul Krugerstraat en vele doktershuizen zijn er sedert verrezen.

l17 doktershuis
HET DOKTERSHUIS


HET OUDSTE GEMEENTEHUIS
,,Het Hert“


In de dagen, toen Apeldoorn nog een klein  heide-dorpje was had het zelfs geen Gemeentehuis.
Wèl een Bu rgemeester en wèl een Gemeenteraad‚ al was die dan maar heel klein. En ook al een raadszaal waar de vroede vaderen mochten vergaderen.
Deze zaal was gelegen boven de aloude dorpsherberg, genaamd „Het Hert", en die stond ter plaatse waar nu het fietspad uit het Beekpark op de Hoofdstraat komt. Deze gelegenheid was niet groot, maar het dorp was ook nog klein. De jaarlijksche begrooting vermeldde dan ook maar een klein bedrag, als we weten, dat nog bij menschenheugenis volgens het getuigenis van ons oudste Raadslid, een wethouder van Apeldoorn tot een Raadslid van Beekbergen zei: „Gart Jan, noe weet ik niet meer, woar het noa toe mot, de gemeente hef van 't joar zeuventien duuzend gulden ekost“!
De overlevering zegt niet, of de Raadsleden toen de onderverdìeping als koffiekamer gebruikten.
Ook voor de paartjes, die gingen aanteekenen of trouwen, was het een goede pleisterplaats, en zeker wel voor hun ontvangst ingericht.
„Het Hert" verloor na den bouw van het nieuwe Raadhuis zijn bestemming en werd toen ingericht als bakkerij. Hier woonde de oude Roeterdink, totdat het voor een halve eeuw werd afgebroken.

l18 oudstegemeentehuis
HET OUDSTE GEMEENTEHUIS


HET OUDE GEMEENTEHUIS

Dit gebouw werd gesticht ter plaatse, waar de oude Hervormde Kerk aan de Dorpsstraat gestaan heeft.
Bouwmeester was de heer A. Lieze, en de eerste steen werd gelegd door Burgemeester van Rhemen, op den één-en-dertigsten Maart van het jaar1842.
Dit jaar was een belangrijke gebeurtenis, want van nu aan zetelde het bestuur onzer gemeente in een eigen huis, waar het zich tot dusver had moeten behelpen met de bovenzaal van de herberg „Het Hert".
Het was voor die dagen een groot en schitterend gebouw, waarvan de hooge stoep en de zware pilaren wel het meest de aandacht trokken.
„De blauwe stoep opgaan” beteekende voor heel wat jonge paartjes, om er als man en vrouw weer af te komen.

Van toen af begon Apeldoorn eerst mee te tellen onder de Geldersche gemeenten. Ook het Kantongerecht was in dit gebouw gevestigd.
Het Gemeentehuis en het daarvoor gelegen Marktplein werden het middelpunt, waar het volk bij bijzondere gelegenheden samenkwam.
Deze plek was de hartader onzer gemeente, gelijk de Dam dit voor Amsterdam is.
Hier werd, op den avond van ’s Konings verjaardag, 19 Februari 1863, de eerste gaspit ontstoken, of liever, „getracht" deze te ontsteken, door Burgemeester D. Bas Backer.
Aan het einde van een boeiende rede sprak de Burgemeester, onder ademlooze stilte, de bekende woorden uit het scheppingsverhaal: „Er zij licht!", draaide aan een kraantje, en...… het bleef pikdonker!

Groote consternatie, maar geen nood! De vlugge eigenaar-directeur van de Gasfabriek, Douwes de Boer, klom in dan lantaarnpaal. blies en veegde aan den vleermuisbrander, de Burgemeester draaide nog eens en…… het licht straalde (was ten minste zichtbaar) over het geheele Marktplein, en werd met een oorverdoovend gejubel begroet.
Apeldoorn was een moderne lichtbron rijk geworden en veertig lantaarnpalen werden geplaatst over het geheele dorp en het Loo.

Alle feesten en optochten, welke in den loop der tijden plaats hadden, gingen van deze plek uit, vorstelijke personen werden op deze plaats ontvangen en gehuldigd, totdat dit eerst zoo groote Raadhuis te klein bleek voor de steeds groeiende gemeente en in het jaar 1898 vervangen werd door het tegenwoordige gebouw.
Als een bijzonderheid gold ook de kleine gevangenis, welke in het benedengedeelte van het oude Gemeentehuis gevestigd was, en waarvan verteld werd, dat de gevangenen (meestal stroopers en vechters) het bij moeder Slijkhuis en haar zoon Jaap nog beter hadden en meer vrijheid genoten dan in eigen huis.

l19 oudegemeentehuis
HET OUDE GEMEENTEHUIS


VAN HUUT’S HUIS

Daar, waar de Nieuwstraat op de Hoofdstraat komt, en waar nu ,,De Bordelaise" de deuren openzet, stond een heel oud, typisch winkelhuis. een echte, ouderwetsche dorpswinkel, waaraan men van buiten niet kan zien, wat er van binnen te koop was.
Aan den eenen kant een kruidenierswinkel, waar men ook potten‚ pannen en klompen kon koopen en aan de andere zijde een woonhuis.
Een bordje met  ,,Vergunning" werd niet gevonden. Dat was in die dagen niet noodig; in bijna iederen winkel, zoo ook hier, werden wijn, likeur en sterke drank verkocht, tot zelfs op alle boeren-erfhuizen, waar zoowel de tapper als de bakker tegenwoordig waren.
Dit huis werd volgens de overlevering vroeger gebouwd en gebruikt als het eerste postkantoor te Apeldoorn. Eén van de oude, karakteristieke lindeboomen werd jarenlang gebruikt als lantaarnpaal.
Een ijzeren beugel met hanglantaarn was om den stam bevestigd.
Wat een verandering, ook in de straatverlichting! Toen een onnoozel oliepitje en nu een schittering van gas en electriciteit!
Al prijzen wij den vooruitgang van heden, toch betreuren wij ’t verlies van zooveel eenvoud en kalmte, die, met het oliepitje, uit onze samenleving verdwenen zijn.
Het kelderluik‚ vlak aan de straat, was altijd een gevaarlijk plekje voor de spelende straatjeugd. Want, die kelder was diep en geheimzinnig.
Het oude winkelhuis moest plaats maken voor een groot modem gebouw‚ een paleis in vergelijking bij het vorige; het wordt nog altijd bewoond door de nazaten van de oude familie van Huut.

l20 vanhuutshuis
VAN HUUT’S HUIS


’T KLAPHEKKE

Vroeger, en nog in het laatst der vorige eeuw, hadden hier in Apeldoorn de meeste huizen een naam, terwijl de weinige wegen het toen maar zonder naam moesten stellen.
Huisnummers kende men toen nog in het geheel niet. De plaatsaanduiding was meest: „die en die, wonende in of nabij de Zalm", „de "Neterkeet" of „de Prins". Ook hadden de meeste menschen, behalve hun eigen, ook een bijnaam, waaronder zij het beste bekend waren.
't Klaphekke was een huis van den deftigen burgerstand en was het stamhuis voor een familie van wethouders, kerkvoogden en notabelen der gemeente. Maar ook hier zaten in de groote keuken, op oud-Hollandsche manier, baas en knecht om het haardvuur geschaard en ging alles nog op aartsvaderlijke manier toe.
In de groote schuur en achter werd sedert overoude tijden het timmermansbedrijf uitgeoefend.
Ook werd veel voor het Paleis het Loo gemaakt. Dagelijks werden boomen. ook uit de Soerensche bosschen, op de ouderwetsche manier tot planken gezaagd met een zoogenaamde kraanzaag, waarbij een man de kanthakker, bovenop en één onder een stellage stond.
Het was een zware en tijdroovende arbeid, waardoor in die dagen weinig werkloosheid heerschte, toen geen machine- of cirkelzagen, geen stoom of electriciteit, maar gestadige arbeid, alleen onderbroken door de weersgesteldheid, een weliswaar sober, doch vast loon opleverde en vrij brandhout.
De plaats. waar dit huis stond, was Nieuwstraat hoek Badhuisweg, toen Kerkpad.
Het werd einde 1800 afgebroken en door een moderner huis, zonder naam, vervangen.

l21 klaphekke
’T KLAPHEKKE


HET OUDE POSTKANTOOR AAN DE DEVENTERSTRAAT


in het jaar 1864 werd door de gemeente een stuk weiland aangekocht, door bemiddeling van den Burgemeester, P. M. Tutein Nolthenius en voor marktplein bestemd.
Het z.g. nieuwe marktplein werd aan de westzijde bebouwd met koffiehuizen, zooals de Poort van Kleef en aan de oostzijde met een dameskostschool.
Op den hoek Deventerweg verrees een voor die dagen monumentaal gebouw, het Rijkspostkantoor met directeurswoning. Een gebouw waaraan groote behoefte bestond, want het postverkeer was in Apeldoorn sterk toegenomen sedert 1830. Toen was er, behalve de posthouder van Blommestein slechts één besteller, D. Drostery.
In 1864, toen het nieuwe kantoor geopend werd, waren er, behalve de directeur Gallee, niet minder dan 9 bestellers en boden, ook voor de buitendorpen en -buurten, behalve de postkarren op Deventer, Zutphen en Amersfoort etc. De postpakketdìenst. telefoon en postspaarbank zijn instellingen van veel later jaren.
Tegenover het postkantoor stond een oud gebouw met de zijde naar de straat. Hier was de algemeen bekende slijterij en bierhandel van den heer Piet van de Water gevestigd. Ook dit gebouw, met het rietendak en de groote achter- of inrijdeuren, herinnerde aan lang vervlogen tijden.
Van hier liep een smal pad tusschen tuin- en bouwland door naar de schapenmarkt en Groote Kerk.
Het telegraaf-kantoor was in die dagen een afzonderlijke inrichting, waarvoor de weinige belanghebbenden van jaar tot jaar een vaste opbrengst aan het Rijk moesten garandeeren.
Apeldoorn‘s groote opkomst en groei is zeker wel het best te zien, als men het postkantoor van toen vergelijkt met het enorme verkeer van thans. '

l22 postkantoor
HET OUDE POSTKANTOOR AAN DE DEVENTERSTRAAT


DE MORIAAN


Dicht in de nabijheid van het riviertje de Grift, aan den weg van Apeldoorn naar Deventer, stond een gebouw, wellicht de oudste herberg of pleisterplaats van het dorp.
Want, volgens de overlevering, bestond Apeldoorn in het allereerste begin, toen de Friezen uit het Noorden. de Franken uit het Zuiden en de Saksen uit het Oosten, het land bevolkten, uit twee nederzettingen of hoeven, de eene bij het Ritbroek of Ridderbroek, en de andere aan de Grift.
De Veluwe was het landschap, met de plek Apeldoorn als een middelpunt, waar deze volksstammen elkander ontmoetten en hier werd voor het eerst de scheidingslijn door grenspalen getrokken.
De Moriaan was niet in de eerste plaats een herberg, maar een pleisterplaats voor doorgaande reizigers, waar deze ook konden overnachten. Van hier vertrokken ook de diligences en wagens op Deventer, Zutphen en Arnhem en hiertegenover waren ook de stallen en schuren van den laatsten postmeester ten Hove, die voor postpaarden en postiljon zorgde, als bespanning van eigen koetsen van deftige reizigers, en die op deze wijze in dien tijd in een soort snelverkeer voorzag. Bij een reis naar Amsterdam of Den Haag bleven de reizigers in hetzelfde voertuig zitten, maar kregen op vaste afstanden, b.v. aan de Woeste Hoeve of Milligen, andere paarden. Op deze wijze reisden ook de leden van het Stadhouderlijk of Koninklijk Huis.
De Moriaan is, in het begin dezer eeuw, nog met een vleugel vergroot en als hotel ingericht, en in 1915 door de gemeente aangekocht van den toenmaligen eigenaar, den heer Buwalda, en werd nog eenige jaren, tijdens den grooten woningnood, voor volkshuisvesting gebruikt.
Daarna werd het oude en het nieuwe gesloopt, zoodat de eene steen niet op den anderen bleef.
Op de plaats, waar eeuw aan eeuw de alom bekende Moriaan stond, zijn nu eenige villa's verrezen. Zelfs de naam is niet meer bewaard gebleven door straat of weg.

l23 moriaan
DE MORIAAN


DE BRINKLAAN


Deze is, met de Loolaan, één der oudste lanen van het boomrijke Apeldoorn, en was vroeger ook één der mooiste.
De ouderdom blijkt ook wel uit het woord „Brink", waarmede een open ruimte, omgeven met geboomte en huizen, wordt aangeduid, zooals men die in vele Drentsche dorpen tegenwoordig nog aantreft.
Deze laan schijnt in de vorige eeuw niet verder geloopen te hebben dan tot het eind van het eerste, rechte gedeelte, dus tot aan de beek, waar men de papiermolen van de van Riessen's en den korenmolen van Boks had. Deze plek heette van ouds „het Slop", hetwelk beteekende een doodloopende weg of straat.
Tot hiertoe liep de gebaande weg en de boombeplanting, en verder waarschijnlijk een zandwegje, tot de toenmalige nog heel eenvoudige en kleine buurtschap „de Eendracht", thans gegroeid tot een groot dorp op zichzelf en sterk uitgebreid, na de stichting van de oude papiermolen van de Pannekoek's, thans, sedert 1869, de grootsche Koninklijke Papier-
fabriek der Firma Van Gelder Zonen.
Deze laan was tot 1872 beplant met twee rijen eeuwenoude zware beukenboomen. Toen werden die boomen, het sieraad van Apeldoorn. verkocht om te worden omgehouwen.
Meerdere adressen aan den Gemeenteraad, om het behoud van die laan, mochten niet baten en de boomen, het eigendom van de Ordermark. werden aan de bijl van den houthakker overgeleverd.
Spoedig daarop ging de grond aan de gemeente over.
Zij liet deze laan met iepenboomen beplanten, die, in zeer korten tijd, weer een schitterende laan vormden, en circa een halve eeuw bleven staan.
Toen bleek het, dat deze boomen te zwaar werden van kroon en te zwak van wortel, om op den nogal zachten bodem staande te blijven. Bij een vernieuwing van den weg werden ook deze iepen vervangen door de jonge lindeboomen van thans.
Op deze laan had tot circa 1870 nog een oud volksgebruik plaats.
Daar kwamen de z.g. St. Steffenrijders (naar St. Stephanus, 26 December) te zamen.
Deze rijders waren meest boerenknechts uit den omtrek, gekleed in Zondagspak met hoogen hoed en, evenals hun paarden, omhangen met gekleurde linten en strikken.
Zij brachten, aldus uitgedost, een bezoek aan de notabelen van het dorp en bovenal aan hun uitverkorenen onder de vrouwelijke jeugd. Ook de hardrijderij op dien dag, werd op deze laan gehouden.
Huize Rustenberg, een oude buitenplaats, stond op de plek, waar nu de (Geref.) Zuiderkerk en meerdere huizen staan.
Deze naam leeft voort in de Rustenburgerstraat, vroeger de Krommehoek.
l24 brinklaan
DE BRINKLAAN


DE OUDE DORPSSTRAAT


Staande daar, waar nu de Kapelstraat en de Paschlaan op de Hoofdstraat komen, en dan met het gezicht naar het Noorden, zag men vóór ongeveer een halve eeuw heel iets anders dan tegenwoordig.
Op den Achtergrond het logement ,,De Arend”van de Weduwe van Lunteren, later Hotel van den Burg, met daaraan de doorrit met bovenzaal voor alle publieke vermakelijkheden.
Daarnaast het huis van de klokkenmaker en de herberg ,,De Kapel”.
Bij het logement ,,De Arend”behoorde ook de tegenoverliggende tuin met de eeuwenoude kastanjebomen, waar bij feestelijke gelegenheden en des zomersavonds concert gegevenb werd door ,,De Harmonie”. Zoo ook het achterliggende Tivoli, met een handboogschutterij ,,Doelen Koning Willem III”, later in 1879 veranderd in Sociëteit en verplaatst naar het Oranjepark.
Schuin tegenover dan Arend, een paar huizen dorpwaarts, stond een kleine woning waarin een een nederig maar belangrijk persoon woonde, de dorps-trommelslager Jozef Pira, die alleen zijn talenten ten bate gaf in tijden van nood, wanneer er brand woedde.
Want behalve met klokgelui werd de brandweer opgeroepen met trommelslag. Het voordeel hiervan was, dat de man beter dan de klok vertellen kon, waar de brand was.
De straatjeugd vormde om hem de eerewacht.
Het huis op den voorgrond was de bakkerswinkel van G. Roeterink‚ ter plaatse waar nu de bakkerij van Vonk is.
De Paschlaan bestond toen nog niet en is eerst in 1876 aangelegd.
l25 oudedorpsstraat
DE OUDE DORPSSTRAAT


HENNEMANS MEULE



Aan den Waterlooscheweg staat nog een huis, dat den naam van ‚,Waterloo" draagt en den naam aan dien weg gegeven heeft.
Maar er stond, tot voor weinige jaren, nog een veel ouder huis naast, uit het begin der zeventiende eeuw, hetwelk door ouderdom en schilderachtigheid veler aandacht trok.
Dit huis heette ‚‚Hennemans Meule" en was één der oudste papiermakershuizen uit deze streken. Het was het woonhuis van vele papiermakersgeslachten. In dergelijke woningen vestigden zich in Gelderland, en vooral op de hooge Veluwe met zijn vele sprengen, deze lui.
Het waren toen nog gaan ‚‚fabrikanten", doch eenvoudige papiermakers, van die stoere werkers, die zelf, met hun kinderen, de handen uit e mouwen wisten te steken, en, met behulp van meer of minder personeel, „het volk", de geheele papiermakerij op zoo'n hoog peil
brachten. dat het Geldersche, en in het bijzonder het Apeldoornsche papier ver buiten de landsgrenzen bekend en beroemd was.
In zulk een huis woonde „Marten Orgen", de ,,oldste” papiermaker van Gelderland.
Deze nijverheid bloeide tot in het laatst der vorige eeuw, toen de stoom en de machine het oude handwerk verdrongen, en de zoo mooie ‚,Hennemans Meule" werd afgebroken.
Het rieten dak, de ruitjes van glas in lood en de eigenaardige bouwstijl, vormden te zamen een schoone schilderij in ons heerlijke Geldersche landschap.

l26 hennemansmeule
HENNEMANS MEULE



HET EERSTE ZIEKENHUIS

Dit stond ter plaatse van het tegenwoordige aan den Sprengenweg.
Reeds in 1864 werd er door Burgemeester P. M. Tutein Nolthenius, den oude, in een vergadering van ingezetenen, met nadruk gewezen op het gemis van een ziekeninrichtìng, vooral voor behoeftigen.
Tot dien tijd moesten de zwaarste operaties bij de patiënten aan huis en soms onder de ongelukkigste omstandigheden gebeuren.
Hoewel men algemeen overtuigd was van de behoefte en de zaak door de toenmalige doktoren met warmte werd gesteund, moest de uitvoering nog een twintigtal jaren achterwege blijven, wegens gemis aan de noodige financiën.
De menschen wisten toen nog niet, dat men voor een algemeen-nuttige en zoo noodzakelijke zaak ook bij de Gemeente mocht aankloppen. Dit bleef zoo, totdat zich in 1884 een commissie vormde, bestaande uit de heeren J. E. Claringbould, Dr. A. Zaayer, Ds. C. F. Gronemeijer, Jhr. Mr. G. W. Mollerus en S. J. de Rooy, om tot stichting van een ziekenhuis te geraken.
Nadat Notaris Walter een stuk land ten geschenke had gegeven en meerdere ingezetenen een gift ineens of een jaarlijksche bijdrage hadden toegezegd, werd tot de oprichting van een eenvoudig gebouw, niet meer dan twee maal vier bedden bevattend, besloten.
Eenvoudig, ja, maar welk een rust en schoonheid, verscholen tusschen welig plantsoen, spraken uit dit kleine gebouw! Net een land- of rusthuisje met den monumentalen ingang, waarboven het jaartal 1886. Toen nog geen directrice of verplegende zusters; alleen het echtpaar Albers zorgde voor geheel het gezin en de verpleging.
Toen dit gebouw er eenmaal stond bleek het al spoedig te klein te zijn, ook door den sterken aanwas der gemeentelijke bevolking.
Na herhaalde verbouwing werd het een groot complex van gebouwen en ingericht naar de eischen des tijds, met een eigen directeur-geneesheer en een schare van bekwame verpleegsters, zoodat het kan wedijveren met de beste zieknhuizen in onze provincie en een weldaad is voor de lijdende menschheid. Met het Ziekenhuis is ook de  Sprengenweg gegroeid van een landweggetje tot één van de breedste en mooiste wandelwegen van Apeldoorn.

l27 eersteziekhuis
HET EERSTE ZIEKENHUIS



HOUTJES HUIS

Daar, waar nu het vriendelijk complex staat, het z.g. .‚Houtjes-dorp", stond voorheen een boerenhuis met omliggende landerijen, het type van een echte Geldersche boerenwonìng, zooals er vele in dezen omtrek stonden of nog staan, verscholen tusschen opgaand geboomte en gelegen vlak aan den heiderand.
Dit was één van de plaatsen, die door noesten arbeid op de heide ontgonnen waren, waar de bewoners dus naast en van de heide leefden.
Toen de verschillende markgronden nog niet verdeeld waren, was in deze streken de schapenteelt een voornaam middel van bestaan. En de schapenmest‚ vermengd met heideplaggen, diende als de eenige, doch wel wat zuinige bemesting van het bouwland, waarop aardappels, rogge en boekweit verbouwd werden.
Het was voor den boer in die dagen, toen de kunstmest nog niet bekend was, een sober bestaan met harden arbeid. Maar vrij, als een vogel in de lucht, leefde daar een stoer en krachtig geslacht, dat ook voor zijn kinderen plaats genoeg vond. om zich zelfstandig te vestigen. De heide was groot en de markgronden hadden luttele waarde.
De laatste bewoner dezer plaats was een zekere Houtjes, een stille, eigenaardige man, die bekend stond als „in goeden doen” te zijn. Het huis was afgelegen en op een morgen ontdekte men, dat een misdadige hand een eind aan het leven van dezen eenvoudigen man had gemaakt. Een schot, van buiten door het raam van de keuken gelost, herinnerde aan de
rooverbenden, die vroeger de Veluwe onveilig maakten.
Het huis werd afgebroken.
Nu spelen de kinderen van Houtjesdorp op de plaats, waar vroeger Houtjes huis stond.

l28 houtjeshuis
HOUTJES HUIS


OUDE ARMENHUIZEN

Dit blok huizen bestond uit 16 woningen, waarvan één bestemd voor bakkerij ten behoeve der armen. Zij waren het eigendom der Hervormde Diakonie, en stonden aan den Sprengenweg hoek Badhuisweg, beiden smalle zandwegen, die toen ten tijde zelfs nog geen naam hadden. Deze woningen waren bestemd voor een of twee personen, meest ouden van dagen, die behalve vrij wonen, ook een kleine toelage in geld, kleeding en brandstoffen ontvingen. Zooals de naam aanduidt, waren het echte huizen der armen, klein, sober en armoedig, doch de oudjes daarin wonende waren over het algemeen niet ontevreden, dank zij de groote vrijheid, welke zij daar mochten genieten. Een ieder had een bleekveldje of bloementuintje voor de deur, en achter het huis een lapje bouwgrond, hetwelk ook aan anderen afgestaan of verhuurd mocht worden. Door de dichte samenwoning vormden allen als het ware één groot gezin. Zomersavonds en ook des daags zaten de meesten hunner voor de deur onder de Iindeboomen en ontvingen dan bezoek van familie en vrienden.
Van buiten leken de oude armenhuizen schilderachtig en het leven daarin vrij en onbezorgd, maar bij nadere beschouwing ontbrak er veel aan om daar een menschwaardig leven te leiden. Het groote gebrek was dat de menschen geen verzorging hadden in tijden van nood en ziekte,
geen dagelijksche hulp voor afgeleefde stumpers. Dit was dan ook de reden, waarom de Kerkeraad der Herv. Gemeente in 1898 besloot om het oude Mannen- en Vrouwenhuis aan den Soerenscheweg te stichten, hetwelk den 22en Augustus van het volgende jaar in gebruik werd genomen.
De oude armenhuizen werden voor afbraak verkocht, en op de plaats, waar zoo vele geslachten kwamen en gingen, zijn moderne huizen en villa‘s verezen. Alleen de oude gemeenschappelijke pomp is overgebleven, zij  staat daar altijd nog als een herinnering aan een mooi stukje verdwenen oud-Apeldoorn.

l29 oudearmenhuizen
OUDE ARMENHUIZEN

BOERDERIJ VAN PRINSES MARIANNE


In het dorp Apeldoorn zelf is in de laatste halve eeuw veel schoons en schilderachtigs verloren gegaan door afbraak van de meeste oude huizen, en het bebouwen van landelijke plekjes en tuinen.
Van Het Loo kan het tegendeel gezegd worden. We bedoelen hiermede het Koninklijk Paleis, met park en omgeving. Hier toch is de laatste vijftig jaren niet veel van het oude verdwenen, doch onder de regering van H. M. Koningin Wilhelmina wel heel veel verfraaid door restauratie en nieuwbouw, zooals het geheele paleisgebouw, de Koninklijke stallen en het kasteel Oude Loo.
Toch is ook hier een enkel gebouw onder sloopershanden gevallen en wel de boerderij van Prinses Marianne.
Toen zij, de dochter van Z. M. Koning Willem I, na 1813, met haar Ouders het Loo bewoonde, werd voor haar deze boerderij gebouwd, welke gedreven werd door het echtpaar van Loenen, reeds onder Koning Lodewijk Napoleon op het Paleis aangesteld, en in één der zijgebouwen woonachtig.
De jeugdige prinses, die bij allen zeer geliefd was, vertoefde dagelijks op de boerderij en hielp zelf met de melkerij en het maken van boter en kaas.
Zij droeg het juk met emmers, gevuld met schuimende melk, uit de weide naar de boerderij, en had daarbij de Hollandsche schort voor en de Hollandsche klompen aan.
Haar huwelijk met Prins Albert van Pruisen, in October 1830, maakte een einde aan haar verblijf op het Loo, maar de boerderij bleef haar eigendom en bewoond door van Loenen.
Van toen aan werd deze boerderij een geliefkoosd plekje van de Apeldoornsche burgerij, want vóór of na een wandeling in het schoone park, vond men hier gelegenheid om melk of thee, en ook pannekoeken te gebruiken; families of gezelschappen mochten ook zelf de thee en suiker medebrengen en moeder van Loenen zorgde dan, voor een luttel bedrag, voor het theegoed en een ouderwetsche theestoof met een ketel kokend water. Het was een heerlijk zitje op de groene weide, aan een helder beekje, onder hoog geboomte.
Velen hebben het betreurd, dat moeder van Loenen, wegens zeer hoogen leeftijd, deze plaats moest verlaten en In 1886 deze schilderachtige boerderij waar zooveel herinneringen voor de Apeldoornsche burgerij verbonden waren‚ werd afgebroken, om plaats te maken voor de villa van den chef-bloemist.