17 - 05 - 2022
IJsvogel Oktober 2018 (Nel Appelmelk)
Artikelindex
Bezoekers teller vanaf de 16de december 2018
VandaagVandaag93
GisterenGisteren97
Deze weekDeze week190
Deze maandDeze maand1499
Alle dagenAlle dagen102329
Taal/ Language/ Langue /Sprache

In 1948 heeft de bekende Apeldoornse historicus Jacob Moerman een onderzoek gepubliceerd over de plaatsnamen van de Oost Veluwe. Het werk was moeilijk toegankelijk en na een aanwijzing van een bevriende cultuurhistoricus heb ik besloten om het werk te transcriberen en zo algemeen toegankelijk te maken.

 

PLAATSNAMEN VAN DE OOST-VELUWE

DOOR

H. J. MOERMAN

Nomina Geographica Neerlandica. 1948

Vooraf een antwoord op de vraag, waarom alleen het Oosten van de Veluwe ter sprake komt. Omdat gebruik gemaakt kon worden van gegevens uit het archief van het kasteel de Kannenburch te Vasen (berustend in het museum Felua te Apeldoorn). Ze hebben, betrekking op de streek van  Apeldoorn tot Heerde en werden aangevuld met gegevens uit copieën van de verpondingsregisters van 1649 en 1742 voor het ambt Apeldoorn, afschriften van enige markeboeken (o.a. die van Lieren en Wormingen) en aantekeningen uit het archief van het Kapittel van St. Marie te Utrecht 1).

Een andere reden ligt in mijn belangstelling voor het vraagstuk, in hoeverre een Saksische invloed, een van „over de IJsel” komende invloed, in deze IJselstreek valt waar te nemen in de plaatsnamen; hiervoor is het verzamelen van gegevens een eerste eis 2).

Uit de grote voorraad namen moest een keuze worden gedaan. Een belangrijk deel viel weg omdat er weinig of niets uit te leren viel. Andere namen wekten het vermoeden, dat ze waarde konden hebben, voor philologen of voor vergelijkend enonderzoek over het hele land. Zo nodig is verwezen naar litteratuur, die verklaart of verder helpt. Tenslotte waren er namen waarin nieuwe verklaringen besloten liggen of die enig licht werpen op reeds bestaande maar nog niet voldoende vaststaande verklaringen. De stof bracht het dus mee dat de behandeling der gegevens ongelijkmatig is geworden.

De aan de oostrand der Veluwsche heuvels gelegen dorpenrij van Loenen tot en met Epe behoorde in de 16e eeuw tot de kerspelen Loenen, Beekbergen, Apeldoorn, Vasen en Epe.

1) Ik was zo gelukkig gebruik te kunnen maken van door wijlen W.C. L. Sanders, mijn broer J. D. Moerman en Mr. J. L. Rijndorp jr. te Apeldoorn gedurende geruime tijd verzamelde gegevens, maar moet afzien van verwijzing naar afzonderlijke stukken.
2) Plaatsnamen op -ink in het Oosten van Nederland, TAG. 62(1945) 53 Slicher van Bath, Mensch en land in de Middeleeuwen, dl II (1944) hoofdstuk V.

p03 kaart2

Kaart van een deel van de Ooste-Veluwe. Schaal 1 : 200.000 overeenkomende met een deel der vakken F p en q 74-77 van de dialectgengrafische grondkaart van Kloeke.

In veel vroeger tijd behoorden Vasen en Epe tot de parochie Heerde, die naar het noorden zelfs Hattem omvatte, en in 1176 is gesplits 1). Zuidelijker moet vroeger ook een uitgestrekt kerspel hebben gelegen, want volgens het register der verpondingen van 1649 betaalde het ,‚wildvorsters guet" te Loenen jaarlijks een roggegift aan de koster te Hal en aan de pastoor te Wichmond. De kerk te Hal, aan Sint-Ludger gewijd, was een kerk van het klooster Werden aan de Ruhr, terwijl Ludger zelf, de abt van Werden, ìn 802 de kerk ‚,in Witmundi” had gesticht 2).

In deze kerspelen lagen van ouds talrijke buurschappen; voorzover het beheer van de gronden geregeld was, waren ze in marken georganiseerd.

Enige marken bestonden geheel of voor een groot deel uit bos, zoals de Engelander of Bruchcler holtmarke in het kerspel Beekbergen.  Het was Ludger, die in 801 een deel in het bos Braclog ontving‚”in villa Englundi" 3).

Deze streek is een stuk lJselvlakte, maar biedt in het landschap velerlei verschillen; bossen en heiden wisselen elkaar af, er zijn hoger gelegen delen met roggeland, dat vaak in enken bijeenligt‚ en lage, vlakke weilanden langs de weteringen en beekjes (bijna alle door de mens gegraven); op de heivelden plassen (vlessen) en veentjes, in de broeklanden bizonder moerasige delen of zompen. Ook de mensen verschillen: langs de heuvels „zandhazen", meer naar de rivier langs de weteringen ‚‚broekmannen" en langs de IJsel, in de streek der wat hogere oeverwallen‚ met hun boomgaarden, weer een ander slag mensen.

I. Kerspel Loenen

Hier lagen de buurschappen Loenen en Zilven (in 1649 Sylwolden, in 838 Suluenda; vgl. NGN. III 293). In 1742 worden hier de volgende namen van percelen genoemd: Beusenacker 4), Bylacker 5), Blick 6), Draaffacker 7),

1) Sloet, Oorkondenb. Gelre No. 339.
2) Sloet No. 23 Over de kerk te Hal Sloet No. 45‚ aantekening.
3) Het bos bestond toen uit 12 delen. In de l6e eeuw telde het 14 delen, waarvan er waarschijnlijk 2 voor de erfholtrichter waren gereserveerd. In de marke van Empe had de eigenaar van het “hogehuis” 2 waren als geerfde, maar bovendien 2 waren als erfmarkenrichter (Wynandts van Resandt, Genealogie Van Hasselt, 63). Dat al die eeuwen door het aantal delen zo weinig veranderde, is m.i een aanwijzing ten gunste van de ouderdom der marken.
4) Beus =alg. ndl. boos; vgl. de lamilienanm Beuzekamp.
5) Waarschijnlijk naar de aan een bijl herinnerende vorm
6) Grasland. NGN. 7, 18
7) Vgl. Droevendaal bij Wageningen. Beekman en Moerman.  Ned. Aardr. namen (1938 27. Droef zal de betekenis van treurig, slecht hebben.
acker van Fidelletje, Goldacker 1), Haeck 2), Hese 3), Hollenboom‚ Horst 4), Kienacker, Cortevooren, Cruysacker, Loogboomsacker, Nagelcamp 5),
Rouwe veen 6), Snippen gleute 7), Spanhaut 8)‚ Strampacker 9), Vrijenbergh. De Cruysacker staat op naam van Harm Passer. Hoe deze naam ontstond, blijkt elders: ‚,De Pas 10) bewoont door Passer Bessel".

II. Kerspel Beekbergen

Men vond hier vier marken: de reeds genoemde Engelander en Brucheler holtmarke. de Spelder holtmarke, de Lierder en de Ugcheler marke.  In de Lierder marke lagen de buurtschappen Beekbergen en Oosterhuizen.

De Uchtelerberg wordt in l243 vermeld, omstreeks 1330 komt een Metta van Uchtelen voor, in de 16e eeuw vindt men Oechclen‚ Ochgelen en Uchelen (Sloet No 636, Van Doorninck, Schatting enz. 34). Thans wordt de u van Uchelen en Bruchelen uitgesproken als de u van het Eng. cup. Of het woord Uchtelen samenhangt met uchte, nachtweide, zoals Jellinghaus onderstelt‚ laat ik in het midden 11).

In 1565 is sprake van de gemene erfgenamen van “Lyrermercte unde Spilremerkt”. De eerste buurschap, Lieren, heet in 1408 Lederen of Pedelic. Een ogenblik rees het vermoeden of ze genoemd is naar een lie(de)‚ lede of waterloop, die nu Leigraaf heet. Het Westlandse dorp De Lier ligt aan de Lierdijk, in de Middeleeuwen Leyderdte. Er was hier een waterloop, die reeds vroeg Lierd heet, later ook Lier, Lee en Leewatering 12). De vraag is nu: is de waternaam Lier de oorspronkelijke of is hij afgeleid van of samengesteld met lie(de)‚ door middel van een achtervoegsel, een tweede substantief, of een naamvalsuitgang.

1) Naar de vruchtbaarheid. Vgl. Gulden bodem enz.
2) Naar de vorm.
3) Hees. bos NGN 7, 10; zie ook beneden, kerspel Apeldoorn.
4) Hoogte, met hout begroeide hoogte (NGN. 7, 5).
5) Mogelijk le vergelijken met Nagelpoel (NGN. 7,24) en dan afgeleid van (n)echel of bloedzuiger.
6) Ruwe veen, evenals het Overijselsche Rouveen.
7) Misschien verschrijving voor glente‚ afrastering‚ afscheiding (NGN. 7, 40).
8) Vgl. hieronder.
9) Een stramp is een boomstomp, een stobbe.
l0) Bos van laag hout elzen wilgen enz. Zie NGN. 7, 35.
11) Westfr. Ortsn. l65.
12) Gcschiedk. Atlas. Holland enz. in 1300 tekst 11, 22, 23.

Dat dit Lier, evenals Lier hij Antwerpen, “van onzekere betekenis” is, volgens Mansion, was een reden, om nog enkele verwante namen te zoeken en verder de zaak aan meer deskundigen over te laten 1). Er is hij Zwolle een buurschap Liederholthuis, in 1643 Lyrholthuizen. ln l346 en 1491 wordt hier een Lierrebroec of Lyrebroeck genoemd, dat later ook Leerebrouck en Lirerbrouck wordt gespeld 2). In Drente ligt een Leerbroek 3); een ander Leerbroek ligt in Zuidholland bij Leerdam (vroeger Lederdam, Leyderdam, Lyrdam), met het huis Ter Lede, waarvan de naam dam in de Lede betekent; volgens Van der Aa was deze Lede een rechter zijtakje van de Linge 4). Leer in Oostfriesland (in 890 Hlerí) wordt echter als een Friese vorm van het Saksische laar (weide, bosweide enz.) aangezien 5).

Ten W. van Beekbergen ligt nu nog het bos Spelderholt 6). In het Engelanderholt vergaderde vroeger op het Herenhul de hoogste rechtbank der Veluwe 7)‚ Afzonderlijk wordt nog genoemd een bos Malckenschoten (l543) of Marktschaten (1551), dat in l85l, toen het Malkenschoten heette, grotendeels verdeeld was 8). Een deel van de Lierder marke heette het

Schalter. In de Lierder marke lag een moerassig bos, dat in 1648 en l675 het Wout wordt genoemd. In 1860 is het „alom bekende en beroemde Beckbergerwoud" (zo schrijft het markeboek) verkocht en geveld. Delen van dit bos waren o.a. het Reytger (rietgoor?), de Groote Hars bij de Zomp, het Wezenboomsboschje (genoemd naar wezeboom, een boom om het hooi op een wagen bijeen te houden 9)), het Rijzenhouw‚ het Boerelt‚ het Snappenstroo en het Rooknest 10).

In het verpondingsregister van 1742 worden in Lieren en Engeland nog genoemd: Boerpoll, Dell, Dellacker‚ Dwarsfluyt‚ Eiervooren, Evertsberg, Grijselandt, Helle, Hollewegh‚ Cortenbosch, Cortevoorn‚ Crayenest‚ Cruys ackres, Rakhorst en Smittenbergh.

1) Voornaamste bestanddeelen etc. 96.
2) Uit de geschiedenis van Heino ‘Overijselsch Dagblad 1931—'32‚ 5).
3) NGN. 5. 9.
4) NGN 3‚ l64, 345; Van der Aa: 7, l07.
5) Jellinghaus: Westf. Ortsn. 83 Abels. 0rtsnamen des Emslandes 55.
6) In Tecklenburg een Speller wold 1465 bij K. Baassen. Wald und Bauerntum (1940) 135. Bij Lingen een dorp Spelle in 890 Spinoloha volgens ]ellinghaus 134.
7) Van Riemsdijk, De Hooge Bank van het Veluwsche Landgericht enz. (1874). Vermoedelijk is de Uchtelerberg‚ van 1243, waar dan een heymal wordt gehouden. niet de,tegenwoordige Uchelsche berg, maar het Herenhul.
8) In 1515 werd het de erfgenoten van Liere markt verboden om schapen te hoeden in Weterschate ol Blarenschaten. Ze mochten geen turf slaan op Engelander veen, Moller en Schippeler. Schot (dat. plur. schoten : algeperkte ruimte, inzonderheid voor vee. (Mansion Bestanddeelen etc 144.
9) Bezoen, Album-Baader (1939) 99 (“Weesboom”).  Wees is weide (NGN. 7, 18). Een Oostn. voorbeeld naast Wezembeek Mansion. Voorn‚ best. 175 is de Wezebeek bij Almeloo.
10) Levende Natuur 1939. 311.

Het in 1649 genoemde St.-Huyberts erve is wel het erve, dat in 1523 Steven to Engelant guedt heette en door hertog arel van Gelre aan de St. Hubertus-vicarie in Apeldoorn werd geschonken.

Gallée merkte indertijd op, dat eng de betekenis van weide heeft, maar ook van akkerland, veld; hij voegde er bij: „wellicht ook in Engeland op de Veluwe". Nu is er op de Veluwe nog een Engeland, een streek in de buurschap Mullingen bij Oldebroek. Engen zijn op de Veluwe, en ook in een deel van Utrecht, de bijeengelegen akkers, die verder naar het N.O. essen heten. In Utrecht komt engelant in oudere stukken voor en wordt dan dikwijls tegenover nederlant of lege lant gesteld. Wanneer we lezen ,‚engelant, op Amerongsche Enge gelegen", dan is de betekenis bouwland aannemelijk.

W. de Vries noemt een Engeland bij Niekerk te Groningen, Westerkwartier, en verder bij Wormer in Noordholland, een eilandje in de Poel. In het bij Zalk, ten Z.O. van Kampen liggende Zalkerbroek heet een stuk weiland het Engeland. In de streek der essen vinden we een Engeland hij Dalfsen, Hardenberg en Ruinen en wel op plaatsen, waar de es niet ligt. Speculaties over deze naam en een verblijf der Angelen in onze streken laten we voor wat ze zijn 1).

Te Oosterhuízen vinden we in 1742 de volgende namen: Blecke 2). Boerpol, Broodacker‚ ’t Haselt”, Karkenoort‚ Kempeler, Coninxshorst‚ ‚,in Cornschoten op den Dalck", Craayacker‚ bij ’t Cruys. Cruysacker, Papenacker, Pas, Praastengrond, Princenacker. land aan de  Ruggewech‚ Schotacker, ’t Vrijelandt.

In 1525 werd bepaald, dat de erfgenoten der Lierder marke geen schapen mochten hoeden in het Engelander veen en „in die Korte Haer”. In 1579 mogen de schapen te Oosterhuizen niet gaan in groenlanden ‚‚uutgeseyt den Ouden Veen ende die Haer"; evenmin in het Loes langs de beek en het Waterschoten. Te Lieren mogen ze gaan ‚.over die Haer noch binnen die Haer (naest Blaerenschoten)”, noch op de maat „Stroot an Syenbrinck" 3).

Enkele malen worden in Lieren brinken genoemd. In l796 wordt afwijzend beschikt door het markebestuur op het verzoek om bij een papiermolen een hangschuur te mogen plaatsen op markegrond ‚,op den brink bij den molen".

1) Gallée. NGN. 3, 33l. De Vries, NGN. 10, 144. Mnl. Wdb‚ 2, 655, 657. Beekman Dijk- en Waterschapsrecht 595‚ 596. Van Iterson, De historische ontwikkeling van de rechten op de grond in Utrecht dl. I (1932) 2l5. Kapteyn. Saxo-Frisia 1939, 54.
2) Blecke: plaats waar eiken hakhout slaat of gestaan heeft (NGN. 7,19).
3) Haar: hoogte, met struikgewas begroeide plek (NGN. 7, 4). Strood: lage, vochtige, moerassige plek; de naam komt ook voor als stroet. stroo en stroe (NGN. 7, 16). Wilfundus de Struode (1296, Rijndorp. De hol van Sint Marie te Oene, Gelre 46, 6, Evert van Stroede (Schattingslijst plusm. 1330 dit is Stroe bij Barneveld).
In 1832 bakent men markegrond af om deze te verpachten en wijdt dan zijn aandacht ook aan de „brinken of gronden bij huizen gelegen". De betekenis van dit woord is: akkerrand‚ grasland bij beek of weg, rand om een hoeve, grasvlakte in of aan het dorp, grashelling, heuvel 1). Jellinghaus zet de betekenis heuvelrand, helling. heuvel voorop en noemt tenslotte: open plaats in dorp 2). Heuvel beschreef uitmuntend de Achterhoekse brink en zijn sfeer: een groene ruimte achter het erf, omringd door schuren en zaadbergen, waar onder het geboomte het pluimvee rondliep 3).

Het gebruik van dit woord is beperkt tot de streek van Mecklenburg-Pommeren tot Drente en de Veluwe, met een uitloper naar Gooiland. Brink is voor mij. met es (enk) en tie (dat later ter sprake komt) een der meest typerende bestanddelen van de Saksische plaatsnamen.

In 1832 worden zandstuivingen in de Líerder marke genoemd bij een plaats de Kipse, tussen de Woeste Hoeve en Beekbergen. ln 1872 wordt in deze marke bos verdeeld hij het Wipseler. In het O. van de marke, over de Beekbergense beek, lag een brug, die op oude kaarten Deurvaart heet, in een oude weg Arnhem-Deventer. In 1830 heet deze brug Deurvoorder brug en in 1834 Deurvoetsbrug; ze is blijkbaar genoemd naar een voorde of doorwaadbare plek 4). Vreemd is het, dat op de Topografische kaart ten N.O. van de Woeste Hoeve in de heide een plaats Rijsvoorde ligt. De gesteldheid van het terrein wijst er niet op, dat hier vroeger een hoek of een vochtige plek bestond. Mogelijk is het een migratienaam.

In 1515 wordt in Lieren de Vermelìcker Elst genoemd, een elzenhos dat genoemd zal zijn naar het erve of de daarop wonende boer Vermelick of Warmelinck (de naam is afgeleid van de voornaam Warmold). Dit erve heette ook Praestgoed, omdat het aan de proosdij te Deventer behoorde.

In 1819 wordt een stuk land te Lieren in de Ganzenebbe genoemd, bij de sprengen, ten W. van het Uchelse kerkpad. Deze naam herinnert aan de in 1543 te Vasen voorkomende hoeve de Ganzenebbe (NGN 3, 104).

1) NGN. 3, 328.
2) Westfr. Ortsn. 35.
3) Oud-Achterhoeksch boerenleven 2e dr. (1927). 137 enz. Ned. Wdb. III 1395: hoge rand, groene plek bij of om een boerenhuis, of in een dorp.
4) Voord, voet: NGN. 7, 44; 8, 86.

Een deel van de enk te Uchelen is in 1740 in kaart gebracht door G.Verbeek. Het Burger Weeshuis te Arnhem had hier een bouwinge, de Wezenhof 1). Op de kaart vinden we o.a. de Toornacker, de Woert en de Vuylen acker. Torenakkers komen vaker voor. maar zijn ze naar een toren of naar doornen genoemd? 2).

III. Kerspel Apeldoorn

Hiertoe behoorden meerdere buurschappen, wier grondgebied de marken Wormingen‚ Orden, Noord-Apeldoorn, Wiesel en Wenum besloeg. ln Orden lagen de oudste erven ten dele in de buurschap Orden, bij “de Bos” of het Order bos, ten dele om de Brink, die thans opgenomen is in het tot een stad uitgroeiende Apeldoorn; de Brinklaan, ofschoon van veel jonger oorsprong, is er naar genoemd. Ook over Wormingen heeft Apeldoorn zich uitgebreid.

Toch zijn de oude hoeven, zoals Wormingerhof‚ Alwormingen of Brummelhof, Westeneng, Hees en Hulshof, nog wel terug te vinden. Maar de Worminger enk is, evenals de Ordense (Apeldoornse) Oude en Nieuwe enk versnipperd en met huizen bezet.

Bij de erve-naam Hees moeten we even stilstaan. Hees betekent bos, vermoedelijk van laag hout; hiervan is heest een afleiding 3). W. de Vries noemde het vermoeden van het Mnl. Wb.‚ dat heest oorspronkelijk kreupelhout of plantsoen zou betekenen, te onwaarschijnlijker omdat men te Deventer opper Horst woonde 4). De tegenwerping, dat deze Heest te Deventer op de Berg aldaar gelegen was, waar men inderdaad „op" woonde, heeft maar betrekkelijke waarde. Want te Zwolle, waar men geen duidelijke verheffingen van de bodem vindt, lag een were “opper Heest” 5). Maar deze twee plaatsen kunnen genoemd zijn naar een erve de Heest, en dan is “op” niet vreemd.

Overigens wordt in deze streken van “op” een ruim gebruik gemaakt. In mijn woonplaats ligt iemand niet in maar op het ziekenhuis.

1) Vermoedelijk is deze Wezenhof naar de Arnhemsche wezen genoemd. Minder waarschijnlijk (ook door de hoge ligging), is verband met wees of weide (dat in het boven reeds genoemd weesboom, wezeboom voorkomt). ln Zwolle ligt het Wezenland. en hier bezit het Zwolsche Weeshuis weidegronden. Maar het merkwaardige is, dat men in Zwolle wel wézen zegt maar Wezeland (W. Kloeke. Zwolsche Sketsies (1931)  134).
2) Toren- kan door volksetymologie uit Doren- (Doorn-) zijn ontstaan. Of er uit ontslaan zijn in neutra door de sandhi: opt dorenveld werd op 't torenveld. Zo vindt men in oude zuidndl. stukken: het dorenvelt, opt doreken, opt dorekensvelt; zie Lindemans, Hand. Comm. topon., en dialect. 5, 224 vv die de doormboom,  meidoorn. Crataegus oxyacantha als grensboom aanwijst. vgl. b.v. "boven sinte annenboem aen de doerne daer den savenschen weg doer gaat" (1440). Deze aanvulling dank ik aan Dr. Schönfeld.
3) NGN. 6, 10; 8, 85. 9, 1
4) NGN. 10‚ 139.
5) NGN. 8,85. Dat het ohd. heisi bos betekent, of tenminsle de naam van een bos is, blijkt uit een stuk van 796 over een ontginning, roding, bivanc, comprehensio te Heisingen, ten O. van Werden aan de Ruhr: “comprehensionem in silva que dicitur Heissi” : Lacomblet Urkh. Niederrhein I No. 6).

Ter plaatse van het station Apeldoorn (bij de watertoren) stond vroeger een scheídpaal van de Worminger marke. Daar lag een erfje de Tente; de naam moet betekenen ’t ende, want in 1776 is sprake van een stuk velds „agter 't eynde“ aan de Graft d.i. een deel van de hier nu onder de spoorlijn door lopende Kaayersbeek. In 1817 ligt een stuk veld bezijden de Tente, beginnend aan de scheiddoele 1).

Een ander bekend grenspunt was het ’s Grevenbergsken in het Z. van Wormingen, waar vier marken elkander raakten. Het was blijkens zijn bouw waarschijnlijk een grafheuvel. De naam hangt samen met graaf, en niet met graf, maar is niet duidelijk. Een gelijknamig heuveltje heeft gelegen in Vasen, bij de Rollekoet. In 1542 wordt door de hertog van Gelre vergunning gegeven aan Maarten van Rossum, heer van de Kannenburch, om een “garden” en een “boesem” (wijer of kolk) te maken voor een nieuwe watermolen bij des greven hoeelll (in 1557 genoemd Schrevenhoevel, in 1576 Screvenhoevell).

In 1633 liep de grens tussen de Engelander en Wormínger marke aldus van doel tot doel: van den Egerpoell (ook Egelpoel en later Nagelpoel) naar 's Grevenbergh, van daar op het Carhull en vervolgens op de Baeckbergh; op een kwestieuze plaats had men ter aanduiding „een knoep in een wechstruyck (jeneverbes of Juniperus?) geknipt"; blijkbaar is bedoeld: een knoop geknoopt (“geknapt”) in de buigzame takken van deze struik 2).

Grenstekens van Oostnederlandse marken waren struiken, bomen (laak- of kruisbomen), kuilen (kruiskuilen), heuveltjes (doelen) en bergskes, en stenen. In zuidelijker streken waren deze stenen gehouwen stenen, die paal, scheipaal enz. heetten. In ons gebied waren het in of op de bodem gevonden zwerfstenen. Ze worden in 1154 genoemd als grens tussen twee marken even over onze oostgrens bij Schüttoff in het Bentheimsche (“a saxis que duarum villarum Lone et Bakele marchias dividunt 3)).

In 1616 wordt in Wormingen de olde Swambeeck genoemd. een natuurlijk watertje, dat in de Nagelpoel uitliep, later mogelijk nog eenmaal voorkomt als Swanebeeck, en ouder was dan de grotendeels kunstmatig aangelegde molenbeken. De Zwanespreng, ook een jonge waterloop in deze streek is waarschijnlijk genoemd naar een herberg de Zwaan.

1) Een erve Tenthof ligt bij het Liederbroek ten W. van Heino.
2) Zie voor de akkergrens en de grenssteen in de Zuidned. dialecten een aardige studie van V. Verslege (Handelingen Commissie Topon. en Dialect. 18 (1944) 95-l05, met twee kaarten. Voor doele, laak, kruisboom enz. NGN. 7 36 en 39.
3) Oorkb. Sticht No. 409.

ln Wormingen worden in 1742 genoemd: Barnewinckel (“een stuk onlandts” 1)), Gaterkamp 2), Praabsdijenhoff, ‘t Reeschaten (waar twee morgen hooiland, het Orgelkampje genaamd, lagen) en Zuyrvelt. De ten O. van Wormingen gelegen marke het Woudhuis is daarvan vemoedelijk afgescheiden. De hof te Wormingen behoorde evenals meer erven in deze marke aan de proosdij te Deventer; de proost benoemde de holtrichter. Met de Praestmerck wordt echter niet de marke van Wormingen maar die van het Woudhuis bedoeld. In 1603 worden naast de erfgenamen van Beekbergen en Wormingen (die mede voor de IJseldijk te zorgen hadden) ook die van Praesmerck genoemd 3). In 1742 vinden we in het Woudhuis: land in de Ganzevles, Cortenbosch en Schuylenburgh.

In 1514 leest men van een stuk land, geheten de Gansevles, “suytwert gelegen aen der Schone Loecht”. Het is naar een vles of waterplas genoemd 4), terwijl Jacob op de Locht, die in de 18e eeuw voorkomt, wel genoemd zal zijn naar de Schone Loecht van 1514.

Volgens de verpondingsregisters van 1649 en 1742 lagen in Orden en het Dorp (Apeldoorn) de volgende percelen: het Berghuys, land aan den Brink, op de Dorper Enck en in de Dorper Mate, Driehuysen, Gansehals, Helt, Hellecamp. aan de Hellesteegh‚ aan ’t Hoge Cruys, aan Cortenbrinck, Lever ende Longh, Nydeecken, Ratelcamp, Ritbroek, Schelenbrinck, Sevenhuysen, 't Slop, Suikersteegh (naar een eigennaam Suiker), Tellingencamp‚ aan den Veelickenbergh, de Vleecken, Vliemencamp, tegens Vrouwenberghje, Vrouwengoor.

Berghuys was een erve, dat in 1404 ten Berghuys heet en in 1660 goet Berghuys in de buurtschap Orden, aan het Veen. Een erve Leeg Berghuys lag oostelijker, aan de straatweg van Apeldoorn naar Deventer. De Helle (of Christynengoed) was een erve ter hoogte van de tegenwoordige Tuinstraat te Apeldoorn; er is hier een duidelijke helling merkbaar.

1) Vermoedelijk een hoek waar “brand” gevonden werd. n.l. turf. In vele marken vindt men een Brand of een Brandveen. Barneveld (op de Veluwe) is een dorpsnaam; Barn een daarbij gelegen buurschap. Beide namen worden in verband gebracht met born, bron. Deze verklaring is mogelijk, maar staat niet geheel vast (NGN. 3. 328). Een Barneveld ligt ten NW. van Hellendoorn, op de grens met Raalte. Te Vasen heet een stuk grond de Barnt.
In de Ucheler marke was vroeger een Barneveldse weg, die niet naar het dorp Barneveld leidde, rnaar naar een uithoek van het veld. Ook dit ”blinde wegje” zal genoemd zijn naar brandstof òf naar heibrand.
2) Zerwold van def Gaetan ontvangt in 1335 land te Wenum (Nijhoff, Gedenkwaardigheden I, 352).
3) Nijhoff,  Reg. Arch. Hof van Gelre (1856) 24.
4) NGN. 7, 23; .8‚ 82; 10, 24.

Het heeft de betekenis lage streek, moeras, enz.; ook die van helling 1). Ook in ons geval blijft het moeilijk aan te tonen, welke betekenis bij de naamgeving gebruikt is. Lever ende Longh was‚ evenals de Cruysackers en de Blindhoorn, een tiendblok op de Apeldoornse enk; de naam is mij geheel duister, mogelijk heeft hij betrekking op de vorm. Nydeecken was een erve, dat vermoedelijk genoemd is naar een nieuw dak; in de IJselstreek zegt men nog wel van een huis met een nieuw stroodak dat het een nieë deek‘n kreeg.

Ritbroek was ook een erve, in de Schattinglijst van Van Doorninck (begin l4e eeuw) als Rìetbroec voorkomend.

Veelickenbergh en Vleecken kunnen samenhangen, al is de schrijfwijze nog al afwijkend. Toch is het veiliger de beide woorden uiteen te houden.

Veelickenbergh zou men kunnen vergelijken met Velikenmeden (in 1359 bij Elburg genoemd) en Velikengraven, een waterloop in het Liederbroek bij Zwolle (in 1389 des Veliken graven). Deze namen zijn afgeleid van een in deze streek welbekende familienaam Veleken, Veliken, die Velike 2). Een vleek'n of fleek’n is een soort mat van 1 1/2 bij 2 m, die bestaat uit 9 staken met vlechtwerk daar omheen, alles uit eikenhout. Ze dienden, en dienen nog wel, als brugdek en om het inzakken der brughoofden te voorkomen. Een oude fleek'n werd wel gebruikt als vliering in de hooischuur en kleinere fleek'ns dienden als „tuun" (afrastering) 3) en varkenshok. Ook ter versterking van dijken werden deze vlekene, vleken of vlakens gebruikt, zoals b.v. blijkt uit de dijkrechten van Vollenhove.

Bij het erve Wachteveld te Apeldoorn behoorde land, gelegen bij Onse Lieve Vrouwen Kerck ofte -bergsken. Het behoorde, evenals het Vrouwengoor, aan het Kapittel van Sint-Marie en is er dus naar genoemd; het lag bij het huidige Badhuis te Apeldoorn. Uit het archief van Sint-Marie verkreeg ik nog de volgende gegevens uit de 16e eeuw: den Rechtenhoff tot Apeldoorn, 't Hesevelt over de beeck (ad ortum bona Nydeken, ad septentrionem de Brinck), de Ganssebre (ad occasum Wachtevelts goet, 't Schelenbrinck (ad septentrionem viam dictam de Hacht), terra dicta de Grote Spen (ad ortam dat Kerckencampken, tho Apeldoorn, ad occasum die Schoonlocht‚ ad septentrionem die Cleyne Spen), Steencamp (vroeger Ganssevlesch, van de Ganssevlesch tot de Deventerweg).

1) Voor de betekenis van hel: Schönfeld, NT. 37 (1943)* 93 vv.
2) Velikenmeden: Van Engelen van der Veen, Gelre 24. 61. Velikengraven: Uit de geschiedenis van de marke en schoutampt van Heino (overdruk uit Ov. Dagblad 1931-'32).
3) Zulk een horde van vlechtwerk heette ook veke(n). “Unde die veken ader hecken telcken toedoende datter geen beesten in ader uth en loepen” (dit betreft land te Vemde bij Epe, 1601. In de marke van Epse moesten de boeren 's winters met het oog op dijkbreuk twee vekens, ieder met zes staken, gereed houden (1784). De Graaf, Uit Gorssels verleden (1926) 53). Vgl. NGN. 7‚ 45. Het voorbeeld Eekter feek moet echter vervallen. Deze naam, in een advertentie gevonden, kwam in later jaren niet terug en navraag ter plaatse leverde niets op dan de waarschijnlijkheid, dat feek een drukfout was en er Eekter beek had moeten staan. Over veken en fak Bezoen, Ts. Ned. T'. en L. 56 (1937) 225.

De Rechtehoff is dezelfde als de curtis in Apeldorne (1228) en de Apelderhave uit de l4de eeuw 1). Ook te Oene heette de hof van Sint-Marie de rechte hof.

p13 figuur

Vleken (naar afbeelding en inlichtingen van L. Reinders te Doornspijk, vroeger hoofd ener school te Kamper Nieuwstad)

In beide dorpen is de kerk gebouwd naast de hof en bijna zeker op grond van de hof 2). Rechte hof is dus de hof bij uitnemendheid, de meierhof ín grondheerlijk verband, te onderscheiden van andere hoven die dit niet zijn. Dat er in een marke meer hoven zijn, behoeft niet te pleiten tegen de grondheerlijke theorie der marken.

De bovengenoemde Spenne wordt omstreeks 1400 nieuw geslagen (verdeeld) land in de Apeldoornse marke genoemd. In 1752 vinden we zaailand in de Oude Enck bij Driehuysen, gelegen bij het “Pepercoecks ackertjen”.

1) NGN. 2, 15c. Sloet‚ oorkb 517.
2) Rijndorp, De hof van St. Marie te Oene (Gelre 46 37).

Een grenspunt tussen de marken van Orden en Uchelen werd gevormd door het Grietelse of Scherpen bergsken (kaart van Geelkerken van 1630), in 1689 Scherpenberchsken en ook Klíjbergh genoemd. Het is een der hoogten in het Order bos ten N. van de spoorlijn Apeldoorn-Amersfoort.

De lijn zelf loopt ongeveer ter plaatse van het Grietel.

In 1530 vergaderden de buren en erfgenamen van “Noort Apeldoernes merckt” op het huis Loo voor het maken van een nieuwe buurwillekeur, omdat door oorlog en onvrede alles in wanorde was geraakt. Naar dit huis, later bezit der Oranjes, heet deze marke soms ook Loose mark. Eerst enkele namen uit de 17e en 18e eeuw: erve den Anckeler, Enckholt (in de

Coninenwaranden), hooiland in de Helle en in de Iwelers, goet den Oudenhoff (alias saelweer), huis Schoonebroeck, hooiland “zijnde ’t weerkleet van den prädikant” (1649); land van W. F. Jeuwlers, de Eeuwelers, Hoffgoor, Sprenckeler, land in de Vlessen, Vlessencamp (1772). In de 19e eeuw komen voor: Dasseler, de Helle (een stuk hooiland), Hommelenbrìnk, Iwelerhorst‚ Kalverij, Kerschoten, Kleterstraatsche brink, Koude fluit, erve ter Maten, de Nagtegaal, het Spanholt 1), het Zwarte verken, de Zwavelbosch (op de Iwelerhorst).

De namen op -ler (Anckeler, nu de buurschap Ankelaar; Dasseler; Sprenckeler‚ in de 14e eeuw Sprenckler) zijn te houden voor samenstellingen met laar. Iewelers of Ywelerhorst komt ook voor als Juwelenhorst en Ieuwelerhorst. In 1668 behoort bij het erve Hevestein in Vasen land in de Iwarts. In 1664 wordt hooiland te Ihorst, kerspel Vasen, tussen de Kleine en de Grote Weterink genoemd. In Overijsel, bij Staphorst, ligt IJhorst, vroeger Ywehorst‚ in de wandeling Iewers. Het wordt afgeleid van iewe‚ taxis 2)‚ Dit geldt ook voor Iwelerhorst in Noord-Apeldoorn en voor Ihorst in Vasen. dat in het tinsboek van Epe van 1694-1705 Ieuwerst heet.

1) Vgl. hiervoor blz. 3 Spanhout te Loenen. In 1383 lag een erve ter Spannet in de buurschap Wechterholt onder Wije (Tijdr. Reg. Archief 0v. II 725). Dit is het erve Spant (Top. Kaart); Ten O. daarvan ligt het Spanblok. Het laatste wordt vermoedelijk in 1334 genoemd,
wanneer sprake is van tienden te Herkeloo en "teen Spanne" (Oudste foliant 36 v., Kamper Archief). Te Valte (Dr.) heel het Valter bos ook Valter Spaan (Van der Aa II. 525). Behooren deze woorden bij span(t) en spaan? Spanhout was allicht de plaats waar men spaanhout (gekloofd hout) haalde.
2) NGN. 1, 139; 7, 5.Bückmann bij Schönfeld. NGN. l0, 6.Jellinghaus‚ Westf. Ortsn. 89, 114. Bij Staphorst komt nog een horstnaam voor, die afgeleid is van een boomnaam. n.l. Sprakelhorst. De sprakel of sporkel in de vuilboom (Frangula Alnus), waarvan het wit gevlekte hout, waarnaar de boom genoemd is, gebruikt werd en wordt voor het maken van de rechte spijlen in een bijenkorf. Vandaar een bepaling in het markeboek van Lieren, van 1606, dat niemand sprakelenholt zal houwen. Over deze boom Stapelkamp in Saxo-Frisia 3 (1941) 68 vv, 81 vv. Jellinghaus vermeldt een Sprakenlo, dat in 1032 en een Sporklo, dat in 1188 voorkomt (Westf. Ortsn. 131); ook een twijfelachtig Sprockelhorst bij Lochem (aldaar 89).

Het verpondingsregister vermeldt ook te Loenen een perceel, dat Weerkleet heet, zonder de bijvoeging „van den prädikant’”. Ik vermoed, dat een deel van de opbrengst bestemd was om voor de predikant een overjas, reismantel of iets dergelijks te bekostigen. Naast deze naam is Orgelkamp te plaatsen. Bij een zo genoemd stuk land te Wormingen staat aangetekend, dat het belast was met 32 stuiver „orgelgelt”, vermoedelijk geld voor het aanschaffen of onderhouden van een kerkorgel. Ook te Oene lag, in het Voorbroek, een Orgelkamp (1717).

In verband met de naam Weerkleet is het nuttig op te merken, dat de kerkelijke diaconie te Mastenbroek (Ov.) een stuk land beheert, dat de Pels heet. Zonder te weten of het kerkeland is voeg ik er bij, dat bij Oldemarkt (Ov.) aan de Kuinder zes bunder hooiland ligt, genaamd de Pels 1).

Te Delwijnen in de Betuwe vond men een stuk land de Mantel en te Doornspijk op de Veluwe ligt bij de Kerkdijk grasland, de Mantels 2).

Ten N. van de marke van Noord-Apeldoorn vond men de marken van Wiesel en Wenum (met Beemte). In Wiesel worden in 1649 genoemd: huis en hof de Crawaterij (met hooiland op de Beente), weiland „aen 't Goor” en zaailand „int Greutelt”. De Crawaterij heet in 1688 Krawaterij, in 1719 Kerwaeterije, in 1841 Kwaterij, in 1875 de bouwplaats de Katerij. Is de naam afgeleid van Crawaat of Kroaat, een naam die sinds de inval van Van den Bergh en Montecuculi in 1629 op de Veluwe in kwade reuk stond?

Slichtenhorst, de historicus uit Harderwijk, sprak van „beestelicke Kroaten” en Martinius, tijdgenoot en predikant te Epe, van „uitheemsch Croaatsgedroch” 3).

Andere namen op -erij waren Lenserije (1718) en Bonnevelderije (1744) ;

De laatste is genoemd naar een familie Bonneveldt. Later verschijnen nog de Krikkerij (1863) en de Tillerij (1873).

1) Men zou bij Pels ook aan ruig land kunnen denken.
2) Het zou de moeite lonen de namen van het kerkeland in onze dorpen na te gaan.
Zoals Dr. Schönfeld opmerkte, is Mantel volgens De Flou in West-Vlaanderen zeer gewoon. In Engeland heten stukken land Bellropes, omdat daaruit de kosten voor de klokketouwen betaald werden. Ook de naam Lamplands komt voor: deze bekostigden het licht in de kerk (Mawer, The study of fieldnames in relation to place-names, Historical Essays in honour of James Tait (1933) 196 vv...
3) Het Ned. Wb. kent Krawaat = Kroaat (8, 126) en spreekt over de ongunstige roep van de "Krabbende Krabat”; ook over de betekenis van dit woord om Antwerpen, waar het nog een scheldnaam is. Slichtenhorst: TAG. 1934, 31. Martinius: Ov. Almanak 1853, 91.

Te Wenum vond men nog de Schipperij (1854) en de Celerij (1729), te Vasen de Bokkerij (1794) en in de buurschap Westerik aldaar de Plakkerij (1820) 1).

Greutelt komt op de Topografische kaart als Greudel voor. Evenals Asselt en Hoog-Buurloo, dat in de streek ten W. van Apeldoorn Burelt heet, is het een loo-naam 2).

In 1773 komt onder de hekken in de Wieselse marke dat bij het erve het Roepenest voor. In 1826 betaalt deze marke een klein bedrag „voor het plukken van roepenesten”, blijkbaar om het houtgewas voor een rupsenplaag te beschermen 3). Ten slotte volgen hier nog: het Oosterlaer en de acker de Camer (1698), de Pasch en de Brinck (waar in 1767 eiken groeien), de Miller (1755) en de Millers (1843).

Te Wenum vergaderden de erfgenamen, buren en maalluiden „onder dye lynde”; in 1580 heet dit de „olde gewoonlycke plaetse”. Deze wordt in 1841 aldus aangewezen: ten O. het pad van de Molen naar de Papegaaibrug. In 1649 vinden we hier: het Goor, het Glip 4), de Holhorst en het huis de Martelaer. In 1702 is sprake van schotsteden (vermoedelijk plaatsen, waar een schot of schaapskooi gestaan heeft) op het veld tussen Wenum en Wiesel; H. Henricx van de Martelaer had getuigd, dat deze, met doelens ‚grensteekens), de scheiding der twee marken vormden. In 1772 worden genoemd: de Goudkuyl, de Dulk, de Corler, de Jonkerije, de Papegaay, de reeds genoemde Selerije, de Stelterij en de Veller.

De Papegaai was, evenals de bij Noord-Apeldoorn genoemde Nachtegaal, een herberg aan de oude weg langs de Grift van Apeldoorn naar Zwolle.

Naast Veller, de naam van een erve dat in 1609 reeds genoemd wordt, komt ook Velderman voor. Is het een -laar naam of is het samengesteld met val? 5). Dan worden nog genoemd: Disberch (elders Diesbergh), goet

1) Beek man en Moermau, Ned. Aardr. namen (1938) 22 vv. Er is ook een Krikkerij in De Wijk bij Meppel (de naam hangt samen met de familienaam Krikke). Maar ten N. van Meppel en ook bij Blokzijl vindt men een Kikkerij. Vervorming van Krikkerij tot Kikkerij, ter vergemakkelijking van de uitspraak, is aannemelijk.
2) NGN. 7, 9, Zie ook Haselt, blz. 6. Hangt het eerste lid samen met de stam grut, grint, grof zand (Jellinghaus 71)? Iets noordelijker ligt de buurschap Gortel, in de Schattinglijst (p. 31) Grortel. Ook dit bij hetzelfde woord? Zie ook Grietel (blz. 14).
3) Rupennest is de naam van een oude hof bij Düthe, niet ver van Meppen, in het Eemsgebied (Abels, Ortsnamen des Emslandes (1927) 64, 68). Deze naam kan op dezelfde wijze verklaard worden. Ruipenest: Van der Aa IX 765.
4) Volgens Ned, Wdb. o.a. helling.
5) Heuvel (Oud-Achterhoeksche boerenleven (1928) 216) denkt bij Vellert aan een valkuil. Of is het valdeur? In de giftbrief van de Graatheide bij Sittard wordt bevolen de "valderen” niet open te laten (Publ. Limb. 6 (1896) 464).

te Werler, Goerstraet, Syenbrinck (1580), Celerij (1729), de Stramprytte (in 1734; in 1855 de Stramplaagte; stramp is stobbe), het erve Goedwel (1773; in 1861 het Goedwiel bij de Korrelshof, d.i. de Corler), de Kranenflesse bij het Vasense veld (1937), de Paardevles 1), de Schipperij 2) en het Schaapspik 3), de Roeuwbollige laagte (1855; in 1859 Ruwballaagte; roebol is paardestaart of Equisetum; vgl. Robolligehoek, een buurschap in Zwoller kerspel), het Dakstroo (1880; dit heet in 1846 Taxstroot, in 1859 Dakstrooi; van stroot, moerassige laagte; in 1723 wordt er een brand in het Strood geblust), het Dageveld, de Waterkamp bij de Schipperij, de Goorlanden en het Vluis (1861); het laatste lag aan de uitmonding van de Wenumse beek in de Grift; vluis is drassige plek 4).

IV. Kerspel Vasen

De gegevens omtrent dit kerspel (met de marken Vasen en Niersen), uitsluitend Kannenburchse stukken, zijn gerangschikt in volgorde van tijd.

1) 1541 de Kannenborch mitter Voegelhorst ind vollmoelen.

2) 1543 guydt Kannenburch uunde Vogelhegge 5).

3) 1608 saelweer in den Westerick met den Mettenbosch „aen Haeffcamper enck op ten Teye”.

4) 1610 „Onse Tijcamp int karspel van Vaesen”, W. den Tij, N die Tijstraet, met hooiland in de Elst.

5) 1642 hooiland in de Ruenkamp, eigenaar de scholtis te Epe; vermoedelijk hetzelfde als de Rouwencamp in het Vasense broek, in 1730 (en de in 1678 genoemde Roevekamp, een erve in Vasenerbroek, ofschoon roeve of reuve raap of knol betekent).

6) 1653 het Halsgoet in de Westerik, met land op de Kerckenenck otfte Speulbrinck 6), op de Wandenck en de Heggerenck.

7) ± 1660 Plakdeelinge (verdeling van heiplaggen) te Vasen: die Couwenaer 7), die Groete Weversstee, die plaets daer lonas woent, die Helftercamp, die Vallick (een herberg), 't Laer, Spaens bos (Spaens is een eigennaam), het goetien nevens die Wiltbaen.

1) Een andere Peerdefles lag ten Z. van Asselt, waar nu de spoorlijn loopt.
2) Deze heet nu ten onrechte Schupperij.
3) Spík of spek: zoden-brug; NGN. 7, 45.
4) NGN. 7, 17.
5) Ook met weglating der h, Vogelegge. Vogellege (Register Leenaktenboeken (kwartier van Arnhem) 236).
6) NGN. 7, 32.
7) Schattinglijst (Van Doorninck): Cope Coudener.

8) 1666 erve de Runnenberg (in 1744 de Runnenbergse kamp); op de Topogr. kaart Rennenberg.

9) 1676 buerschap die Hongerstraete, kerspel van Vasen.

10) 1693 allodiaal erve d'Eekte, kerspel Vasen (1835 erf de Eekte, met een onverdeeld vierde deel in de weide Allemanskamp).

11) 1714 het verlaat aan de Grift op het hoek van de Bottert.

12) 1715 pampiermoelen op de Oosterhoff (een huis te Vasen) met land „aan den Hommelenbrinck” 1).

13) 1720 meule op de Rollecote (1725 pampiermole de Rollecoot) 2).

14) 1745 erf den Wulpher, „met den brinck achter het huis”, in het Vasense broek.

15) 1770 zaailand onder het Heggerot, ten N de Tijstrate.

16) 1771 huis aan de Waterstraat op den Couwenaar.

17) 1771 erve Bossenbroeck met zaailand de Hooge Slippert, hooiland de Leege Slippert, het Haverland, ten N lang, het goed de Vlekkert.

18) 1781 huis bij het Enkholt, met een weide bij het Hol, tussen de bovenbeek van het Hol en de „springe” de Roode Sloot 3).

19) 1794 huis in buurschap Westerick, met zaailand op het Laar, N. de erfgenamen Jan Willems van de Bokkerij.

20) 1820 daghuurdersplaats de Plakkerij, buurschap Westerinck, met bouwland de Krockenhoek.

Op Niersen hebben betrekking:

21) 1602 Brouwers erve „met kempken den Baaker; op de saalwher staan een huis van zes gebinten en het schaapschot” 4).

22) 1777 Brouwers erve, een saalweer, met landerijen: de Pakert, den Langen voren, de Hagen, den Driest.

De Tij te Vasen (zie No 3, 4 en 15) is de enige tie, die tot dusverre ten W. van de IJsel is gevonden. Een tie was een vergaderplaats, waar in het bijzonder de boerrichters hun samenkomsten hielden. Deze naam is gebruikelijk geweest over een gebied dat van de Elbestreek tot de IJselstreek reikte, en noordwaarts tot aan het Friese kustgebied, voorzoverre het nietvervangen was door brink of boerbrink.

1) Bij Asselt lag een streek Hommelschoten, nu bebost kroondomein. In Noord-Apeldoorn lag bij de korenmolen ook een Hommelbrink.
2) NGN. 7, 164.
3) Het Hol was een erve en een daarbij gelegen papiermoten, de "Holsche molen”; de Top. kaart heeft hier Hof.
4) Zaalweer: were of erf, waarop een boerenhuis met bijgebouwen staat; sale is woonplaats, woning. Vgl. kerspel Epe No. 3, en Oudenhoff in Noord-Apeldoorn.

 In Overijselse marken, zoals dievan Rozengaarde (Dalfsen) lag de brink (waar de markegenoten samenkwamen) op een andere plaats dan de tie, waar niets gebeurde. Dit wijster op dat de tie bij oudere rechtsverhoudingen behoorde 1). Hegge (N° 2en 15) betekent, evenals haag, hege en heegde niet alleen heg, maar ook laag bos 2). Een uitvoerige kaart van Witteroos (1570, Rijksarchief Arnhem) vertoont „de heggen geleghen op den Moft”. Dit bos, in 996 als Moffet voorkomend 3), ligt ten Z. van Ede. Genoemd worden o.a. Bunthegge, Diefhegge, Geerhegge, Vlashegge, Koerhegge, Wilthegge; ook de Grote en Cleyne hegge naest die Zyselt (een ander bos). Bovendien Mytstee en Bystee (stede of plaats, waar houtmijten en bijenkorven stonden; vgl. huisstee: plaats waar een huis staat of stond), Olden Brant, Buttenberch, Dunne Hull, Dickenbusch, Koelenberch (koele is kuil), Klinkenberch, Koerberch (koeren is uitkijken), Nattesool (sool is kuil, modderpoel), Schitelberch en Schoone hull.

Heggerot of Hegger Rot is niet de naam van een roding, een plaats waar bos verwijderd is. Evenals Hoeker Rot te Oene behoort het bij rot: deel van een buurschap. Een groep mannen, staande onder rotmeesters, was in de 18e eeuw en zeer waarschijnlijk ook vroeger verplicht tot het verrichten van gemeen werk, b.v. bij dijkbreuk. De Veluwse bandijk, waarachter deze dorpen liggen, was tot in onze tijd in rotten verdeeld.

Driest (No 22) is mogelijk dries met achtergevoegde t, maar misschien samentrekking van de riest. Op de Veluwe lag bouwland, dat volgens het drieslagstelsel bebouwd werd, om de drie jaar „op den dries”, dus braak en drieslagstelsel bebouwd werd, om de drie jaar „op den dries”, dus braak en deed alleen dienst als schrale weide 4). Riest is een bos van rijshout 5).

1) NGN. 7,31; TAG. 62(1945) 56. Seelmann, Der Tie. Jahrb, f. Niederd. Sprachf. 1930/31 80. Korrespondenzblatt 1932, 78; 1933, 4. Of Prof. R. Mielke te Berlijn, die de verbreiding dezer namen cartografisch wilde voorstellen, dit voornemen uitvoerde, is mij niet bekend.
2) NGN. 7, 40.
3) Sloet, Oorkb. 116.
4) Ned. Wdb. III 3321: arm bouwland, als schapenweide gebruikt. Vgl. Verdam, Mnl. Handw. 152, Mansion, Voorn. bestandd, 152,
5) NGN. 8, 84. Op de enk te Leeuwen bij Wageningen lag ook een Driest (Oosting, Landbouwk. Ts. Febr. 1938 kaart). Te Heino vond men de erven Rijstbus en de Reest (Gesch. van Heino, 14). In het N, van de Veluwe komt de familienaam Van Triest voor. Te Boendaal bij Brussel had men een bos Triest en een Triestveld, Lindemans (Plaatsn. 33) denkt aan driesch + t, Van Loey (Plaatsn. Elsene en Ukkel 17) aan tries (een boom?) + t. Men kan ook denken aan t + riest, de t een verscherpte d (b.v. onder de invloed van 't riestvelt, of van st aan het einde).
Nomina Geographica Neerlandica. XII

In 1243 wordt de Erlehove in het kerspel Vasen genoemd 1), die in 1534 als Aerlehoeve voorkomt. Mogelijk is het de huidige Adelaarshoeve in het Vasense broek. In hetzelfde jaar 1243 wordt een „mat” bij Erlehove overgedragen aan het klooster Ter Hunnepe bij Deventer; dat is vermoedelijk de later voorkomende Nonnen maet in Vaessense marke van 1395 2).

V. Kerspel Epe

Hiertoe behoren o.a. de marken Emst, Epe, Tongeren en Noorle met Dijkhuizen. Eerst enige gegevens omtrent Emst.

1) 1660 de Schafferder, Emser, Cortebroecker en de Broecker veentgen (Schafferden is Schaveren, ten W. van Emst).

2) 1676 de Smallert (1775 de Smallertsche papiermolens; nu terrein van de viskwekerijen van de Ned. Heide Maatschappij).

3) 1702 herengoed en saelwehr aan de Lobrinck, met de hof aan de Lobrinck, de Lange Paddegatackers, zaailand (O. de gemeene Brinck) en akkers aan de Luysen struycken.

4) 1733 huis bij het herengoed aan de Lobrinck, met hoppeneest en hoppestaecken (opschrift: Gansenplaatsje).

5) 1786 zaailand op de Emster enck, „t'eyndens de Laarstrate” 3).

6) 1798 erve de Haverkamp aan de Lobrink, met hooiland in ’t Hoorner Sybroek te Heerde.

7) 1818 buitenverblijf Vossenbroek aan de Grift, met watermolen 4) (in 1765 landgoed Vossenbroek; op de Top. kaart Vorstenbroek).

Tot het dorp Epe behoren:

8) 1642 zaailand op de Eper enck, O. de Pastorie van Epe, Z. het Groene wegsken, W. de „gemene wegh”.

9) 1642 huis in het dorp, opten Hardenbrinck.

10) 1660 akkers op de enk, N, den acker schietende op het Preeckberghjen (Freeckberchjen).

11) 1662 zaailand op de enk, genaamd het Leeeker beetken, Z. den weg van het dorp naar de Ham, N. „den gemeenen wech”.

1) Sloet, Oorkb, 636, 637.
2) Tijdr. Reg. Archief Ov. 2, 37.
3) Volgens Bezoen (Erica, Juni 1946, 11) was t'eyndens of tens, in de betekenis: aan het einde van "vroeger over het hele Saksengebied bekend”, Vgl. thyens in No. 19, dat eerder de betekenis „tegen”, of „langs” heeft, of is het een verschrijving voor theyns ?
4) Deze molen werd niet gedreven door waterkracht, maar was een windmolen, die voor ontwatering diende.

12) 1678 de Beeltsnydersweyde, buyrschap Zuyck, op den Ham 1).

13) 1688 zaailand op de Eper enk bij 't Frederick bergsken, aan de gemene weg, door de enk gaande 2).

14) 1694 de Lochtenberg, op de Laer enck.

15) 1707 zaailand op de Eper enk, de Loffackers, O. de gemeyne wegh, N. de weg naar de Heuve.

16) 1742 land op den Eper hogen enck, O. de gemene wech, Z. St. Catharine Fykarye, N. het Groene weegien of Heydens weghjen.

17) 1745 het Heydens of Groene weghjen.

18) 1857 bouwland het Lekkere beetje in den Dorper enek (vgl. N° 11).

In Noorle en Dijkhuizen 3):

19) 1701 plaggevelt het Twillert in Noorle, Z. de Eper dorper enk, „het heetakkertjen thyens den Hogen camp heenschietende".

20) 1703 onlandt off plaggegat het Willert in Norlo (zie NO 19).

21) 1771 zaailand de Smallink, buurschap Dijkhuizen op Dyckhuyser enck, N. de Sletstrate, Z. de Hoge weg.

Groene wegen komen in ons land op meerdere plaatsen voor. Ze zijn waarschijnlijk zo genoemd, omdat ze met gras begroeid waren, doordat ze zelden gebruikt werden, of minder druk dan vroeger 4). Dat zulk een groene weg ook wel gebruikt werd als begrafenisweg (liekweg, reeweg), is mogelijk. Wat in dit verband over praehistorische, naar moerassen leidende dodenwegen gezegd werd, is weinig afdoende 5).

In een akte van 1733 (No 4) is sprake van hopverbouw en -verwerking bij de Loobrink te Emst. In Orden (Apeldoorn) wordt in 1649 een schepel lands „in den Hoppenhoff" genoemd en vijf schepel „op den Hoppenkamp”; in 1752 een akker „op den Hoppencamp", „uitwegende” langs het Veentje bij het Dorp.

1) Beeltsnijder is een familienaam: een tak van het geslacht Steenbergen. Zuyck of Zuuck is, evenals Westerick in Vasen, een samenstelling met -wijk (dus: Zuidwijk). Vgl. erve den Oestryck te Epe (1642).
2) Er is hier (vig. No. 10) verwarring tussen preek en Freek (verkorting van Frederik).
3 Van Doorninck, Schatting enz. (± 1330), Willem van Orlo, Henric van Noertlo, Henric van Diechusen,
4) Vgl. Hardenberg, Ned. Archievenblad 50, 31, Lindemans, Toponymie van Opwijk (1931) 64.
5) Zo het opstel van Gazenbeek, Oude wegen in het heideland (TAG. 1937, 378 vv), ook met meerdere onjuistheden op toponymisch gebied, en daarin gebruikte publicaties van Bellen uit Eigen Volk.

De Loobrink heet in het stuk van 1733 een herengoed. Herengoederen waren op de Veluwe oorspronkelijk horige goederen van de landsheer; ze heetten ook vrije goederen, maar zijn te onderscheiden van vrije allodiale goederen.

Tot slot nog iets over de naam Emst. In 1243 komt een Thyace van Emse voor 1). In 1263 wordt een Theddericus de Emeze genoemd. Bij Sloet heet hij Theodericus de Emere, maar deze naam is waarschijnlijk verminkt 2). Wel komt echter in 1403 te Heerde een hof Ter Emer voor 3).

VI Kerspel Heerde

Uit dit kerspel geven we slechts enige gegevens omtrent de buurschap Vemde 4):

1) 1665 zaailand op de Vembder enck, opten Gresebrinck.

2) 1693 zaailand op de Vemder enck, zaailand de Korte loop, akkerland in den Sien enck 5).

3) 1720 zaailand in Vemde in de enk, het ene „in den Suynenck", het andere aan de Graesbrinck (de pachter behoudt zijn „goust of mestreght'').

4) 1722 land in Vemde „in den Suyenenck”.

5) 1730 een eycken bossien in Vemder enk, int Krieklant gelegen.

6) 1736 hooiland onder Merkluyn int Vemder broeck 6).

VII Kerspel Oene

1) 1342 Sint Marie verhuurt nieuw land in het kerpel van Oen aan Ghert van Eme enz, met twee morgen bi Oenre voerde, land in Oestroen en in Zut Oenre marke in den Zump.

2) 1489 een camp in Oenrebroec, de Blenckert 7).

1) Stoet, Oorkb. Gelre 636. NGN. 3, 95.
2) Rijndorp, De hof ven Sint Marie te Oene, 9. Sloet 455.
3) Register Leenaktenboeken, kwartier der Veluwe 213, 221.
4) Van Doorninck, Schatting (±1330): Bernard van Vimmen.
5) Vgl. NGN. 7, 4: den syden enck. Side is laag. Niet Zuiden, zoals de schrijfwijze in No. 3 en 4 doet vermoeden,
6) Markluiden komt in 1025 voor als Merclede (Sloet, Oorkb. 152). In 1435 wordt een goed tot Zudick (Zuick) in de buyrschap van Merckle genoemd (Register Leenaktenboeken, Veluwe, 209).
7) Over veldnamen op -erd (-aard) Lindemans, Hand. Comm. top. en dial. 2 (1928) 133 v., waar onder meer Vlekkerd en Blanckaard genoemd worden; -erd is meermalen gevoegd achter woorden, die een eigenschap van het land aangeven. In dit opstel komen voor: Baaken (Pakert), Blenckert, Siettert, Slippert, Smallert, Vardelt, Vlekkert, Willert (Twillert). Smatlert behoort bij smal, Pakert en Slettert misschien bij baak (grensteken) en slat (drassige laagte). Maar Vlekkert? Bij vlek of plek, òf bij vlaak of vlechtwerk? Vardelt is mogelijk vierendeel.

3) 1662 Doeticumscamp, vier morgen in Oender Voorbroeck, O. aan de Stroombreet, W. an die Orgelcamp 1).

4) 1685 weikampjes de Slettert en de Lanterie in Oen, W. de Weteringe 2).

5) 1707 Boelencamp aan de Santgrave.

6) 1712 weiland in Oene, met een uitweg door en over de brink van Eymbert Peters, en een deel van de Harde weyde.

7) 1717 erve de Muggenbergh, tussen de Grote en de Nieuwe wetering, met hooiland in het Oender Voorbroeck, O. aan de Stroombreet, N, aan de Orgelcamp.

8) 1717 weiland in de Assenbrink, O. de Grote wetering, met land in het Achterbroeck (W. de Stroombreetswange, N. het Nonnenslagh) 3).

9) 1718 zaailand, met een deel of plackveltjen in de Hoge enk te Oene 4).

10) 1720 erve Diepenvoorde in de Horthoeck te Oen.

11) 1724 erve Muggenberg, met twee morgen in de Aelpreuse, Schothoff en het Schotcampien; de Ruytwinkels te Oene 5).

12) 1726 land in de Laersenck: het Vardelt en het Warveitje (Warveltien) 6).

13) 1734 erve Muggenbergh, O. de Grote wetering, Z. de Groene Straete langs de Assenbrinken naar de Horthoeck.

Tot de vier „zetelhoven” van het Kapittel van St. Marie te Utrecht op de Veluwe behoorden, behalve de hof te Apeldoorn, ook die te Oene 7) De naam wordt ook gespeld: Unen, Uone,  Oen; eenmaal vindt men curtis de Hoynen 8).

In het kerspel Oene vond men meerdere marken, met name die van Oosteroene en Zuidoene. In de 14e eeuw wordt een stuk land de Bernebring genoemd, liggende in Suut Oenre marcke.

1) Stroombreet: een wetering.
2) Lanterie: van lanter of landheer.
3) Wang: lage dijk (NGN. 7, 26 en 163).
4) Plakken zijn heiplaggen; vgl. Plakkerij te Vasen.
5) Ruitwinkel: hoek waar ruit, roet of onkruid groeit.
6) Vgl. Coeps kinder oppen Wervel (onder Epe), in Van Doorninck, Schattingslijst 32 Een foo- naam (van werf of waterwilg); of naar een afsluiting (van wervel of grendel)?
7) Uitvoerig hierover Rijndorp, Gelre 46, 1 vv. De rondreizende kanunniken hadden, als ze vertoefden, hun zetel op zulk een hof; dit verklaart de naam, ook de naam stoelhof, Vgl. Seibertz Westf. Urk. I 370 „curtes principales que dicuntur sedelhoven”").
8) NGN. 3, 205. Bij Bentheim ligt een Ohne, dat in oudere stukken On, Oon heet. Jellinghaus 144. Rijndorp wil de naam met huna, moeras, in verbinding brengen; de spelling wijst echter op oe en niet op hoe.

Op de enk te Oesteroene lag in1557 een stuk land de Goudewoert, later Goldworp en Goldworm genoemd 1). In Oosteroene lag het goed Ten Voorde, thans Groote Voorn.

De laatste naam wordt veelal, ten onrechte, met die van de gelijknamige vis in verband gebracht. De Schattinglijst van 1330 noemt een Arnoud ten Voerden, die hier vermoedelijk thuis behoorde 2). In 1717 wordt hooiland in het Oender Voorbroek ten O. begrensd door de Stroombreet (zie N° 7).

Maar op de Topografische kaart ligt het Voorbroek ten O. van deze wetering. Mogelijk zijn de namen Voorbroek en Achterbroek verwisseld. Of men heeft deze namen gegeven van Oosteroene uit.

Tot de hof te Oene stonden ook enige hoeven in betrekking, die gelegen waren in het oostelijker gelegen Welsum, ten W. van de IJsel gelegen, maar behorend tot Overijsel (kerspel Olst). We moeten er iets van zeggen. In Overijselse gegevens uit de 15e eeuw liggen hier in de buurschap „Welsen ende Grapentol” (nu Grapendaal) vier goederen: To Winckel, By Noerden, Nebelen guet en het guet to Midsdorpe. Rijndorp deelt mede, dat het goed Ten Mersche (later gesplitst in Zielgoed en Marschgoed), te Welsum gelegen, tot de hof te Oene behoorde. Vermoedelijk is dit hetzelfde als het Nebelenguet. Want de drie andere goederen n.l. Ten Winkel (later Ter Mate), By Noorden en Middesdorp, Misdorp of Mis (later naar een bewoner Gherrit Diin ook Gherdiinsghuet genoemd, nog later verbasterd tot Geerdinesgoed), waren eveneens aan de Oener hof verbonden 3).

Een tweede Overijselse enclave ten W. van de IJsel ligt bij Wije. Ze behoorde tot de buurschap „van Wynvoerden ende Marnhem’, waarvan Wijnvoorden aan de oostkant en Marnhem aan de westkant was gelegen. Te Marnhem lag een goed van St. Marie, dat meestal dat van Bernt van Marnhem, Mernhem, Mernen of Meerne wordt genoemd. Het vreemde is, dat dit Mernhem later Marle is geworden; op welke wijze, is mij niet duidelijk. Of heeft de naam van de buurschap Marle bij Hellendoorn een rol gespeeld? In een stuk van 1420 verkoopt de weduwe van Bernt van Meerne haar goed in het kerspel Wije „in de buerscap van Bynnoerden ende Mernen” 4). Het is duidelijk, dat Bynnoerden hier een verschrijving is voor Wynvoerden.

Een met -donk samengestelde naam troffen we niet aan; verder zuidwaarts wordt het steeds algemener. Op de Veluwe liggen enkele Hazeldonken te

1) Rijndorp 36. Vgl. Ned. Aardr. Namen, 36.
2) In 1412 is sprake van een zegenworp in de IJsel bij het goed Ten Voerde te Oene (Tijds. Reg. Arch. Ov. 2, 198).
3) Rijndorp, 31.
4) Rijndorp, 31.

Lunteren, Ede en Barneveld. In de IJselstreek was slechts één voorbeeld te vinden: in 1614 wordt de Teuge of Bergweide te Deventer o.a. vergroot met de Bellendonk 1). Deze weide ligt ten Z. van Deventer, aan de oostzijde van de IJsel.

1) Donk: kleine heuvel enz. Beekman, Nom. Geogr Neerl., (TAG. 1932, 909), Dijk- en waterschapsrecht 1 541, Kern, NGN. 2, 190, Mansion, Voorn. Bestandd. 33).
Don't have an account yet?Register Now!

Sign in to your account